Omslagafbeelding

De bouw van de monumentale Van Beverninghkapel in Gouda

Bianca van den Berg

Samenvatting


The Regional Archives ‘Hollands Midden’ has a fairly complete file on the Van Beverningh Chapel, a monumental burial chapel on the south side of the choir aisle of the St Jans Church in Gouda. The file includes a large number of letters, invoices, quotes and specifications regarding the purchase, construction and maintenance of the burial chapel. The client, Gouda citizen Hieronymus Van Beverningh (1614-1690), held important posts in the municipal government of Gouda and became member of the Staten-Generaal (a forerunner of the Dutch parliament) in 1653. In 1655, he married Johanna le Gillon (1635-1706), who came from an influential Amsterdam family.

The Van Beverninghs moved in the highest circles of the Republic. In Gouda, Van Beverningh maintained close ties with the municipal government and with the powerful Van der Dussen family. His nephew Jacob van der Dussen held the positions of sheriff, treasurer and mayor several times there. Van Beverningh was also a friend of Johan de Witt and he and his wife maintained friendly relations with Constantijn Huygens. He became one of the most important diplomats for the Republic and successfully undertook many peace missions. The portraits of him and his wife, painted by Jan de Baen in 1670, reflect the standing of the Van Beverninghs. Van Beverningh was portrayed with the Treaty of Aachen of 1668, in the Minisigning of which he had played an important role. The painting also shows vast gardens, a reference to his passion for botany and gardening.

The burial chapel in the St-Jans Church was to do justice to the status that Van Beverningh had achieved in his career. With its impressive marble front and carvings, the Chapel is second to none of the other important monuments of the period. Van Beverningh contracted a number of prominent masters and had the chapel built entirely from Carrara marble. The chapel’s facade may well have been designed by Pieter Post. The carvings must have been commissioned already well before August 1668 and their actual realization can be ascribed with certainty to Bartholomeus Eggers. Both these men were working on the Waag in Gouda in that same period. The carvings for the interior were probably designed by Artus Quellinus, but no documents of this have survived. The stone carver Jacob Roman was involved in their realization and local craftsmen that were hired were also involved in other important building projects in Gouda. The transport of the marble blocks – for which warships were deployed – from Carrara to Gouda proved to be a troublesome affair. Van Beverningh went to great lengths to bring the marble to Gouda, which testifies to the great ambitions he had for the chapel.

 


Volledige tekst:

PDF HTML

Referenties


Sinds 1964 fungeert de kapel als toeristeningang van de kerk.

De twee eerstgenoemde grafmonumenten zijn van de hand van Rombout Verhulst en dat in Den Haag van Bartholomeus Eggers.

Streekarchief Midden Holland (SAMH), Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 1-6.

P.H.A.M. Abels, ‘Voor de vrijheid en tegen Oranje’ in: P.H.A.M. Abels e.a., Duizend jaar Gouda. Een stadsgeschiedenis, Hilversum 2002, 323-326. J. Schouten, Wie waren zij. Een reeks van Goudse mannen en vrouwen die men niet mag vergeten, Alphen aan den Rijn 1980, 99-104. P.D. Muylwijk, ‘Hieronymus van Beverningh’, in: Vierde verzameling bijdragen, Oudheidkundige Kring ‘Die Goude’ 1943. Het is onbekend waar Hieronymus van Beverningh in Gouda woonde.

Abels 2002 (noot 4).

