Omslagafbeelding

A.L.W.E. van der Veen. Een Delfts mijningenieur in monumentenland

Wido Quist, Timo Nijland

Samenvatting


Tussen 1920 en 1940 was dr .ir. A.L.W.E. van der Veen als natuursteenadviseur betrokken bij veel restauraties, eerst in opdracht van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg en later als onafhankelijk adviseur. Na mijnbouwkunde gestudeerd te hebben in Delft en hier gepromoveerd te zijn op een onderzoek naar de symmetrie van diamant kwam hij vermoedelijk via de familie Martin in aanraking met de monumentenzorg. De geologische kennis van Van der Veen werd gebruikt om de aard en herkomst van natuursteensoorten, toegepast aan monumenten, te achterhalen en om geschikte vervangende steensoorten te kiezen. Dit artikel geeft een overzicht van Van der Veens leven en beschrijft zijn intrede in de wereld van de monumentenzorg. Hierna wordt nader ingegaan op zijn adviezen met betrekking tot de natuursteensoorten met een grote historische toepassingstraditie in Nederland zoals zandsteen, witte Belgische zandige kalksteen en tufsteen. Zijn zoektocht naar adviseren in de lijn van de Grondbeginselen wordt geïllustreerd aan de hand van zijn argumentatie voor het kiezen van vervangende steensoorten. Zijn adviezen voor het kiezen van Franse kalksteensoorten en tufsteen uit de Duitste Eifel vormen de kern van het artikel. Hieruit blijkt dat de onderbouwing van zijn adviezen soms ontbreekt en soms afwijkt van eerdere adviezen. Ondanks dit heft Van der Veen een grote invloed gehad op de keuze voor vervangende steensoorten. Inzicht in Van der Veens argumentatie bij steenkeuze is daarom een aspect dat verdient meegewogen te worden bij de waardering van restauratieve ingrepen, bijvoorbeeld wanneer bij nieuwe restauraties de eerdere restauratiesteen vervangen moet worden.


Volledige tekst:

PDF

Referenties


Zie bijvoorbeeld: J. Hirschwald en H. Garbe, Die Prufüng der Natürlichen Bausteine auf ihre Wasserbeständigkeit, Berlin 1908.

W. Martin, Herleefde Schoonheid – 25 jaar monumentenzorg in Nederland 1918 – 10 mei 1943, Amsterdam 1945.

Bij haar oprichting bestond Afdeeling B uit: P.J.H. Cuypers, J.A.G. van der Steur, E.A. van Beresteyn, A. Bredius, Jos. Th. Cuypers, S. Gratama, H. van Heeswijk, J. Kalf, A.J. der Kinderen, A.W.M. Odé, A. Pit, K. Sluyterman, H.P. Berlage, A.B.G.M. van Rijckevorsel, C.K. Visser en K.P.C. de Bazel. J.A.C. Tillema, Schetsen uit de geschiedenis van de Monumentenzorg in Nederland, ’s-Gravenhage 1975, 379, noot 1.

Dit artikel heeft haar basis in hoofdstuk 3 van de dissertatie van W.J. Quist, getiteld De vervanging van witte Belgische steen – materiaalkeuze bij restauratie, Delft 2011.

F.R. van Veen, Willem van Waterschoot van der Gracht 1873-1943, Delft 1996.

E. den Tex, ‘Education in geology and mining engineering’, in: W.A. Visser, J.I.S. Zonneveld en A.J. van Loon (red.), Seventy-five years of geology and mining in the Netherlands, Den Haag 1987, 67-79.

T. Behrens, ‘Levensbericht van Hermann Vogelsang’, in: Jaarboek Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam 1885, 142-162. J.L.R. Touret, ‘Hermann Vogelsang (1883-1874), “Européen avant la lettreˮ’, in: J.L.R. Touret en P.W. Visser (red.), Dutch pioneers of the earth sciences, Amsterdam 2004, 87-108.

Den Tex 1987 (noot 6), 68-69.

F.R. van Veen, Een avontuurlijk geleerde. Gustaaf Molengraaf 1860-1942, Delft 2004.

Den Tex 1987 (noot 6), 68-69; Van Veen 2004 (noot 9).

Van Veen 2004 (noot 9), 70.

