Functie en indeling van het Amsterdamse woonhuis aan de hand van een aantal zestiende-eeuwse boedelinventarissen

Gabri van Tussenbroek

Samenvatting


Apart from a keen interest in materials, constructions and dating, Dutch housing research of the past fifty years has been dominated by a typological approach in which the typology of a house is equated with the floor plan, in combination with the external appearance of the building volume. In 2014 this approach was severely criticized in the doctoral thesis of Petra Maclot, who pointed out that it had led to untenable generalizations and ignores the functional use of the dwellings and their social ranking. 

This article investigates how sixteenth-century Amsterdam houses were laid out and used by residents from various social classes and occupational groups. The aim is to shed light on what spatial solutions existed for giving form to housing requirements. The estate inventories of the possessions of Amsterdam residents who had fled the city for religious reasons, drawn up in 1567 and 1568 at the behest of the city administration, are an especially rich source of information, owing to the inclusion of a great many spatial indications. These inventories, when combined with details of the occupation and social status of the residents and with details of the material manifestation of the house, provide insight into the internal spatial structure and use of a number of houses. The study looked at the possibility of accommodating various functions in the houses and examined how multifunctional and monofunctional spaces were used by different social groups. In a number of cases, thanks to tax assessment registers and other sources, it was possible to discover which houses these inventories referred to and their rental value. This was an important aid in assessing whether the spatial manifestation of the house could indeed be hooglinked to a social category or occupational group, and in ascertaining to what extent the value of the house was representative of the occupational group in question. 

A division into three income brackets helps to make a rough classification of houses and their users, although it does have a few important drawbacks. Chief of these is the place where the house stands; one neighbourhood is more expensive than another, with the result that a small house in such a neighbourhood is considerably more expensive than a comparable house in a less attractive location. Thus occupational group and income are not definitive indicators of the physical form of the resident’s house. Estate inventories, combined with the occupation of the owner or resident and the rental value of the house, obviously provide greater insight into the appearance and status of the individual house and make it possible to recognize differences between houses that would appear to be roughly equivalent in spatial–typological terms. Research into spatial indications – and ideally into the space itself, if that is possible in the context of building history research – will in turn help our understanding of the layout of the house. The details that can be obtained from the estate inventories show the degree to which the traditional typological and material-based approach to the dwelling tells only part of the story with respect to a broad understanding of the dwelling in history. In the past in Amsterdam, building history details have usually been conceived as material phenomena, without further classification according to time, place and social significance. A functional approach to the dwelling in its social context is therefore urgently needed.


Volledige tekst:

PDF

Referenties


Dank gaat uit naar Ad van Drunen, Bas Dudok van Heel, Edwin Orsel, Dik de Roon, Paul Rosenberg, Ronald Stenvert en Haio Zimmermann voor commentaar op eerdere versies van dit artikel. Stadsarchief Amsterdam [hieronder afgekort als: saa], Archief van de burgemeesters, 5023, inv.nr. 2, (Groot Memoriaal 2), fol. 95 en Joh.C. Breen, ‘Topographische geschiedenis van den Dam te Amsterdam’, Jaarboek Amstelodamum 7 (1909), 99-196, 130.

Vgl. P. Maclot, The Status of Stone. Urban Identity and the Typological Discourse of Private Houses in the Antwerp City during the Long Sixteenth Century, ongepubliceerde dissertatie, Leuven 2014, 450, die hetzelfde voor Antwerpen concludeerde.

Over deze bronnencategorie zie: T.F. Wijsenbeek-Olthuis, ‘Boedelinventarissenonderzoek. Bronnen, methodologie en eerste resultaten’, Bulletin KNOB 84 (1985), 130-135 en T. Wijsenbeek- Olthuis, Achter de gevels van Delft. Bezit en bestaan van rijk en arm in een periode van achteruitgang, Hilversum 1987.

