De middeleeuwse bouwgeschiedenis van de Amsterdamse Sint-Anthonispoort. De Waag op de Nieuwmarkt nader onderzocht

Jacqueline de Graauw

Samenvatting


Waag on Nieuwmarkt was built as a city gate and later transformed into a weigh house. The numerous descriptions of the history of the building are nearly exclusively based on written sources. Building-historical research was lacking. On the basis of a memorial stone with the year 1488 it was assumed that the gate had been built in connection with the construction of the Amsterdam city wall during the eighties and nineties of the fi fteenth century. However, a further search in the records, building-historical research, and typological research provided new views on the actual construction date of St Anthonispoort, the various phases in which it proves to have been built, and on late medieval defensive works in Amsterdam. Due to the city extension of 1425, in which Geldersekade, Kloveniersburgwal and Singel were excavated, the fourteenth-century gates were no longer situated on the edge of the city and new gates were required. On the basis of sources in the records, St Anthonispoort proves to have existed in 1466, but possibly already in 1462 or 1456.

The fifteenth-century city gates Haarlemmerpoort and Regulierspoort and a few brick walls also appear in records dating from before the building of the city wall. After the city fi re of 1452 a few towers were built at the urgent request of Philip the Good, but it is not clear if the fi rst appearance of St Anthonis blockhouse in 1462 is related to this work. Documents show that in 1451 the defensive importance of fourteenth-century St Olofspoort had decreased - probably because of the existence of St Anthonispoort - but that the outermost defensive works were not completely trusted yet. St Anthonispoort consists of a main gate and a front gate. There are differences between the lower part and the upper part of the main gate. An abrupt rejuvenation took place and the brickwork below differs from the brickwork above as regards the existence of string courses, bond, colour and probably also brick formats.

The presence of remains of battlements in the transitions of the brickwork in the towers St Eloystoren and Schutterstoren proves that in an earlier phase the main gate was a smaller gate with battlemented towers. The medieval forerunner of the present Metselaarstoren is still partly present and shows a resemblance with the rest of the main gate and was probably also part of the earlier small main gate. There are also differences in the brickwork of the main gate and the front gate as regards colour, brick formats (22 x 10-10.5 x 5.5-6 cm and a ten-layer measure of 69.5-70 cm in the main gate versus 19.5-20 x 9.3-10 x 4.3-4.7 cm and a ten-layer measure of 56-59 cm in the front gate) and the distance between the string courses (twenty to twenty-seven layers of bricks in the main gate, versus ten to eleven in the front gate).

It occurred more often that front gates were added to existing gates, as for instance around 1482 in Spaarnwouderpoort in Haarlem, of which the front gate strongly resembles that of St Anthonispoort. It is likely that the extension of St Anthonispoort in 1488 concerned the addition of the front gate, but is not clear whether the raising of the main gate and the construction of the front gate took place simultaneously. The conclusion that St Anthonispoort is older than the city wall throws new light on the Amsterdam defensive works in the fi fteenth century, which before the construction of this wall appear to have been more extensive than is often thought.


Volledige tekst:

bekijk artikel

Referenties


Dit artikel is gebaseerd op het bouwhistorisch onderzoek uit de afstudeerscriptie The Waag at the Nieuwmarkt in Amsterdam, die door de auteur is geschreven onder begeleiding van prof. dr. ir. arch. Krista De Jonge (Katholieke Universiteit Leuven) en dr. Gabri van Tussenbroek (Bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam) in het kader van de post-initial masterstudie Conservation of Monuments and Sites van het Raymond Lemaire International Centre for Conservation aan de Katholieke Universiteit Leuven.

Zie met name C. Commelin, Beschryvinge van Amsterdam, zynde een naukeurige verhandelinge van desselfs eerste oorspronk etc, Amsterdam 1693, 2 dln.; J. Wagenaar, Amsterdam In Zyne Opkomst , Aanwas, Geschiedenissen, Voorregten, Koophandel, Gebouwen etc, Amsterdam 1972 [facsimile van de uitgave van 1760-1767], 3 dln.; W.R. Veder, ‘Het St. Anthonis poorthuis te Amsterdam’, Eigen Haard 37 (1911), 218-222, 270-272, 292-294, 358-361, 461-464, 565, 567, 764-768; E. Kurpershoek, De Waag op de Nieuwmarkt, Amsterdam 1994. Deze beknopte lijst is uiteraard verre van compleet.

