De bouw van de monumentale Van Beverninghkapel in Gouda | van den Berg | Bulletin KNOB
Omslagafbeelding

De bouw van de monumentale Van Beverninghkapel in Gouda

Bianca van den Berg

Volledige text


Inleiding

Aan de zuidzijde van de kooromgang van de Sint-Janskerk te Gouda bevindt zich de voormalige grafkapel van de familie Van Beverningh die tussen 1668 en 1674 tot stand kwam (afb.1).[1]

Afbeelding 1. Het front van de Van Beverninghkapel in 2013 (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Deze kapel doet met zijn indrukwekkende marmeren front en beeldhouwwerk niet onder voor andere belangrijke grafmonumenten uit die tijd zoals die voor Maarten Tromp in de Oude Kerk in Delft, voor Carel Hieronymus van Inen Kniphuizen in Midwolde en voor Jacob van Wassenaer Obdam in de Grote Kerk in Den Haag.[2]

Hieronymus van Beverningh, de opdrachtgever van de grafkapel, was bij leven een beroemd en gerespecteerd diplomaat en staatsman en zijn hoge status is goed af te lezen van de rijke uitvoering van zijn kapel.

De kwaliteit van het werk wijst op een getalenteerde ontwerper en op beeldhouwers die we moeten zoeken onder de belangrijkste zeventiende-eeuwse kunstenaars.

Tijdens het onderzoek naar de totstandkoming van de kapel in het Streekarchief Midden-Holland bleek aldaar een aanzienlijk dossier aanwezig te zijn dat goed inzicht geeft in de gang van zaken rond de bouw van de kapel. Het dossier telt een groot aantal brieven, rekeningen, offertes en bestekken die betrekking hebben op de aankoop, de totstandkoming en het onderhoud van de kapel.[3] Zij verschaffen ons niet alleen een goed beeld van de bouw van de kapel en van de meesters en werklieden die erbij betrokken waren, maar ook van de aanvoer van de materialen.

Dit artikel gaat in eerste instantie in op het ontwerp en de uitvoering van de kapel, op basis van deze en andere archiefbronnen. Vanwege de rijkdom aan informatie over de problemen met betrekking tot de aanvoer van het marmer uit Carrara zal in het tweede deel aandacht worden besteed aan dit marmertransport.

De opdrachtgever

Hieronymus van Beverningh werd op 25 april 1614 in Gouda geboren en doorliep er de Latijnse School. Daarna studeerde hij aan de universiteit van Leiden waarna hij zich in Gouda als advocaat vestigde.[4]

Op eenendertigjarige leeftijd werd hij schepen van de stad en een jaar later werd hij naar de Staten van Holland afgevaardigd. In april 1655 trouwde hij in de Nieuwe Kerk te Amsterdam met Johanna le Gillon (1635-1706), lid van een aanzienlijke Amsterdamse familie.

Van Beverningh bleef Gouds regent, maar ontwikkelde zich daarnaast tot een belangrijke staatsman van de Republiek. Zo werd hij in 1653 tot lid van de Staten-Generaal benoemd en stond hij aan het hoofd van het gezantschap dat naar Londen werd gezonden om met Oliver Cromwell te onderhandelen over vrede tussen Groot-Brittannië en de Republiek. De onderhandelingen resulteerden in 1654 in de Vrede van Westminster.

De Goudse vroedschap was erg gesteld op haar autonomie en had weinig op met stadhouder Willem iii die openlijk streefde naar meer bevoegdheden en middelen. Net als de leden van de Goudse vroedschap was ook Van Beverningh, die goed bevriend was met Johan de Witt, aanvankelijk niet erg Oranjegezind. In de loop van de jaren zestig van de zeventiende eeuw begon Van Beverningh echter over te hellen naar de orangisten. Uiteindelijk, in het Rampjaar 1672, stonden het Goudse stadsbestuur en Van Beverningh, mede ten gevolge van de acute oorlogsdreiging, pal achter Willem iii.[5]

Ook na de Vrede van Westminster werd Van Beverningh nog vele malen voor missies en vredesonderhandelingen uitgezonden, die meestal succesvol verliepen. De man bleek een geboren diplomaat. Dat wordt ook duidelijk uit de tekst die in het front van de kapel in het zwarte marmeren ovaal is opgenomen en waarin de vele successen van Van Beverningh worden opgesomd, zoals zijn aandeel in de Vrede van Breda in 1667.[6] Op het portret dat Jan de Baen in 1670 van Van Beverningh maakte (afb. 2), heeft hij hem met het Verdrag van Aken uit 1668 weergegeven, bij de totstandkoming waarvan Van Beverningh een belangrijke rol had gespeeld. [7] Dit wapenfeit was voor hem kennelijk zo belangrijk dat hij zich hiermee heeft laten portretteren.