Voor een korte historiografie zie G. van Tussenbroek, ‘Hausbau in Holland. Eine Einführung’, in: Arbeitskreis für Hausforschung, Hausbau in Holland. Baugeschichte und Stadtentwicklung (Jahrbuch für Hausforschung 61), Marburg 2010, 9-23, 12-13 en 16-17. Voorbeelden van typologische studies zijn C.L. Temminck Groll, Middeleeuwse stenen huizen te Utrecht en hun relatie met die van andere Noordwesteuropese steden, ’s-Gravenhage 1963; R. Meischke en H.J. Zantkuijl, Het Nederlandse woonhuis van 1300-1800. Vijftig jaar Vereniging ‘Hendrick de Keyser’, Haarlem 1969; M.J. Dolfin, E.M. Kylstra en J. Penders, Utrecht. De huizen binnen de Singels. Beschrijving (De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst. De provincie Utrecht. De gemeente Utrecht, deel iiiA), ’s-Gravenhage 1989; R. Meischke e.a., Huizen in Nederland: Amsterdam. Architectuurhistorische verkenningen aan de hand van het bezit van de Vereniging Hendrick de Keyser, Zwolle/Amsterdam 1995; E. Orsel, ‘Een fraij gesicht, het Leidsche huis in de 17de eeuw. Een poging tot typologiesering’, Bulletin KNOB 106 (2007) 1, 11-25; W. Weve, Huizen in Delft in de 16de en 17de eeuw, Zwolle 2013.

‘Baugefügeforschung’. Th. Spohn, ‘Kulturraumforschung und was sonst? Bemerkungen zum Wandel der Erkenntnisziele im Arbeitskreis für Hausforschung’, in: Arbeitskreis für Hausforschung, Wandel im Wohnbau zwischen Gotik und Barock. Die sächsich-böhmische Entwicklung im überregionalen Vergleich (Jahrbuch für Hausforschung 53), Marburg 2011, 505-535, 505.

Konrad Bedal gaat dieper in op de scheiding tussen de materiaal- en objectgerichte Hausforschung – die dikwijls gelijkgesteld wordt aan Bauforschung – en de meer op menselijke relaties en gedrag gerichte volkskunde, waarbij hij tevens inzichtelijk maakt hoe het gedetailleerde onderzoek van de materiële verschijningsvorm van het huis van belang is om conclusies te kunnen trekken omtrent het gebruik. K. Bedal, ‘Befund und Funktion. Tendenzen, Möglichkeiten und Grenzen der Hausforschung und ihre Beziehungen zur Volkskunde’, in: Institut für Europäische Ethnologie der Universität Wien (Hrsg.), Volkskultur und Moderne. Europäische Ethnologie zur Jahrtausendwende. Festschrift für Konrad Köstlin zum 60. Geburtstag, Wenen 2000, 355-378. Enkele Nederlandse onderzoeken doen een poging de materiële verschijningsvorm van woonhuizen, indeling, functies en sociale topografie in zich te verenigen. Zie voor een aanzet R. Meischke, ‘Het laat-middeleeuwse burgerhuis in het Noorden en Oosten van Nederland’, in: tent.cat. Thuis in de late middeleeuwen. Het Nederlandse burgerinterieur 1400-1535, Zwolle (Provinciaal Overijssels Museum) 1980, 10-19 en met name A. van Drunen, ’s-Hertogenbosch van straet tot stroom, Zwolle/Zeist 2006, 52-65. Boedelinventarissen spelen wel nadrukkelijk een rol in Th.H. Lunsingh Scheurleer, C.W. Fock en A.J. van Dissel, Het Rapenburg: geschiedenis van een Leidse gracht, 6 delen, Leiden 1986-1992 en R. Meischke e.a., Huizen in Nederland. Architectuurhistorische verkenningen aan de hand van het bezit van de Vereniging Hendrick de Keyser, 4 delen, Zwolle/Amsterdam 1993-2000.

Maclot 2014 (noot 2), 4-8.

Maclot 2014 (noot 2), 4.

A. Rapoport, House Form and Culture, Londen etc. 1969; R.W. Brunskill, Illustrated Handbook of Vernacular Architecture, Londen 1970; R.W. Brunskill, Houses, Londen 1982; H. Glassie, ‘Vernacular Architecture and Society’, Material Culture 16 (1984) 1, 4-24.

I. Cieraad (red.), At Home. An Anthropology of Domestic Space, New York 1999.

Een dergelijke typologie kan worden gedefinieerd als een concept dat een groep objecten karakteriseert op basis van overeenkomstige formele structuren. R. Moneo, ‘On Typology’, Oppositions (1978), 13, 23-45, 23 en verder, waar hij ingaat op de vraag wat exact een formele structuur is of kan zijn.