Ronald Glaudemans voerde een bouwhistorisch onderzoek uit naar de watergang onder de Waag: R. Glaudemans, ‘De Waag onder-belicht; Bouwgeschiedenis onder de Nieuwmarkt’, in: J. Gawronski, F. Schmidt en M.-Th. van Thoor (red.), Amsterdam. Monumenten & Archeologie 4, Amsterdam 2005, 60-67.

In dit artikel worden de huidige namen van alle torens gehanteerd, die alle verwijzen naar hun gebruik ten tijde van de waagperiode. De Metselaarstoren is de meest noordelijke toren van het gebouw en is van de zeventiende tot in de negentiende eeuw gebruikt door het metselaarsgilde, vandaar de naam Metselaarstoren. Zie H. van der Zanden, ‘Zoutschade’, in: J. Gawronski (red.) 2005 (noot 3), 80-85.

De Watergangspoort werd ook wel Windmolenzijde-poorthuis, Karthuizers-, Nieuwendijker- of Haarlemmerpoort genoemd. De Bindwijkerpoort heette ook wel Bynewyckerpoort. De Sint-Olofspoort noemde men ook wel Zeedijk-, Kerkzijde of Warmoespoort. T. den Herder, ‘Der stede muragiën; Poorten, muren, torens & wallen van Amsterdam’, in: J.H.van Tongeren (red.), Van een gulden tot een riks, Amsterdam 1999, 89-136. Zie ook C.L. Verkerk, ‘De oudste stadspoorten van Amsterdam’, in: P.J. Woltering e.a. (red.), Middeleeuwse toestanden; archeologie, geschiedenis en monumentenzorg, aangeboden aan Herbert Sarfatij bij zijn 65e verjaardag, Hilversum 2002, 281-303. De ‘Zeedijcxpoirt’ komt voor in Joh. C. Breen, Rechtsbronnen der stad Amsterdam. Oude Vaderlandsche Rechtsbronnen. Werken der Vereeniging tot Uitgave der Bronnen van het Oude Vaderlandsche Recht, tweede reeks, nr. 4, ’s Gravenhage 1902, 115, keur 172, fol. 86.

H.J. Zantkuyl, ‘Reconstructie van de Sint Olofspoort en de Sint Olofskapel’, in: H. H. van Regteren Altena (red.), Vondsten onder de Sint Olofskapel; Stadskernonderzoek in Amsterdam, Amsterdam 1972, 42-50.

B. Speet, ‘Verstening, verdichting en vergroting’, in: M. Carasso-Kok e.a. (red.), Geschiedenis van Amsterdam; Een stad uit het niets; tot 1578, Amsterdam 2004, 75-108, hier 90; W. F. H. Oldewelt, ‘Wanneer is het Singel gegraven?’, in: W. F. H. Oldewelt (red.), Amsterdamsche Archiefvondsten, Amsterdam 1942, 194-199, hier 199.

Speet 2004 (noot 7), 90.

Hetzelfde geldt voor de vijftiende-eeuwse Haarlemmerpoort en Regulierspoort aan het Singel, die tot nu toe eveneens in verband werden gebracht met het stadsmuurproject.

Stadsarchief Amsterdam (SAA), Toegangsnr. 1376, Archief van colleges, altaren en gilden in de Oude of St.-Nicolaaskerk, inv. nr. 58, Akte van eigening van Pieter Sael aan een molenhuis en erf van Jan Meinertsz de molenaar bij de St. Anthonispoort op de Zeedijk (1466).

SAA, Toegangsnr. 349, Archieven van het Nieuwezijds en het Oudezijds Huiszittenhuis en van de Regenten over de Huiszittende Stadsarmen, inv. nr. 209, Akte waarmee Klaas Heinenz voor twee Beierse Johannesguldens per jaar een tuin bij St. Anthonis in erfpacht neemt van de Huiszittende Armen van de Oude-Kerksparochie (1456).

Wagenaar 1972 (noot 2), deel I, 30 citeert passages uit onder andere een schepenbrief van 6 juli 1427: ‘’t Sinter Nyclaes Capelle ende Gasthuys, staende an den Zeedyc tusschen die voirs. stede ende Oetwael, dat men ghemeenliken noempt ’t Sinte Anthonis’. In een schepenbrief van 15 maart 1402 wordt echter voor het gasthuis alleen de naam Sint Nicolaas gebruikt.

SAA, Toegangsnr. 369, Archief van het Sint Jorishof, Leprozenhuis en Oude Mannen- en Vrouwengasthuis, inv. nr. 152, Akte van transport van een tuin buiten Sint Anthonisblokhuis (1462).