Nationaal Archief (NA), Technische Hogeschool Delft, Afdeling Studentenadministratie, toegang 3.12.08.04, inv.nrs. 27 en 69.

A.L.W.E. van der Veen, Physisch en kristallografisch onderzoek naar de symmetrie van diamand, Leiden 1911.

L. Rutten, ‘Levensbericht van Johann Karl Ludwig Martin (24 november 1851-14 november 1942)’, in: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1942-1944 (1944), 209-217.

G.E. de Groot, ‘Rijksmuseum voor Geologie en Mineralogie 1878-1978’, Scripta Geologica 48 (1978), 3-25.

Tweede Kamer der Staten-Generaal, Kamerstuk 364, ondernummer 2 (1915-1916); Anoniem, ‘Korte kroniek van Leiden en Rijnland’, in: Leidsch Jaarboekje 13 (1916), 18-46.

NA, Bureau Invordering, toegang 2.04.77, inv.nr. 1228 en Jaarboekjes Mijnbouwkundige Vereeniging 1905-1913.

‘Benoemingen’, Utrechts Nieuwsblad, 13 februari 1920.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Zur Färbung des Schwefels’, Zeitschrift für Krystallographie und Mineralogie 52 (1913), 511; A.L.W.E. van der Veen, ‘Das Wachstum des Silbers’, Zeitschrift für Krystallographie und Mineralogie 52 (1913), 511-512; A.L.W.E. van der Veen, ‘Die Beweglichkeit des Silbers in Zinnobererde’, Centralblatt für Mineralogie 9 (1913), 225; A.L.W.E. van der Veen, ‘Quelques roches de la province de Sé-Tchouah (Chine)’, Revue Universelle des Mines, de la Métallurgie, 5e série, 4 (1913), 312-320 ; A.L.W.E. van der Veen, ‘Bijdrage tot de geologie van Nias’, in: Sammlungen des Geologischen Reichs-Museums in Leiden, serie I, 9 (1913), 225 ; A.L.W.E. van der Veen, ‘De moleculairstructuur der kristallen’, Handelingen van het 15e Natuur- en Geneeskundig Congres, Amsterdam (1915), 176; A.L.W.E. van der Veen, ‘Het Carboonoppervlak onder Nederland’, in: Handelingen van het 15e Natuur- en Geneeskundig Congres, Amsterdam (1915), 468; L. van Italie en A.L.W.E. van der Veen, ‘Microchemische Reaktionen von Veronal, Luminal und Propnal’, Pharmazeutische Zeitung 64 (1919), 69; A.L.W.E. van der Veen, ‘Een kinetisch op-te-vatten kristalstructuur’, Verhandelingen van het Koninklijk Nederlandsch Geologisch-Mijnbouwkundig Genootschap 3 (Molengraaff volume) (1916), 153-170; A.L.W.E. van der Veen, ‘Glijdvlakken van glimmer’, Verhandelingen van de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen (1916), 1154; A.L.W.E. van der Veen, ‘1-hydroxy-2-benzylokamfer d-enol-α-benzylokamfer’, Verhandelingen van de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen (1916), 1156; A.L.W.E. van der Veen, ‘Over den uitdovingshoek van rhombisch kristallen’, Verhandelingen van de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen (1916), 1157; A.L.W.E. van der Veen, ‘Enantiomorphe vormen’, Verhandelingen van de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen (1916), 1159; A.L.W.E. van der Veen, ‘Over het kristalliseeren van kwikjodide’, Verhandelingen van de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen (1916), 1557; A.L.W.E. van der Veen, ‘Het schijnbare eutecticum: kwarts-veldspaath’, Verhandelingen van de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen (1916), 1856; A.L.W.E. van der Veen, ‘Aardkunde der Nederlandsche Antillen’, in: H.D. Benjamins en J.F. Snelleman (red.), Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië, Den Haag/Leiden (1917).

Van der Veen 1911 (noot 13), 1.

R.E.O. Ekkart, ‘Martin, Wilhelm (1876-1954)’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland (2008). Online versie: http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn2/martin (geraadpleegd 15 mei 2011).

Anoniem, ‘KLM-pionier Hans Martin overleden’, in: Leeuwarder Courant, 24 maart 1964; K. ter Laan, Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid, Den Haag/Djakarta 1952, 337.