Moneo 1978 (noot 11), 24. De term huis dient daarbij met de nodige voorzichtigheid te worden gebruikt. In 1561 wordt over Nieuwendijk 82 gezegd dat er aan de achterzijde nog een ‘huysgen’ stond in de Armsteeg, echter ‘onder een dack’. S.A.C. Dudok van Heel, ‘Twee tekeningen van het wederdopersoproer’, Jaarboek Amstelodamum 71 (1979), 18-37, 35. De termen woning en huis worden in de Amsterdamse bronnen door elkaar gebruikt, hoewel met woning doorgaans een kamerwoning bedoeld lijkt te zijn. Vgl. saa, Archief van Burgemeesters: stukken betreffende verscheidene onder van de goederen [boedelinventarissen] van fugitieven en andere vervolgden, 1567-1568’ [hierna afgekort als: saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen)]), fol. 23-24v.

Zoals we hieronder nog zullen zien, komt daar – als we huistypes willen definiëren – ook nog het probleem van plaats en van voortdurende transformatie van gebouwen en gebouwonderdelen bij.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen). Hierin bevinden zich meer dan veertig boedelinventarissen, echter met sterk wisselende inhoud en gedetailleerdheid.

Vanzelfsprekend speelt het ook een rol dat de eigenaar van een huis niet altijd even gemakkelijk te benoemen is. Vaak zijn er meerdere belanghebbenden of eigenaren die op een deel van het bezit aanspraak konden maken.

Enqueste ende informatie upt stuck van der reductie ende reformatie van den schiltaelen, voertijts getaxeert ende gestelt geweest over de landen van Hollant ende Vrieslant gedaen in den jaere mccccxciiii, uitgegeven vanwege de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, Leiden 1876, 118.

Informacie up den staet faculteyt ende gelegentheuyt van de steden ende dorpen van Hollant ende Vrieslant om daernae te reguleren de nyeuwe schiltaele gedaen in den jaere mdxiv, uitgegeven van wege de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, Leiden 1866, 180-181; J. Ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam. Derde deel, Amsterdam 1881, 209.

Deze afwijking kan waarschijnlijk worden toegeschreven aan het feit dat een aantal – het betreft 212 panden – op de kaart afgebeelde gebouwen op het eerste gezicht huizen lijken te zijn, maar in werkelijkheid als pakhuis dienst hebben gedaan. Ook is er sprake geweest van woningen die waarschijnlijk wel zijn aangeslagen, maar die op de kaart niet zichtbaar zijn, zoals in stegen en op achtererven gelegen kameren. H.J. Zantkuijl, ‘De kaart van Cornelis Antoniszoon als informatiebron voor de studie van het Amsterdamse woonhuis’, Maandblad Amstelodamum 61 (1974), 6-11, 10.

Zantkuijl 1974 (noot 18), 11. Vgl. C. Lesger, Huur en conjunctuur. De woningmarkt in Amsterdam, 1550-1850, Amsterdam 1986, 42; J. Ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam, vierde deel, Amsterdam 1884, 455. Bij deze aantallen moet er rekening mee worden gehouden, dat de werkelijke aantallen nog hoger lagen, omdat sommige woningen of eigenaren zoals kloosters vrijstelling van belasting genoten, waardoor ze niet in belastingkohieren zijn opgenomen. Toch zal het wezenlijke aantal huizen in de stad vermoedelijk niet heel erg hebben afgeweken van de genoemde cijfers en is met name het kohier van 1562, met zijn 5.728 huizen, zeer compleet. Een telling van het aantal percelen in de binnenstad op de kadastrale kaart van 1832 leverde het aantal van 6.076 op, drie keer zoveel als aan het einde van de vijftiende eeuw. Tussen 1613 en 1625 werden circa 3.750 nieuwe gebouwen opgetrokken. Zie over de bouwwoede in de zestiende eeuw uitgebreid G. van Tussenbroek, ‘Voor de grote uitleg. Stedelijke transformatie en huisbouw in Amsterdam, 1452-1578’, Stadsgeschiedenis 10 (2015) 1, 1-23.

Dit betreft zowel gepubliceerde gegevens als documentaties in het archief van Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam.

Vgl. H.F.K. van Nierop, Beeldenstorm en burgerlijk verzet in Amsterdam 1566-1567, Nijmegen 1979, 71-73; F. Daelemans, Leiden 1581. Een socio-demografisch onderzoek. A.A.G. Bijdragen Landbouwhogeschool Wageningen, afdeling Agrarische geschiedenis, Wageningen 1975, 19, 137-215, 195.