Breen 1902 (noot 5), 144, keur 228, fol. 111v.

E.J. Haslinghuis en H. Janse, Bouwkundige termen; Verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie, Leiden 2005, 81.

‘van Ghijss in der handt, van den Arme mijt die oostzyde tot Sinte Anthonisblochuus, ende voirt totten Mijnrebroederencloostere toe sullen wesen in één waeck ende in één hoofslach. Ende hoere hoofslach sall wesen van den Nyenbrug tot Sinte Anthonispoirt.’ Breen 1902 (noot 5), 153, keur 256, fol. 116. ‘Hoefslag’ (hier: ‘hoofslach´) betekende het vak van een stadswal, waarvoor de burgers van een bepaald district verantwoordelijk waren voor de verdediging en het onderhoud, ook wel verzamelplaats in geval van nood. Website van de Geïntegreerde Taalbank, http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M026042&lemma=hoefslag. Bekeken 13 september 2010.

Commelin 1693 (noot 2), 192.

SAA, 369, Archief van het Sint Jorishof, Leprozenhuis en Oude Mannen- en Vrouwengasthuis, inv.nr. 244, Akte van transport van een tuin buiten Sint Anthonispoort (1474).

Breen 1902 (noot 5), 113-114, keur 172, fol. 85v-86.

W.F.H. Oldewelt, ‘Is Amsterdam vóór 1481 een open stad geweest?’, in: Oldewelt 1942 (noot 7), 190-194, hier 192. Oldewelt specificeert zijn bronnen niet.

Amsterdam heeft over het algemeen relatief weinig middeleeuwse archieven, voornamelijk vanwege de twee grote stadsbranden van 1421 en 1452, waarbij beide keren het stadhuis afbrandde. Breen 1902 (noot 5), V.

In een Handvest van 1492 wordt vermeld dat de vierde sluis van de stad onder de Sint-Anthonispoort ligt. De daaraan voorafgaande Handvesten uit 1413 en 1456 betreffende de bouw van de vierde sluis en de herbouw op een nieuwe locatie geven echter geen aanknopingspunten voor de bouwtijd van de Sint-Anthonispoort. Handvesten; ofte privilegien ende octroyen mitsgaders willekeuren, costuimen, ordonnantien en handelingen der stad Amstelredam etc, Amsterdam 1748, 364, 710-712.

W. H.M. de Fremery, ´De opkomst der Amsterdamsche Haven; Een studie door W. H. M. de Fremery´, Jaarboek Amstelodamum 22 (1925), 23-110, hier 41.

Den Herder 1999 (noot 5), 96.

Breen 1902 (noot 5), 165, keur 285, Fol. 125. ‘Murage’ is muurwerk of muren. http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M040336&lemma=murage. ’Bosse’ (bussen) zijn vuurwapens. http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=MNW&id=05745. Bekeken 30 september 2010.

J. van Breen, ‘De grenzen van de vrijheid en van de omwalling der stad Amsterdam in de XIVe en XVe eeuw’, Jaarboek Amstelodamum 45 (1953), 21-45, hier 26, voetnoot 1, refereert naar Veder die een document gevonden zou hebben in SAA, Gasthuis archieven (akte no. 641).

Wagenaar 1972 (noot 2), 34, Appendix A, citeert een brief van Philips van Bourgondië van 25 Juli 1452.

W. F. H. Oldewelt, ´Het jonge Amsterdam,´ in: E.A. d’Ailly (red.), Zeven eeuwen Amsterdam, dl. 1, 7-73. Amsterdam 1943, 34.

Oldewelt 1943 (noot 28), 34.

Van Breen denkt inderdaad dat hier de Sint-Anthonispoort bedoeld is, alhoewel hij er geen bewijs voor aandraagt. Hij verbindt vervolgens de noodzaak om de beschadigde poort in 1452 te herstellen met de plaatsing van de nieuwe vierde sluis en vermoedt tegelijk een constructie van de voorpoort. Van Breen 1953 (noot 26), 44.

Den Herder 1999 (noot 5), 103.

Wagenaar 1972 (noot 2), 34, Appendix A.

Oldewelt 1942 (noot 7), 190-194 en Oldewelt 1943 (noot 28), 35. Beide keren specificeert Oldewelt geen bronnen.

Breen 1902 (noot 5), 56, keur 28, fol. 28v.