H. van Dolder-de Wit, De St. Janskerk in Gouda. Mensen en monumenten in een oude stadskerk, Delft 2013, 92-93. Uit de vertaling van de tekst op het zwarte ovaal in het midden van het front van de kapel blijkt zijn status: ‘De zeer vermaarde en adellijke man Hiëronymus van Beverningh, burgemeester van Teilingen, senator, rechter, raadslid van Gouda, tijdens de zitting van het oppermachtige college algemeen assessor, tevens vaak ook buiten de orde om, aan het hoofd van de schatkist van de gemeenschappelijke Nederlandse Federatie, curator van het Lyceum der Bataven, helper bij het besturen van het gebied in Spanje en de Nederlandse Bond, als legaat aan het leger toegevoegd. Door Willem III in het leger gestuurd naar Westminster, Cleef, Breda, Aquisgranum (Aachen), Brussel, Madrid, Keulen, Nijmegen, eveneens naar de Gallische koning, die zijn legerkamp had in Wettera Morinorum, met volmacht om de zaken te regelen. Gezonden weliswaar naar de Keizer, als aangewezen woordvoerder nooit teruggekeerd, tenzij de zaak voltooid was. Bovendien over zaken van het grootste gewicht thuis, omtrent het voorbereiden van vriendschappen en het sluiten van verdragen in het buitenland, overal door de vaderen van het vaderland op gelukkige wijze geraadpleegd. Geboren te Gouda 25 april 1614, gestorven te Teilingen 30 oktober 1690, verzadigd van eer. Hij ligt begraven in dit grafmonument, met de voortreffelijke deelgenote van zijn leven en lotgevallen, Johanna le Gillon, geboren te Amsterdam 11 mei 1635, gestorven 17 september 1706. Wij allen zijn voorbestemd voor de dood.’

P.J.J. van Thiel, C.J. De Bruyn Kops, Framing in the Golden Age: Picture and frame in the 17th-century Holland, Zwolle 1995.

J.A. Worp, Constantijn Huygens, Briefwisseling. Deel 6: 1663-1687 Den Haag 1917.

SAMH, AC 566/ 318. Onder leiding van Van Beverningh werd het houten gewelf hersteld en door beeldsnijder Pieter Janszn Oosterlach verrijkt met rozetten. Beeldhouwer Jan van Parijs maakte drie kruisvensters en zogenaamde ovalen. Het geheel werd afgerond met verguldwerk door Aernt Pietersz Schiltman en een tegelvloer met blauwe en witte tegels.

I. Walvis, Beschrijving der stad Gouda (2 dln), Leiden 1714, 314.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372 en het Koninklijk Huisarchief, Verzameling Schotel, G 6 – AI – nr. 3. Willem van Blois van Treslong was nazaat van Jan van Blois, de laatste stadsheer van Gouda.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. Er zijn enkele opgaven die de totale uitvoering in verschillende soorten steen vergelijken, maar ook combinaties: ‘desen begraafnis sal koemen te kosten ast sal ghemaeckt woorde alte mael van witte maarmer naer volgen sijn proposie `’ ‘Nae volgen het besteght van breemer steen daer de kinderen van maarmer sullen sijn soo waapens doosaode (doodshoofden) viesstonne (festoenen) quartiere soo het noovael (ovaal) sal koemen tkoste 12839. ‘Na van aandt den ba/onte alles daer bij van wittmaarmer ghelijkck sal zijn bij den breemer sal kosten 13679. Desen tuijn van de kappels sal koemen te kosten soo het beltwerck alst sieraet dat daer aen komt ende steen Houwerij ende met saaghen met schueren ende versoeten daer bij te leeveren met het noovael van swaarten stuetsteen `’

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. Brief van Eggers aan Hieronymus van Beverningh uit Amsterdam d.d. 7 augustus 1668 ‘Hier neffens sende U Edele een memorie der blocken die noodich souden wesen soo tot het werck der model onder mij berustende als op de Capelle binnen te becleeden als om UE ende huysghesiens beeltenis af te maaken,`’

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. Brief van Dirck Tulp d.d. 15 oktober 1669 uit Amsterdam. Dirck Tulp was een van de bewindhebbers van de VOC en zoon van de door Rembrandt van Rijn geportretteerde professor Nicolaes Tulp. In zijn brief meldt hij ‘... Sedert becomen van Quilinus sijn concept heeft aende deuren twee duijm genoomen soo dat nu allis in zijn teukeningh is geobseerveert wat aaengaet de Ornamenten en ciercels heeft die geteukent maer heeft overslagh gemaeckt dat als allis vande beste marmer en andere fragieleden souden wesen `’

P. Vlaardingerbroek, Het Paleis van de Republiek. Geschiedenis van het stadhuis van Amsterdam, Zwolle 2011, 103; F. Scholten, Artus Quellinus, Amsterdam 2010, 5.