W.C. Boeschoten en E. van Manen, ‘Een welstandsverdeling van Haarlem in 1543. Kwantitatieve toetsing van een zestiende- eeuwse fiscale bron’, Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 98 (1983), 523-539, 524. De tiende penning was een belasting die in de zestiende eeuw incidenteel werd opgelegd en sloeg op de tien procent van de jaarlijkse huurwaarde van een pand die bij zo’n heffing moest worden betaald. J.W. Verhey, ‘Warmoesstraat, Nieuwendijk en Damrak in het midden van de zestiende eeuw’, in: M. Jonker, L. Noordegraaf en M. Wagenaar (red.), Van stadskern tot stadsgewest. Stedebouwkundige geschiedenis van Amsterdam, Amsterdam 1984, 63-87, 63; J.A.M.Y. Bos-Rops, ‘De kohieren van de tiende penning in Holland, 1543-1564’, in: G. Van Synghel (red.), Broncommentaren nr. 4. Bronnen betreffende de registratie van onroerend goed in de Middeleeuwen en het Ancien Régime, ’s-Gravenhage 2001, 340-367.

Naar aanleiding van een onderzoek naar het Kohier van de Tiende Penning uit 1543 uit Haarlem concludeerden de onderzoekers dat dit soort bronnen wel enige correctie behoeven, voor zover het huren en eigendommen betreft. Uit het Haarlemse onderzoek kwam naar voren dat het verband tussen de aanslag en de werkelijke prijs van een huis niet in proportioneel verband tot elkaar staan. Getaxeerde huurwaarden van eigen woningen en werkelijke huurwaarden zijn bovendien niet gelijkwaardig. Huurwoningen worden voor ruim 0,5% van hun waarde aangeslagen, voor woningen in eigendom geldt slechts een percentage van 0,35%. En naarmate een woning duurder is, nam de hoogte van de aanslag in verhouding af. Hierdoor levert het kohier een vertekend beeld, dat tot een onderschatting van de welstandsongelijkheid leidt. Boeschoten en Van Manen 1983 (noot 22), 531-534.

Verhey 1984 (noot 22), 72. Momenteel voert schrijver dezes onderzoek uit naar het kohier van 1562, om deze resultaten te verifiëren.

Van der Leeuw-Kistemaker kwam met vijf categorieën, die als ‘natural clusters’ uit het materiaal naar voren kwamen. R.E. van der Leeuw-Kistemaker, Wonen en werken in de Warmoesstraat van de 14de tot het midden van de 16de eeuw, Amsterdam 1974, 8. Ook Lesger 1986 hanteert vijf categorieën. Van Nierop 1979 (noot 21) hanteert drie klassen. Hij gaat uit van geconfisqueerd onroerend goed in plaats van huurwaardes.

Opvallend is dat op de vogelvluchtkaart van Cornelis Anthonisz uit 1544 bijna 65% van de huizen nog geen verdieping had, hoewel we hiermee niet de fout moeten maken al deze huizen aan de goedkoopste categorie te willen koppelen. Vgl. J. Smit, ‘Van rookhuis tot Architectura Moderna’, in: P. Spies e.a., Het Grachtenboek II. Zes eeuwen Amsterdamse grachten in beeld gebracht. Gevels, interieurs en het leven in de middeleeuwse stadskern, Den Haag/Amsterdam 1992, 52-67, 60.

Van Nierop 1979 (noot 21), 17.

62% in cat. I (t/m 20 pond); 29% in cat. II (21 t/m 60 pond); 7% in cat. III (61 t/m 120 pond); 2% in cat. IV (121 t/m 160 pond) en 1% in cat. V (meer dan 160 pond). Verhey 1984 (noot 22), 72-73.

Van der Leeuw-Kistemaker 1974 (noot 25), 14.

Zie voor de huurwaarden aan de Oudezijds Achterburgwal en de stegen in 1562: Nationaal Archief, Archief van de Staten van Holland voor 1572, inv.nr. 1206, kohier van de tiende penning te Amsterdam 1562, fol. 221-248.

J.E.A. Boomgaard, Misdaad en straf in Amsterdam. Een onderzoek naar de strafrechtspleging van de Amsterdamse schepenbank 1490-1552, Zwolle/Amsterdam 1992, 255, bijlage 3. De gehele lijst luidt: beeldsnijder, bierdrager, brouwersknecht, dienstmaagd, drager, houtdrager, korendrager, korenmeter, kramer, leidekker, modderman, prostituee, schippersgezel, schuitevoerder, sleper, smid, smidsknecht, snijdersgezel, soldaat, uitdrager, viskoper, vogelkoper, voller, vroedvrouw, waagdrager, wever, wolwever, zeilmaker.