Archief Eemland, http://www.archiefeemland.nl/regiogeschiedenis/amersfoort/encyclopedie/m/martin (geraadpleegd 30 augustus 2011).

H.T. Waterbolk, ‘Albert Egges van Giffen, Noordhorn 14 maart 1884 - Zwolle 31 mei 1973’, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1976, 122-153.

H. Martin, Vroeg-middeleeuwse zandstenen sarcophagen in Friesland en elders in Nederland, Leeuwarden 1957.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Zandsteen uit de Bentheimer laag’, Mededelingen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, no.3150, 1926.

G.C. de Labouchère, ‘De opgravingen op het Domplein te Utrecht’, Nieuwe Rotterdamsche Courant 86, no.329 (17 november 1929, avondeditie); G.C. de Labouchère, ‘De opgravingen op het Utrechtsch Domplein’, Het Vaderland 61 (28 november 1929, avondeditie).

Ekkart 2008 (noot 21).

‘Letters from H. Martin to Jan Kalf’, Universiteitsbibliotheek Leiden, BPL 2761.

Ekkart 2008 (noot 21).

Bijvoorbeeld de restauratie van de Cuneratoren in Rhenen in de jaren dertig van de vorige eeuw, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, pandsdossier Cunera, Rhenen; brief van het Prentenkabinet der Rijksuniversiteit Leiden d.d. 4 mei 1936.

Martin 1945 (noot 2).

Notulen van de Rijkscommisie voor de Monumentenzorg Afdeeling B, no.4, 1918.

Chr. K. Visser was van 1915 tot 1946 hoogleraar aan de TH Delft met als leeropdracht ‘Onderzoek bouwstoffen, riolering en watervoorziening; maken bestekken en begrotingen’. Hij was de opvolger van professor J.A. van der Kloes. Zie H. Baudet, H.J.A. Duparc en J.H. Makkink, De lange weg naar de Technische Universiteit Delft. 2. Verantwoording, registers, tabellen, namenlijsten en bijlagen, Den Haag 1993.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Voorstel van Dr.Ir. A.L.W.E. van der Veen inzake onderzoek van natuursteen’, Mededelingen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, no.1039, 1919.

Onderzoeksvoorstel Van der Veen, besproken in de vergadering van Afdeling B van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg op 3 april 1918. Het stuk is als nr.1039 aan de notulen toegevoegd.

C.K. Visser, ‘Rapport van Prof.Ir. Chr.K. Visser op het voorstel van Dr.Ir. A.L.W.E. van der Veen’, Mededelingen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, no. 1039, 1919.

Uit de mededelingen no.2683 (1924), no.2736h (1925), no.3124 (1926) en no.3187 (1926) blijkt de wrijving tussen Van der Veen en Visser; Tillema 1975 (noot 3), 414-415.

Maatschappij der Nederlandsche Letteren, ‘Bijlage III. Jaarverslag van de secretaresse’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letteren, 1924, 43-59.

J. Kalf, ‘Wat de Oudheidkundige Bond deed en de Monumentencommissie doet voor het restaureren van oude gebouwen’, Bulletin van de Nederlandse Oudheidkundige Bond 25 (1924) , 88-113.

J.A.L. Bom, ‘Natuursteen bij historische bouwwerken’, Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, 6e serie, 3 (1950) 6, 161-186; A. Slinger, H. Janse en G. Berends, Natuursteen in monumenten, Zeist 1980.

Dit blijkt in ieder geval uit de correspondentie en maandrapporten met betrekking tot de restauraties van de Maria-Magdalenakerk te Goes, de Nieuwe Kerk te Delft en de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Breda.

A.L.W.E. van der Veen, Resultaten van het onderzoek van oude natuursteen, 1920; A.L.W.E. van der Veen, Resultaten van het onderzoek van oude natuursteen – deel 2, 1920-1921; A.L.W.E. van der Veen, Resultaten van het onderzoek van oude natuursteen – deel 3, 1921-1922; A.L.W.E. van der Veen, Resultaten van het onderzoek van oude natuursteen – deel 4, 1922-1923. De niet als losse katernen uitgegeven mededelingen van Van der Veen zijn opgenomen in de Mededeelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg Afdeeling B, 1918-1933, en later in Mededeelingen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, nieuwe reeks, 1933-1936.