Vlaardingerbroek 2011 (noot 15), 103.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. ‘Ick soude UE een memorij soe veel het affegietsel vande capel tot de begraving soude omtrent comen te kosten, h(a/o) tre ue mijn ten goede sal gelieven aftenemen dat ick de teijckeningen hier nevens niet en sende maer heb die gehouden om dat ick daer enige boetseersals van de cieraden na maeck om in UE te tonen hoe twerck gemack soude werden de lijsten sijn of eed ach wercken maendach eijndighende blijven mijn heer dienstwilligen dienaer Jacob Roman.’ F. Scholten, Sumpteous memories. Studies In Seventeenth-century Dutch Tomb Sculpture, Zwolle 2003, 52-64. Het model in klei of was is vaak bedoeld als maquette van het beeldhouwwerk. Uit de stukken blijkt dat in het geval van de Van Beverninghkapel een aantal onderdelen ‘eerst moiten in kley geboetseert werden om het werck ten besten cieraden uyt te wercken’.

SAMH, Memoriaal van Sinte Catharinen en Elijsabets Gasthuijsen, inv.nr. 728. f 261 vso. De voorbouw van het Catharinagasthuis aan de Oosthaven is in het verleden door meerdere auteurs op stilistische gronden aan Pieter Post toegeschreven. In de bronnen van het Catharinagasthuis is echter over de verbouwing weinig terug te vinden. Dat kan worden verklaard uit het feit dat hiervoor een aparte administratie werd bijgehouden: ‘gebracht onder uitgeef int Nieuwe Boeck van de opbouwinge vant nieuwe gasthuys’. Daarin moet de bouw uitvoerig zijn vastgelegd en zal de naam van de betrokken bouwmeester hebben gestaan. Helaas is dit boek verdwenen. J.J. Terwen en K.A. Ottenheym, Pieter Post (1608-1669). Architect Zutphen 1993, 190 en noot 657

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. ‘Dogen het cieraid op het middelste uitstekende deel in no 1 onder I aengeweesen dair van sal het genegen daer het schrift op sal comen swarte toetsteen soude van witte marmer comen gemaackt worden desgelijcks de wapens ende die cieraden die no 1 met de letteren K ende L aengeweesen oock de off hangende phestoens onder de dootshoofden als meede de dootshofden Ende de kinderkens, de Pot (vaas) ende de cieraden boven het middelste uytsteck. De Cranssen van lauwerier om de doorshoofden als de Coren Aren uyt de gemelde hooffden soude connen van Coper gemaakt wirden als mede de torsen die de kinderkens houwden alles om lughteger ende stercker werk te maken desgelijckx oock van coper de spille in de houten deuren.’

Onbekend is wanneer de schilderingen van de wapens in grisailleverf zijn aangebracht.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372, 2. ‘Twee belde met konterfessels over het staende ieder belt duijssent gulde 2000 en ‘Twee belde liggen mit ... konterfessels ieder achaondertijl’ en ‘ick hebbe alhyer een seer bequam stuck marmer gevonden om de 2 feguren tot de tombe van de heer van Beverninck te maken`’

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372, 2. Aanhangsel bij brief van Pieter Luijck uit Amsterdam d.d. 12 januari 1673. ‘Ick hebbe alhyer een seer bequaem stuck marmer gevonden om de 2 feguren tot de tombe van de heer van Beverninck of te maken ` ‘

Toeristische gidsen met daarin de bezienswaardigheden van de stad geven vaak aanwijzingen over het uiterlijk van dergelijke grafmonumenten en hieruit had mogelijk kunnen worden gedestilleerd wanneer de tombes zijn verwijderd. Zowel enkele grafmonumenten van de hand van Rombout Verhulst, als dat van Jacob van Wassenaer Obdam in Den Haag van Eggers, zijn opgenomen in dit soort gidsen. Maar van Gouda zijn dergelijke gidsen niet bewaard gebleven en in de wel behouden gidsjes voor de Goudse glazen wordt met geen woord gerept over andere bezienswaardigheden in de kerk.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 3. De Goudse glasschilder Daniël Tomberg wordt vermeld als ‘daniel tombergin’ met betrekking tot ‘het schilderen en backen van de glaes inde cappelle’. Tomberg was een bekende (glas)kunstenaar, maar hij is in 1661 overleden. Mogelijk werd zijn zoon Willem bedoeld die eveneens glasschilder was.