Afbeelding 2. Hieronymus van Beverningh en zijn vrouw Johanna le Gillon (met luit) geschilderd in 1670 door Jan de Baen. De tuinen refereren aan de liefde voor exotische planten (Rijksmuseum Amsterdam)

De Van Beverninghs verkeerden in de hoogste kringen van Gouda en van de Republiek. In Gouda was Van Beverningh nauw verbonden met het stadsbestuur waarin hij zelf regelmatig zitting had en met de machtige familie Van der Dussen. Zijn neef Jacob van der Dussen was een aantal malen schepen, tresorier en burgemeester. Van Beverningh nam diens zoon Bruno van der Dussen onder zijn hoede en maakte hem wegwijs in de diplomatieke wereld.

Verschillende Le Gillons waren getrouwd met leden van een van de invloedrijkste families in Amsterdam, de familie Backer. Ook in Den Haag had het echtpaar belangrijke connecties, wat niet alleen blijkt uit de vriendschap tussen Van Beverningh en Johan de Witt, maar ook uit de vriendschappelijke relatie met Constantijn Huygens, getuige de door deze zelf gecomponeerde stukjes voor de luit, die Huygens in 1670 Johanna toestuurde.[8]

Van Beverningh hield zich buiten de politiek ook bezig met exotische planten en met kunst en architectuur. Zijn liefde voor planten en tuinkunst blijkt ook uit het portret van Jan de Baen waar op de achtergrond uitgestrekte tuinen zijn weergegeven. Ook in zijn grafkapel vinden we in de decoraties exotische planten terug. In 1646 was hij librijemeester van de Sint-Janskerk en in die hoedanigheid liet hij de Librije in 1649 grootscheeps verbouwen. Hier waren volgens de bronnen overigens geen grote meesters bij betrokken.[9] Uit de correspondentie over de Van Beverninghkapel blijkt dat Van Beverningh zelf nauw betrokken was bij belangrijke beslissingen over de uitvoering.

Na de totstandkoming van het verdrag tussen Zweden en de Republiek in 1679, waarbij Van Beverningh wederom een belangrijke rol speelde, trok hij zich uit het openbare leven terug op zijn landgoed Oud-Teylingen ofwel Huis te Lokhorst bij Warmond. Wel bleef hij curator van de Leidse universiteit. Vanaf dat moment wijdde hij zich tot aan zijn dood in 1690 voornamelijk aan zijn twee andere grote liefdes: het kweken van uitheemse planten en zijn uitgebreide bibliotheek. Zijn liefde voor boeken werd hem overigens fataal. Op 23 oktober 1690 viel hij tijdens het rangschikken van enkele boeken in de Leidse universiteitsbibliotheek van een trap. Hij overleed een week later aan zijn verwondingen en werd bijgezet in zijn Goudse grafkapel. Volgens Ignatius Walvis was hij ‘kloek van persoon, grijs van hayren en flux van leden ten laatsten toe’.[10] Zijn vrouw Johanna le Gillon overleed in 1706 en werd eveneens in de Goudse kapel bijgezet.

De aankoop

Het paste bij de status van de Van Beverninghs om in een stadskerk een eigen luisterrijk grafmonument te laten bouwen. Al in 1666 had Hieronymus van Beverningh zijn oog op een oudere grafkapel in de Sint-Janskerk laten vallen. Op dat moment was deze echter nog in bezit van Willem van Blois van Treslong en stond bekend als de IJzeren Kapel.[11] Op 6 oktober 1668 werd de koop definitief gesloten en begon de verbouwing tot de kapel zoals we die vandaag de dag nog kennen. Hij koos daarbij voor de duurste variant waarbij het geheel in marmer werd uitgevoerd.[12]