Genoemd worden een afslager, appelkoper, bakker, barbier, beeldsnijder, bergenvaarder, bezemmaker, biertapper, binnenlandvaarder, bleker, bode, boekbinder, boekverkoper, bontwerker, boogmaker, bootsman, brandewijnbrander, chirurgijn, droogscheerder, fransijnmaker, glazenmaker, goudsmid, haringpakker, harnasmaker, hekelkammer, hoedenmaker, houtzager, kaardenmaker, kannengieter, kistenmaker, koppelaarster, korenmeter, kruidenier, kuiper, lepelmaker, lijndraaier, linnenwever, mandenmaker, messenmaker, metselaar, molenaar, olieslager, opperknecht, organist, portier, schilder, schipper, schoenmaker, schoolmeester, schoutsdienaar, slotenmaker, snijder, stoeldraaier, stopster, stuurman, tapijtwever, timmerman, touwslager, visser, vlaster, vleeshouwer, waard/waardin, wagenmaker, zeepzieder.

Hierin worden genoemd een boekdrukker, brouwer, drapenier, koopman, lakenbereider, scheepstimmerman, verver.

saa, Archief van het Stadsfabriekambt en Stadswerken en -gebouwen (5040), inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 8, 16, 16v. Soms vinden we de aanduiding ‘twee woeningen onder een dack’. saa 5028, inv.nr. 550 (kohier van de verhuring), fol. 24v en 56v. Een ander woord schijnt ‘cas’ te zijn geweest. Zie I.H. van Eeghen, ‘De huisjes in het Victoriahotel’, Maandblad Amstelodamum 53 (1966), 125-135, 132. Van Eeghen vermeldt deze term in verband met Prins Hendrikkade 47 en een huis aan de Oudezijds Kolk in 1575. Ook worden ‘cameren’ genoemd op 23 maart 1411, bij de Oudezijds Voorburgwal op de Oudezijds Arm. R. Bessem, Oorkondenboek van het Karthuizerklooster St.-Andries-ter-Zaliger-Haven bij Amsterdam (1352) 1392-1579 (1583), Amsterdam 1997, 181, nr. 175. Cameren worden ook genoemd in 1422 op de Oudezijds Arm. J.C. van der Loos, ‘Het klooster der “Canonissen Reguliers van Sinte Mariënvelde ten Nyen Lichte”, bijgenaamd dat der Oude Nonnen te Amsterdam’, Bijdragen tot de geschiedenis van het Bisdom Haarlem 33 (1911), 118- 187, 154. Verdere voorbeelden bij: Bessem 1997, 226-227, nr. 238 en 239 en saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 2v: ‘achter beneden inde casse’; en [fol. 30]: ‘inde kastse’.

Vgl. Maclot 2014 (zie noot 2), 72.

R. Meischke, Amsterdam. Burgerweeshuis (De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst. Geïllustreerde beschrijving uitgegeven vanwege de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg. De Provincie Noordholland. De Gemeente Amsterdam, deel i), ’s-Gravenhage 1975, 310-311.

Meischke 1975 (noot 36), 311.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 22.

Nationaal Archief, Archief van de Staten van Holland voor 1572, inv.nr. 1206, kohier van de tiende penning te Amsterdam 1562, fol. 245-245v.

saa, Achief van Burgemeesters: stukken betreffende verscheidene onderwerpen (5028), inv.nr. 550, ‘Kohier van de verhuring van de huizen van fugitieven, geconfisceert in Amsterdam, 1568-1569’ [hierna afgekort als saa 5028, inv.nr. 550 (kohier van de verhuring)], [1569], fol. 13-13v.

Maclot noemt het shopkeeper house.

saa 5028, inv.nr. 550 (Kohier van de verhuring), fol. 18.

Het is onduidelijk of dit in een bedstede lag.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 11v-12.

saa 5028, inv.nr. 550 (Kohier van de verhuring), fol. 18. Vgl. saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 53-53v. Van Coelen grensde ten noorden aan het Minderbroederklooster en breidde in 1544 zijn huis uit door gebruik te maken van een muur van het klooster. Hij mocht hierin geen vensters aanbrengen, moest een goot leggen en diende zijn muur weer af te breken als het klooster dit wilde. Van Coelen bezat nog meer huizen. H.A. Enno van Gelder, Gegevens betreffende roerend en onroerend bezit in de Nederlanden in de 16e eeuw. Tweede deel: industrie, vrije beroepen (Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie 141), ’s-Gravenhage 1973, 165, nr. 215.