Een Rijnlandse voet mat 31,4 cm en bevatte 12 duim.

Zo meet de middenrisaliet 48 duim, wat overeenkomt met 120√2-120. De hoogte van de pilasters is het dubbele: 96d. De verhouding tussen de breedte (25,6d) en de hoogte van de pilasters komt met een afwijking van 2d in de buurt van de door Scamozzi voorgeschreven ratio 1:8√, daarbij rekening houdend met een, eveneens door hem voorgeschreven, versmalling van de pilaster met 7/8 t.o.v. de oorspronkelijke zuil. Voor een verdere analyse van het architectonisch ontwerp zijn meer en nauwkeuriger meetgegevens nodig. Op het moment van schrijven was dat in ieder geval niet mogelijk vanwege de voorbereidingen voor funderingsherstel in het koor. Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 217.

P. van Dael, ‘Graven in oude Hollandse kerken’, in: Bulletin Stichting Oude Hollandse Kerken (2011), 4-35; F. Scholten, Artus Quellinus, Amsterdam 2010, 15.

SAMH, AC 372/ 2. Besteck omer de capel z.d.: ‘` noch inde de vormen vinden vant werck dat voor deesen gemaickt is gelijck alhier van de capelle vande Burgemeester de Graeff soo de proportie niet al te licht en viele ofte wel van eenigh ander werck indien men sich aen het fatsoen niet en hout.’

Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 34.

Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 23.

F. Scholten, Artus Quellinus, Amsterdam 2010; Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 182-183.

Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 32.

Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 130-139. Abraham Van Beveren had in 1643 twee huizen gekocht aan de Wijnstraat in Dordrecht om ze te laten vervangen door een breed woonhuis en liet hiervoor aanvankelijk ontwerpen maken door Arent van ‘s-Gravesande. Pieter Post nam de opdracht echter al snel over en aan de Wijnstraat verrees een imposant woonhuis in Hollands Classicistische stijl.

Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), noot 652.

J. Smink, ‘De bouw van de Goudse waag’, in: Tidinge van die Goude 16 (1998), 65-74

I. Walvis, Beschrijving der stad Gouda (2 dln), Leiden 1714, 100 en 314.

Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 185-192 en noten 652-655. Voor het reliëf van de Goudse waag was een apart bestek opgesteld waarin onder meer was bepaald dat Eggers de maten moest aanhouden zoals die in het schetsontwerp van Pieter Post waren vastgesteld. De invulling zou volgens het goedgekeurde ontwerp van Eggers zelf worden uitgevoerd. Door het stadsbestuur werden daarbij enkele randvoorwaarden mee­gegeven zoals de aanwijzing dat de koopman in de voorstelling de grootste figuur moest zijn. In 1657 ontwierp Pieter Post de Leidse waag en daar werkte hij op dezelfde manier. Het reliëf van de Leidse waag is van de hand van Verhulst, maar uit de ontwerptekeningen van Post voor het gebouw blijkt dat deze hiervoor een schetsontwerp van Post als uitgangspunt moest nemen. In tegenstelling tot gewone steenhouwers die zeer precies naar de ontwerpen van de architecten moesten werken, kregen beroemde beeldhouwers zoals Verhulst en Eggers kennelijk een schetsontwerp van de architect dat zij vervolgens naar eigen inzicht tot een definitief ontwerp mochten uitwerken.

Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 12.

Voor dit algemene overzicht is gebruik gemaakt van F. Scholten, ‘De Nederlandse handel in Italiaans marmer in de 17e eeuw’ in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 44 (1993), 198 e.v.

Als dit marmer werd toegepast dan was dat vooral in de bouwkunst zoals voor de zwart-witte tegelvloeren die op zoveel zeventiende-eeuwse schilderijen te zien zijn.

Scholten 1993 (noot 40). Livorno werd rond het midden van de zeventiende eeuw de voornaamste haven voor de Nederlandse straatvaart. De handel betrof aanvankelijk voornamelijk Oosterse specerijen, linnen, verfstoffen en Leidse saai.