Het in detail beschrijven van de eigenschappen van alle in de tekst genoemde steensoorten, valt buiten het bestek van dit artikel en zou het verhaal te veel onderbreken. De klassieke soorten worden behandeld in: T.G. Nijland, W. Dubelaar en H.J. Tolboom, ‘De historische bouwstenen van Utrecht’, in: W. Dubelaar, T.G. Nijland en H.J. Tolboom (red.), Utrecht in steen. Historische bouwstenen in de binnenstad, Utrecht 2007, 31-109; de meeste steensoorten uit de restauratie en Jongere Bouwkunst in: T.G. Nijland, W. Dubelaar, H.J. Tolboom en B. van Os, ‘Veranderend aangezicht’, in: H.J. Tolboom, (red.), Onvermoede weelde. Natuursteengebruik in Rotterdam 1850-1965, Utrecht 2012, 60-127.

Bijvoorbeeld A.L.W.E. van der Veen, ‘Metaal in steen’, Mededelingen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, no.2594 (1924); A.L.W.E. van der Veen, ‘Mortel’, Mededelingen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, no.2594 (1924); A.L.W.E. van der Veen, ‘Kleuren van natuursteen’, Mededelingen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, no.2864 (1925); A.L.W.E. van der Veen, ‘Luchtbogen der Domkerk’ en ‘Kantongerecht te Zalt-Bommel’, Mededelingen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, no.4494 (1931); A.L.W.E. van der Veen, ‘Verven van beelden’, Mededelingen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, no.4587 (1931).

C.K. Visser, Mededelingen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, no.2683 (1924).

A.L.W.E. van der Veen, ‘Namensche steen’, in: Van der Veen 1922-1923 (noot 43), 77

A.L.W.E. van der Veen, ‘Natuursteen’, Het Bouwbedrijf (1925), 237, 273, 299-301 en 360-362, en (1926a), 72-73 en 235. A.L.W.E. van der Veen, ‘Duurzaamheid van natuursteen’, Het Bouwbedrijf (1926b), 530-531.

J. Kalf, ‘Onderzoek aan natuursteen’, Medeedelingen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, no.3187 (1927).

Gemeentearchief Goes, Herv.Gem., inv.nr.914, brief 782 28/40, 30-01-1929.

Stadsarchief Breda, Afd. III nr.193, inv.nr.2, 28-11-1929.

Kalf 1924 (noot 40), 88-113.

W.J. Quist, ‘Replacement of natural stone in conservation of historic buildings – Evaluation of replacement of natural stone at the church of Our Lady in Breda’, Heron (2009a) 54, 251-278; W.J. Quist, ‘Natuursteenvervanging aan de Grote of Maria-Magdalenakerk te Goes’, Bulletin KNOB 108 (2009b) 5/6, 194-209; W.J. Quist, ‘Vervanging van witte Belgische steen. Materiaalkeuze bij restauratie’, proefschrift TU Delft, 2011.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Aankoop van natuursteen’, Mededeelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg Afdeeling B, Oude reeks, no.2737 (1925).

Anstrude werd in 1935 ook al toegepast bij restauratie van de Nieuwe Kerk te Delft. Het is niet bekend of Van der Veen een rol bij deze keuze heeft gespeeld.

Slinger, Janse en Berends 1980 (noot 41), 7. Uit de Vertrouwelijke Mededeelingen van de Rijkscommissie Afdeeling B blijken geen werkzaamheden van Van der Veen in 1935 en vanaf 1937.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, pandsdossier Basiliek van Meerssen; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, pandsdossier Cunera, Rhenen.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, pandsdossier Cunera, Rhenen; brief van de waarnemend directeur van het Rijksbureau d.d. 2 juli 1938.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, pandsdossier Cunera, Rhenen; brief van H. Onnes aan J. Kalf d.d. 8 februari 1939.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Kristalrasters en hunne diffractogrammen’, Bouwstoffen 18 (1933), 160.

G. Klein (e.a.), ‘Bericht über die Fortschritte der analytischen Chemie III. Chemische analyse Organischer Stoffe 2. Qualitative und quantitative Analyse’, Fresenius’ Journal of Analytical Chemistry 91 (1933), 48-68.

NA, Bureau Invordering, toegang 2.04.77, inv.nr.1228.