Zie voor identificatie van dit pand S.A.C. Dudok van Heel, ‘Het begin van het Damrak en de stadsplattegronden van Cornelis Anthoniszn’, Maandblad Amstelodamum 83 (1996), 75-89, 86.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 46-47v.

Er was ook nog een kelder in het pand. saa 5028, inv.nr. 550 (kohier van de verhuring), [1569], fol. 13v-14.

saa 5023, inv.nr. 2 (Groot Memoriaal), fol. 14-15.

saa 5023, inv.nr. 2 (Groot Memoriaal), fol. 14-15.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 9-10. Vgl. saa 5028, inv.nr. 550 (kohier van de verhuring), 36-36v.

J.G. Kam, Waar was dat huis in de Warmoesstraat, Amsterdam 1968, 366; saa 5028, inv.nr. 550 (kohier van de verhuring), [1569], fol. 14.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 30-31v.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 6v-8v.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van goederen), passim.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 3; 6v; 9; 10v; 12; 18; 19v; 39v; 40; 42v; II, fol. 2v; 13; 14; saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 1v; 7.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 1v; 4v; 27; 42. Een enkele keer wordt ‘achterkamer’ voor een zelfstandig bouwdeel genoemd, waarschijnlijk betreft het kamerwoningen. saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 39v.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 2; 15; 19; 29; II, fol. 14v; II, fol. 28.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 7v; 8v; 40.

saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 1v, 20, 120, 121, 138. De term kan ook op tussenlid duiden.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 27v; 41v.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 4; 26v; saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 7.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 6; 7v; 19; 31v; 40; II, fol. 31.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 5; 40.

saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 81, 150.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 16; 20; II, fol. 28.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 43.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 10; 18v; 31v; 47.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 5v; 8; 9v; 19; 20; 47.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 8v.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 27. Vgl. ‘cleijn achtercamerken’, idem, fol. 5.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 3; 7; 30; 44; II, fol. 14.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 1v; 11; 19; 28; 31v; 40; 43.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 9v; 11.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 18v; 30v; 40; II, Fol. 2v; II, fol. 13v.

saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 127.

saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 7v.

saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 91v.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 8; saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 147v.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 20.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 46, II, fol. 13v; 28; saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 5v-6, 18, 87v, 119, 119v, 122v, 136, 144-144v, 147, 151-151v, 156.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 21.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 11.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 31v.

saa 5028, inv.nr. 550 (Kohier van de verhuring), [1569] fol. 10v.

saa 5028, inv.nr. 550 (Kohier van de verhuring), fol. 8.

Over verschil in gebruik van huizen; H. de Mare, ‘Domesticity in Dispute. A Reconsideration of Sources’, in: I. Cieraad (ed.), At Home. An Anthropology of Domestic Space, New York 1999, 13-30.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 2v-6.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 18-19v. De huurwaarde van dit huis was 154 gulden in 1568. saa 5028, inv.nr. 550 (Kohier van de verhuring), fol. 13.

saa 5028, inv.nr. 549 (Annotatiën van de goederen), fol. 44. De huurwaarde van dit huis was 48 gulden in 1569. saa 5028, inv.nr. 550 (Kohier van de verhuring), [1569] fol. 15.

Kam 1968 (noot 52), 59.

Maclot 2014 (noot 2), 344. Zie in dit verband ook H. Deneweth, Huizen en mensen. Wonen, verbouwen, investeren en lenen in drie Brugse wijken van de late middeleeuwen tot de negentiende eeuw, Academisch proefschrift Vrije Universiteit Brussel, Brussel 2008.

saa 5028, inv.nr. 550 (kohier van de verhuring), [1569], fol. 13v-14.

G. van Tussenbroek, Historisch hout in Amsterdamse monumenten. Dendrochronologie, houthandel, toepassing. Publicatiereeks Amsterdamse Monumenten 3, Amsterdam 2012, 218. Vgl. saa 5040, inv.nr. 743 (Rooimeestersboek), fol. 89-89v.

Maclot 2014 (noot 2), 70.




DOI: http://dx.doi.org/10.7480/knob.115.2016.3.1402



Copyright (c) 2016 Gabri van Tussenbroek

Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.