Van Tussenbroek vermeldt dat er zich in de Schreierstoren een horizontale bouwnaad in het metselwerk bevindt op circa vier meter boven het huidige straatniveau, die zou kunnen wijzen op een bouwstop (van onbekende duur). De torenkap is gedateerd op 1499. G. van Tussenbroek, ‘De Schreierstoren van binnen en van buiten; Een van de laatste restanten van de Amsterdamse Stadsommuring bouwhistorisch onderzocht’, Bulletin KNOB 106 (2007) 4/5, 201-214. De ‘toirn opt Hooft’, uit de eerder genoemde keur van 8 januari 1480, waarin het verboden wordt om vuilnis te storten op de vesten tussen het Sint Anthonisblokhuis en deze toren, zou gezien de positie van de Schreierstoren nabij het Kamper Hoofd mogelijk ook dezelfde toren kunnen betreffen. Breen 1902 (noot 5), 144, keur 228, fol. 111v.

Zantkuyl 1972 (noot 6), 42, citeert uit het Groot Memoriaal van 1 oktober 1451, ca. fol. 279v.

Zantkuyl 1972 (noot 6), 42.

Zantkuyl 1972 (noot 6), 42, verwijzend naar SAA, Gasthuizen Archieven, akte no. 655 (vermoedelijk in tegenwoordige nummering 342, Gasthuizen Archieven, inv.nrs. 1718 en 1719 Bij de S. Olofs Kapel (26 november 1465 - 18 mei 1469)). Een regest is de inhoudsopgave van een akte.

Breen 1902 (noot 5), 157-159, keur 271, 5 Mei 1481, fol. 119v.

D.J. de Vries, Bouwen in de late middeleeuwen: Stedelijke architectuur in het voormalige Over- en Nedersticht, Utrecht 1994, 116.

Dit vermoeden wordt ook geuit door Verkerk 2002 (noot 5), 283.

Het ontbreken van de speklagen op de Geldersekadegevel wordt verderop besproken.

Waar in 1617 nieuwe deuren zijn ingezet voor de waag zijn de verjongingen in deze zijgevels verdwenen. In de Kloveniersburgwalgevel zijn alleen nog verjongingen aanwezig bij de aansluitingen met de Sint-Eloytoren en de Sint-Lucastoren.

In deze kamers zijn tevens kleine verjongingen te zien op de Schutterstoren (iets lager dan in de naastgelegen Gelderskadegevel) en op de Sint-Eloytoren (op dezelfde hoogte als in de naastgelegen Kloveniersburgwalgevel en doorlopend over de binnenmuren). De reden voor deze kleine verjongingen is onduidelijk. Onderzoek onder de pleisterlaag zou meer informatie kunnen geven over mogelijke verschillen in het metselwerk.

Ook in de Schutterstoren gaat de trap over van natuursteen naar hout ter hoogte van de verjonging (6,4 m), maar de afwerking van deze trap, die nog niet zichtbaar is in de plattegrond van Bilhamer van 1578, is anders.

G. van Tussenbroek e.a., Amsterdam – Metselaarstoren; Bouwhistorische ontleding buitenzijde metselwerk, intern rapport, Amsterdam 2009, 16.

J. Gawronski en R. Jayasena, De Sint Anthoniespoort en de stadsmuur; Archeologische Begeleiding De Waag, Nieuwmarkt (2007), Amsterdamse Archeologische Rapporten (AAR) 45. Amsterdam 2010, 12.

Van Tussenbroek e.a. (noot 46) 2009, 13. Overigens is het muurwerk tegen de wijzers van de klok in genummerd. In de fundering van de originele toren zijn bakstenen aanwezig die vermoedelijk oorspronkelijk zijn. Zij bevinden zich net onder een betonnen balk die bij de restauratie van 1993 werd aangebracht en hebben afmetingen van 22/23 x 10/11 x 5/5,5 cm, een tienlagenmaat van 67 cm en schijnbaar een staand verband. Gawronski en Jayasena 2010 (noot 47), 12.

Van Tussenbroek e.a. 2009 (noot 46), 14.

De vraagt blijft waarom de Metselaarstoren niet verhoogd is op het moment dat de rest van de hoofdpoort wel werd verhoogd. Vanuit architectonisch oogpunt zou een verhoging van deze toren wenselijk geweest zijn, maar vanuit een militair standpunt, gezien de positie aan de stadszijde, was dit niet noodzakelijk en wat betreft ontsluiting van de bovenverdiepingen was er al een trap in de Sint Lucastoren aanwezig (zie plattegrond Bilhamer 1578).

Vriendelijke mededeling P. Schicht, 5 augustus 2010.