Commission Royale des Monuments, Notes sur les gisements de grès lédien et leur histoire. Extrait du compte rendu de l’Assemblée générale du 17 octobre 1910, Brussel 1910.

Van der Veen 1925 (noot 48), 360.

E.Br. Ferdinand, ‘Steenberg; (zandsteengroeve) te Bambrugge’, in: Davidsfonds Afdeeling Bambrugge, Bambrugge en zijn steengroef ‘Steenberg’, Bambrugge 1934, 37.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Onderzoek van natuursteen’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, no.3428 (1927).

L.H.H. van der Kloot Meijburg, De Nieuwe Kerk te Delft. Haar bouw, verval en herstel, Rotterdam 1941, 212-214.

In ieder geval bij de restauratie van de Maria-Magdalenakerk te Goes en de Oude en Nieuwe Kerk te Delft. Zie Gemeentearchief Goes, Archief van de Hervormde gemeente van Goes (1577-1951), inv.nr.874, 875, 879-905, 913, 914, 916-925; Gemeentearchief Delft, Archief van de hervormde gemeente Delft, (1529) 1566-1976, toegangsnr.445, inv.nr.1850-1878 (restauratie Nieuwe Kerk); Gemeentearchief Delft, Archief van de hervormde gemeente Delft, (1529) 1566-1976, toegangsnr.445, inv.nr.1826-1845 (restauratie Oude Kerk).

A.L.W.E. van der Veen, ‘Belgische steen – derde mededeeling’, in: A.L.W.E. van der Veen, Resultaten van het onderzoek van oude natuursteen (1921), 46.

D.J. de Vries, Hout en steen in de Pieterskerk, dragers van de bouwgeschiedenis, Pieterskerklezing, 23 maart 1997.

J.A. van der Kloes, Onze Bouwmaterialen I – Natuursteen, Maassluis 1908.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Echinoliet’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no.2651zzz (1924).

Van der Veen 1926a (noot 48), 72-73.

Quist 2009b (noot 53).

Zie bijvoorbeeld vroege beschrijvingen van: T.F. Calmelet, ‘Fin du mémoire statistique sur les richesses minérales du département de Rhin-et-Moselle’. Journal des Mines 25 (1809), no.149, 321-372; S. Hibbert, History of the extinct volcanos of the basin of Neuwied, on the lower Rhine, Edinburgh 1832; J. Steininger, Geognostische Beschreibung der Eifel, Trier 1853. Recente voorbeelden: J. Frenchen, ‘Siebengebirge am Rhein – Laacher Vulkangebiet – Maargebiet der Westeifel. Vulkanisch-petrographische Exkursionen’, Sammlung geologische Führer 56, Berlin/Stuttgart 1971; H.U. Schmincke, Vulkane im Laacher See-Gebiet. Ihre Entstehung und heutige Bedeutung, Haltern 1988; H.U. Schmincke, Vulkane der Eifel. Aufbau, Entstehung und heutige Bedeutung, Heidelberg 2009.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Kathedraal van Den Bosch (Tweede mededeeling). Tufsteen’, in: A.L.W.E. van der Veen, Resultaten van het onderzoek van oude natuursteen, 1920, 13.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Tufsteen’, in: A.L.W.E. van der Veen, Resultaten van het onderzoek van oude natuursteen 1922, 68.

Hibbert 1832 (noot 75), 248.

J. Jacobs, Die Verwertung der vulkanischen Bodenschätze in der Laacher Gegend, Braunschweig/ Berlin 1914, 47: ‘Als Baustein wird der Traß nicht mehr verwendet; das letzte bedeutendere Bauwerk aus Traß ist die im Jahre 1843 vollendete Appolinariskirche in Remagen.’

F. Zwirner in zijn memo Promemoria die Beschaffung der Werksteine zu dem Wiederherstellings-Bau des Domes zu Coeln van 27 maart 1837, geciteerd in T. Schumacher, Großbaustelle Kölner Dom (Studien zum Kölner Dom 4), Keulen 1993: ‘[...] auf der Brohl, finden sich mehrere Tuffsteinbrüche […] der Gewinnung […] zu Traßmehl, und bringt keine Werksteine, zumal sie wenngleich gegen Verwitterung ziemlich dauerhaft, doch nicht fest genug sind.’

Van der Kloes 1908 (noot 71), 85.