De beeldhouwers

De hoge kwaliteit van zowel het ontwerp als de uitvoering van het front van de Van Beverninghkapel wijst erop dat hier gerenommeerde meesters aan het werk zijn geweest. Bij onderzoek ter plaatse zijn van beeldhouwers geen initialen aangetroffen, maar de archiefbronnen geven wel enkele namen prijs. De eerste die we tegenkomen is Bartholomeus Eggers. Op 7 augustus 1668 schrijft hij aan Van Beverningh hoeveel blokken marmer hij nodig heeft om het model dat bij hem berust te kunnen uitvoeren. Het gaat er om de beeltenis van Van Beverningh en zijn ‘huisghesien’, ofwel zijn familie, te kunnen maken en de kapel van binnen te bekleden (afb. 3).[13] Het betreft materiaal voor het interieur van de kapel want het marmer moest ‘het alderwitste datmen vinden kan tot beeldwerck’ zijn. Het front van de kapel is uitgevoerd in geaderd marmer en wordt in de stukken apart omschreven als ‘de tuin van de kapel’.

Afbeelding 3. De brief van Bartholomeus Eggers van 7 augustus 1668 aan Hieronymus van Beverningh (Henkjan Sprokholt)

Eggers is niet de enige beeldhouwer van naam die uit de stukken naar voren komt. Artus Quellinus moet bij de voorfase van de kapel betrokken zijn geweest. In zijn brief van 15 oktober 1669 schrijft Dirck Tulp aan Van Beverningh dat Quellinus een tekening voor de kapel heeft geleverd.[14] Tulp schrijft dat alles van die tekening is ‘geobseerveert wat aengaet de Ornamenten en ciercels’. Aangezien Quellinus in augustus 1668 is overleden en Eggers getuige de correspondentie vanaf augustus 1668 de opdracht had aangenomen, mogen we aannemen dat het aanvankelijk in de bedoeling lag dat Quellinus het beeldhouwwerk voor de Van Beverninghkapel zou verzorgen en dat hij al een aantal zaken had getekend. Na zijn overlijden moet Bartholomeus Eggers de daadwerkelijke uitvoering hebben overgenomen.

Quellinus was in de periode 1650-1665 in Amsterdam gevestigd.[15] Hij was daar de belangrijkste beeldhouwer bij de bouw van het nieuwe stadhuis dat tussen 1648 en 1665 verrees. Hij leidde in die periode veel getalenteerde beeldhouwers op, die belangrijk zijn geworden voor de Nederlandse beeldhouwkunst in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Onder hen bevond zich Bartholomeus Eggers, die lange tijd met Quellinus samenwerkte en een nauwe band met hem had. Een illustratie van die nauwe band is de getuigenis van Bartholomeus en zijn broer Jacobus bij het opstellen van het testament van Quellinus.[16]

Eggers was niet alleen een bekende van Quellinus, maar ook de Gouwenaars kenden zijn werk. In 1668 had hij namelijk onder leiding van Pieter Post het reliëf voor de Goudse Waag vervaardigd. Van Beverningh heeft echter niet alleen in Gouda kennis kunnen maken met het werk van Eggers, maar ook in Den Haag, waar Eggers in 1667 werkte aan het grafmonument van Jacob van Wassenaer Obdam in de Grote of Sint-Jacobskerk. Zowel Eggers als Quellinus behoorden tot de belangrijkste beeldhouwers die in die tijd in de Nederlanden werkzaam waren.

Ook Jacob Roman (1640-1716) was bij de totstandkoming van de kapel betrokken. Roman begon zijn carrière als beeldsnijder en werkte pas later als architect. Op 5 september 1668, als hij nog als beeldsnijder werkzaam is, doet hij opgave van de kosten van een afgietsel van het ontwerp van de kapel. Bovendien legt hij uit dat hij de tekeningen nog even houdt omdat hij nog enige ‘boetseersals van de cieraden’ (ornamenten) moet maken.[17]

Ten slotte werden bij de uitvoering van het werk werklieden betrokken die hun sporen hadden verdiend in het bouwvak. Zo werkten ze in dezelfde periode aan prestigieuze opdrachten in Gouda zoals de waag, de voorbouw van het Catharinagasthuis aan de Oosthaven en het stadhuis.[18] Ook voor andere werkzaamheden dan het beeldhouwwerk liet Van Beverningh dus gerenommeerde vakmensen aantrekken.