Sommige van deze dorpels zijn tegenwoordig verstopt achter installaties of keukentegels. In de opmetingstekeningen van de architect J. Dijkman uit 1995 zijn deze en andere natuurstenen echter nog wel te zien.

‘“Muur tegen Geldersen” komt weer tevoorschijn’ [1993, Het Parool] en J. Gawronski en R. Jayasena 2010 (noot 47), 11-19.

‘“Muur tegen Geldersen” komt weer tevoorschijn’ [1993, Het Parool].

H. Janse en Th. van Straalen, Middeleeuwse Stadswallen en Stadspoorten in de lage landen, Zaltbommel 1975, 33.

D. de Roon en G. van Tussenbroek, ‘De Munttoren te Amsterdam. Bewogen geschiedenis van een stedenbouwkundige wees’, Maandblad Amstelodamum 95 (2008) 5, 3-25, hier 5.

De Haarlemmerpoort in Amsterdam is het enige gevonden voorbeeld waar, vreemd genoeg, de voorpoort groter geweest lijkt te zijn dan de hoofdpoort, ten minste volgens het schilderij van Cornelis Anthonisz. (1538), en de tekeningen van Antonie van den Wyngaerde (circa 1550) en Pieter Bast (1597).

Deze stenen zijn op slechts één plek in de hoofdpoort teruggevonden (rechts van de deur van het smidsgilde in de Sint Eloytoren), maar gegeven de kleine afmeting en grotere tienlagenmaat van dit stuk zou dit een latere reparatie geweest kunnen zijn waar enkele van deze stenen voor zijn hergebruikt.

Bij de vijftiende-eeuwse Regulierspoort (nu Munttoren) is deze afstand elf tot twaalf bakstenen.

U. Mainzer, Stadttore im Rheinland, Keulen 1973, 166.

Janse en Van Straalen 1975 (noot 55), 129-130.

In een panorama van Amsterdam van Antonie van den Wyngaerde uit circa 1550 ontbreekt om onbekende reden de voorpoort van de Sint-Anthonispoort, terwijl die enkele jaren daarvoor door Anthonisz. en later door Bilhamer en vele anderen wel getekend wordt. Alle andere poorten in het panorama komen wel overeen met hun afbeeldingen in andere tekeningen.

R. Glaudemans en G. van Tussenbroek, De Moerasdraak. Achthonderd jaar Bossche vestingwerken, Zwolle 1999, 19.

Helaas heeft dendrochronologisch onderzoek geen antwoord kunnen geven op de vraag naar de datering, aangezien de huidige kappen dateren uit de vroege zeventiende eeuw en een aantal monsters niet tot datering leidde. De monsters zijn genomen door G. van Tussenbroek en auteur op 23 februari 2010, en onderzocht door dr. Bärbel Heußner, Petershagen. In totaal werden er twaalf monsters genomen; twee uit de Sint-Lucastoren, twee uit de Metselaarstoren, vier uit de Schoenmakersgildetoren en vier uit de Schutterstoren. Slechts vijf monsters leidden tot een datering, waarbij één monster uit de Sint-Lucastoren uit 1611 stamde (met wankant), een monster uit de Metselaarstoren uit 1615 (met wankant), een monster uit de Schoenmakersgildetoren uit 1609 (+/- 10) stamde en een monster uit de tafelmentbalk van de Schutterijtoren uit 1606 (met wankant) stamde. Een andere tafelmentbalk uit deze toren leverde het jaartal 1609 op. De grote spreiding is voor bouwprojecten die in de Amsterdamse Derde Uitleg vallen niet ongebruikelijk en ondersteunt de hypothese dat er in de deze jaren een krapte op de houtmarkt heerste. Vgl. hierover G. van Tussenbroek, ‘Dendrochronologisch onderzoek in Amsterdam (1490-1790). Bouwhout als materiële bron’, Stadsgeschiedenis 4 (2009) 2, 135-164, 147-148.

Janssen e.a. melden dat vanaf het midden van de vijftiende eeuw ook kastelen in Nederland hun militaire functie begonnen te verliezen, voornamelijk door de opkomst van betere en sterkere vuurwapens. H.L. Janssen e.a. (red.), 1000 jaar Kastelen in Nederland; functie en vorm door de eeuwen heen, Utrecht 1996, 106.

De oudere Sassenpoort in Zwolle (1406-1409) bijvoorbeeld betrof nog het hoge type. Janse en Van Straalen 1975 (noot 55), 23- 29.

Haslinghuis en Janse 2005 (noot 15), 250.




DOI: http://dx.doi.org/10.7480/knob.110.2011.3%2F4.109



open accessopen access