W. de Vrind, G. van Dijk en J.A. Visser, Kennis van bouwstoffen IV. Natuursteen. Deventer, 1941, 163: ‘In […] Weibern, […] Ettringen […] wint men de leuciet- of bouwtufsteen […]. Het is een heel goede bouwsteen […] Het is de tegenhanger van de trastufsteen hoewel deze ook een goede bouwsteen is.’; P.M.E. Lijdsman, Bouwmaterialen natuursteen, Amsterdam 1944, 182: ‘De […] trastufsteen (trachiettuf) […] Eenmaal in droge toestand neemt hij weinig water op en is hij vrij weervast.’

T.G. Nijland, R.P.J. van Hees, S. Brendle en G.J.L.M. de Haas, ‘Tufsteen. Deel 1: Gebruik, samenstelling en verwering van tuf in Nederlandse monumenten’, in: Praktijkboek Instandhouding Monumenten, 2005a, afl.21; T.G. Nijland, R.P.J. van Hees, S. Brendle en H.K. Goedeke, ‘Tufsteen. Deel 2: Invloed van vocht op de duurzaamheid van “Rheinische” tuf’, in: Praktijkboek Instandhouding Monumenten, 2005b, afl.23.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Tufsteen’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no.3077w (1926).

A.L.W.E. van der Veen, ‘Opgraving 1929 Domplein Utrecht’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no.4192 (1930): ‘Tuf uit opgraving komt overeen met die uit Brohltal.’

Van der Veen 1926 (noot 84).

Van der Veen 1926 (noot 84).

A.L.W.E. van der Veen, ‘Ettringer tufsteen’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Nieuwe reeks, no.74 (1933).

Nijland e.a. 2005b (noot 83).

A.L.W.E. van der Veen, ‘Duurzaamheid van natuursteen’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no. 2594 (1924).

Lijdsman 1944 (noot 82).

Met name bij de Franse kalkstenen is sprake van verschillende kwaliteiten; onduidelijk is welke Van der Veen voor ogen had. Hier wordt daarom de gehele range gegeven. Data zijn afkomstig uit K. Börner en D. Hill, Natural stones worldwide, Abraxas Verlag, cd-rom (2009); WTCB, ‘Witte natuursteen’ WTCB, Brussel, Technische Voorlichting 80, Pierre & Marbres Wallonie, Technische fiches, Naninne 2003.

Van der Veen heeft het hier niet over Namense (of Maas-) kalksteen, maar over ‘Walgrappe’. De syncline van Walgrappe is gelegen aan de oever van de Maas nabij Profindeville, tussen Namen en Dinant. Hij kan hier niets anders dan Namense steen bedoeld hebben.

Van der Veen heeft het hier over ‘Gildehauser (witte Bentheimer)’. Hij heeft duidelijk de Bentheimer zandsteen bedoeld, waarvan het merendeel (behalve in Noord- en Oost-Nederland) afkomstig was uit Gildehaus. De steen werd verwarrend genoeg als Gildehauser aangeduid, terwijl geologen met Gildehauser zandsteen een ander pakket bedoelen dan met Bentheimer zandsteen.

Bijvoorbeeld Van der Veen 1920 (noot 43), 8 (Utrechtse Paulusabdij), 9 (Domkerk, Utrecht), 11 (OLV Kerk, Breda), 12 (St. Jan, ’s-Hertogenbosch), etc.

Van der Veen 1921 (noot 43), 40-42 (mergel).

Van der Veen 1921 (noot 43), 54. Ook prof. Vissers onderzoeken van de Nivelsteiner zandsteen (Van der Veen 1921 (noot 43), 55) en Vaurion (Van der Veen 1921 (noot 43), 56) zijn ingelast en lijken geen relatie te hebben met een vraag van Van der Veen.

Chr. Visser, ‘Korte mededeeling in verband met het onderzoek van cement, Luiksche kalk en schelpkalk, ten behoeve van de restauratie der Groote Kerk te Dordrecht’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no. 2736i (1925); Chr. Visser, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no.2736j en 2736k (1925); A.L.W.E. van der Veen, ‘Onderzoek van natuursteen’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no.2824o (1925); A.L.W.E. van der Veen, ‘Onderzoek van natuursteen’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no.2917s (1925).