Vlaardingerbroek 2011 (noot 15), en Scholten 1993 (noot 40), 197-214, 206-207. Een van de gevolgen van de handel in marmer was een bloeiende verwerkingsindustrie in Amsterdam. De steenmeters hadden bijvoorbeeld veel werk. Zij gebruikten een lijst met de meest gangbare soorten steen en hanteerden een bepaald tarief voor het meten. Ook zijn steenslijpmolens en zaagmolens voor marmeren bouwonderdelen actief. Dit wordt bevestigd door de stukken over de Van Beverninghkapel. Uit de prijs­opgaven van Eggers bijvoorbeeld blijkt dat wordt gewerkt met standaardprijzen en -maten (palmen en voeten). SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. In de stukken be­vinden zich instructies voor het zagen van de blokken marmer.

Scholten 1993 (noot 40), 205.

Scholten 1993 (noot 40), 208.

Scholten 1993 (noot 40), 200. In 1622 probeerde zijn zoon Pieter de Keyser vergeefs een vergoeding voor het ver­loren gegane marmer te krijgen.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

J.R. Bruijn, De admiraliteit van Amsterdam in rustiger jaren 1713-1751. Regenten en financiën, schepen en zeevarenden, Amsterdam 1970, 75.

Nationaal Archief, 1.10.72.01, inv.nr. 155. Inventaris van het archief van Michiel de Ruyter (1607-1676) en enige verwanten. Copie – extract resolutie van de Admiraliteit van Amsterdam, waarbij de kapitein Binkes of een andere scheepsbevelhebber te Livorno zijnde of aldaar komende gelast wordt in zijn schip het marmer in te laden dat voor rekening van den heer van Beverning aldaar is gekocht. Maart 1674 1 stuk.

N. Habermehl, ‘Jan den Haen (1630-1676) Goudse zeeheld zonder praalgraf’, in: Tidinge van die Goude 24 (2006), 84-88. Jan den Haan was kapitein voor de Admiraliteit van Amsterdam en schout bij nacht. Hij heeft met zijn heldhaftige optreden een aantal keren de Nederlandse vloot voor de ondergang behoed en volgde Michiel de Ruyter op na diens dood in april 1676. Zelf overleed Den Haen een maand later.

Mattheus Lestevenon was een regent in Amsterdam en gelieerd aan de families le Gillon en Van der Dussen. Hij was getrouwd met Elisabeth Backer en in die familie werd veel getrouwd met de familie le Gillon. Zijn verwant Daniel Lestevenon was vanaf 1688 lid van de Goudse vroedschap. Zie: www.historici.nl.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4. De maand is niet goed leesbaar, het gaat om de achttiende dag van oktober, november of december 1669.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4. J.R. Bruijn, De ad­miraliteit van Amsterdam in rustiger jaren 1713-1751. Regenten en financiën, schepen en zeevarenden, Amsterdam 1970, 73. De Admiraliteiten inden zogenaamde convooien en licenten, een soort in- en uitvoerrechten. De inning en het beheer hiervan was al sinds het einde van de zestiende eeuw bij de admiraliteitscolleges neergelegd. Voor de colleges was het een vaste bron van inkomsten. De eerder vermelde brief van Lestevenon van 1 oktober 1669 eindigde met de vermelding dat men hem had verzekerd dat door de stadhaven dus de Admiraliteit van Amsterdam, niets zou worden ge­vorderd.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4. Schipper was Claes Gerretszn en het schip voer onder konvooi van commandeur Marrevelt.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4. Dit blijkt uit een extract van een brief van Van Weert in Genua van 11 oktober 1670.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, C 372/ 4.

SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 6. P.J.J. van Thiel, C.J. De Bruyn Kops, Framing in the Golden Age: Picture and frame in the 17th-century Holland Zwolle 1995, 288. Jacob van der Dussen stierf eerder dan Johanna le Gillon en waarschijnlijk heeft zijn zoon Gerard van der Dussen de verantwoor­delijkheid voor de kapel overgenomen.

H. van Dolder-de Wit, De St. Janskerk in Gouda. Mensen en monumenten in een oude stadskerk, Delft 2013, 89.

Tijdens het funderingsherstel is geen archeologisch onderzoek verricht en het is onbekend of er funderingen voor de tombes zijn aangetroffen.




DOI: http://dx.doi.org/10.7480/knob.113.2014.1.653



Copyright (c) 2015 Bulletin KNOB