A.L.W.E. van der Veen, ‘Onderzoek van natuursteen’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no.2824n (1925).

Kalf 1924 (noot 40).

Chr. Visser, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no.2736k (1925).

Chr. Visser, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no.2683 (1924).

Zie: J. Jacobs, Die Verwertung der vulkanischen Bodenschätze in der Laacher Gegend. Braunschweig/Berlin 1914, en F.T. Hoss, Die Steinmetzindustrie im Laacher Tuffgebeit unter besonderer Berücksichtigung des Ortes Weibern, Köln 1922.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Tufsteen’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no.3428 (1927): Ph. Holzmann, Frankfurt a/d Main, 55 RM; Bachem, Königswinter a/Rh, 60 RM; C. Pickel, Andernach, 72 RM; Tuffstein- & Basaltlavawerke Kottenheim, 73 RM; J. Pickel, Kottenheim; 77 RM; Fr. Xaver Michels, Niedermendig, 41 Gld.; Coblenzer Werkstein-Trasz Gesellschaft; 53 Gld.

Diverse rekeningen in Stadsarchief Breda, Afd.III, nr.76a, 76b en 130, en DiEP, toegang 76 en 27.

A.L.W.E. van der Veen, ‘Vervangen van Ledesteen’, Mededelingen en Notulen van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, Afdeling B, Oude reeks, no.4587 (1931).

Aan de westzijde van de Alpen, in Oost-Frankrijk komen wel enkele Jura kalkstenen voor.

Zie diverse rapporten door Koning & Bienfait, Stadsarchief Breda, Afd. III nr.130, inv.nr.2.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, pandsdossier Cunera, Rhenen, brief van A.L.W.E. van der Veen aan de directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg d.d. 6 februari 1938. Dit voorkomt overigens niet de problemen met de kwaliteit: ‘Het keuren van kleine ongevormde steen (Mauerblöcke) is niet goed door te voeren. De duitsche arbeiders werpen er van alles tusschen tegen instructie van hun directie. Dit materiaal is voortaan slechts voor kleine blokjes in baksteenformaat toelaatbaar en eischt ook daar veel van myn activiteit omdat het dan binnen enkele minuten behouwen is en ik slechts éénmaal per maand de ronde doe.’

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, pandsdossier Cunera, Rhenen, handgeschreven notitie van H.O. (architect H. Onnes) op een aan hem gerichte brief van A.L.W.E. van der Veen d.d. 9 augustus 1937.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, pandsdossier Cunera, Rhenen. Zo is op de brief van A.L.W.E. van der Veen aan de directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg d.d. 6 februari 1938 de handgeschreven aantekening gemaakt: ‘Voor Winterswijk gekocht voor ƒ 55 en ƒ 75 per m3. Van Dijk betaalde ƒ 87 voor minder goede steen’. R. van Dijk te Amersfoort was het natuursteenbedrijf dat het werk aan de Cuneratoren verzorgde. Ook vroeg de architect van het Rijksbureau (H. Onnes) de originele brieven met prijzen van leverancier Ph. Holzmann bij Van der Veen op (brief van deze aan Van der Veen d.d. 22 december 1937). Opmerkelijk genoeg leidde de aanschaf van tufsteen in deze periode vaker tot omstreden praktijken, zoals bij de bouw van onderwijsgebouwen in Delft en Leiden, in welke affaire de Rijksbouwmeester J. Vrijman veroordeeld werd. Zie ondermeer: Het Vaderland, 11 oktober 1924, ‘De malversaties bij den dienst der Rijksgebouwen’; Nieuwsblad van het Noorden, 13 oktober 1924, ‘Malversaties bij den Rijksgebouwendienst’; Nieuwe Rotterdamsche Courant, 4 februari 1925, ‘Malversaties bij het voormalig bureau van den rijksbouwmeester voor de onderwijsgebouwen’; De Tijd, 5 februari 1925, ‘‘Malversaties bij het voormalig bureau van den rijksbouwmeester voor de onderwijsgebouwen’; Algemeen Handelsblad, 11 februari 1925, ‘Malversaties bij den bouw van de onderwijsgebouwen te Leiden.’




DOI: http://dx.doi.org/10.7480/knob.112.2013.4.639



Copyright (c) 2015 Bulletin KNOB