Het front en het interieur van de kapel

In een ‘Memorie tot Verclaringe van de Teyckeningen’ wordt verwezen naar een tekening met onderdelen die van letters zijn voorzien.[19] De tekening zelf is verdwenen, maar de beschrijving van de letters in de brief maakt duidelijk hoe het werk moest worden uitgevoerd en daaruit blijkt dat het hier om het front gaat. Zo wordt aangegeven dat in de middenpartij van het front een zwart ovalen toetssteen (in dit geval zwart marmer) moest worden geplaatst met daarin een tekst. Verder wordt omschreven waar de festoenen, doodshoofden, putti, de vaas en overige decoraties moeten worden aangebracht (afb.4).

Afbeelding 4. Detail van de urn met putti op het midden van de kapel (Henkjan Sprokholt)

De lauwerkransen en de spijlen van de hekwerkjes moesten volgens het bestek in koper worden uitgevoerd.[20] Het beschreven front heeft de eeuwen vrijwel ongeschonden doorstaan. Alleen de wapenschilden zijn afgehakt, in 1795 tijdens de Franse bezetting.[21]

De archiefbronnen bevatten ook aanwijzingen over het interieur van de kapel. Van het interieur zelf is helaas niets bewaard gebleven, ook geen afbeelding of beschrijving, maar het moet er indrukwekkend hebben uitgezien. Er wordt gesproken van tombes met twee staande en twee liggende beelden met portretten.[22] Het gaat om twee marmeren tombes met beelden van Hieronymus van Beverningh en zijn vrouw Johanna le Gillon.[23] Uit de brieven blijkt dat het marmer voor de tombes daadwerkelijk in Gouda is aangekomen en we kunnen ervan uitgaan dat ze inclusief de beelden zijn gerealiseerd. Wanneer de tombes zijn verdwenen is niet duidelijk, maar de Franse tijd, toen ook de wapenschilden werden vernield, ligt voor de hand.[24]

Het dossier bevat tevens enkele schetsen zoals die voor de borstwering van het front (afb.8) en een plattegrond van de kapel met daarin aangegeven de toegang tot de grafkelder (afb.6). Speciaal voor de kapel zijn ook gebrandschilderde glazen geleverd, want de Goudse glasschilder Daniël Tomberg komt enkele malen in de rekeningen voor.[25]

De architectuur van het front

Het front van de Van Beverninghkapel is symmetrisch en bestaat uit vijf delen waarvan de twee buitenste en de middelste smaller zijn dan de twee overige, waarin zich de doorgangen bevinden (afb. 1). De traveeën zijn van elkaar gescheiden door pilasters met overhoekse ionische kapitelen. In het middendeel is het cartouche geplaatst waarin de al eerder genoemde zwarte toetssteen is verwerkt. Beide buitenste traveeën zijn gevuld met wapenschilden en de twee brede traveeën zijn voorzien van deuren met hekwerk. Het geheel is voorzien van een hoofdgestel waarvan het opbollende fries boven de deuren is gevuld met laurierblad en boven de overige drie traveeën met bladwerk, cartouches en hoorns. Bovenop het hoofdgestel zijn aan de buitenzijden wapenschilden geplaatst en in het midden een urn die wordt geflankeerd door putti. Ertussenin bevinden zich doodshoofden met lauwerkransen. De lauwerkransen symboliseren overwinning en vrede, wat verwijst naar de reputatie van de diplomaat Van Beverningh als ‘peysmaker’. Dat geldt overigens ook voor andere plantaardige elementen in het beeldhouwwerk zoals het gebruik van olijf- en palmtakken.

Een zwart gepleisterd vlak boven dit front wordt aan de bovenzijde afgesloten door een ver uitstekende houten kroonlijst. Op dit muurvlak is nog beeldhouwwerk in marmer aangebracht met in het midden wapens en tekstvelden en aan weerszijden hangende trofeeën waarin allerhande exotisch fruit en planten zijn verwerkt. De uitheemse planten verwijzen naar Van Beverninghs liefhebberij op dat gebied.

Na het overlijden van Quellinus, die hoogstwaarschijnlijk verantwoordelijk was voor het ontwerp van het beeldhouwwerk van het interieur werd Eggers ingeschakeld voor de uitvoering. Mogelijk was Quellinus tevens verantwoordelijk voor het ontwerp van het front, maar dat blijkt niet uit de stukken en de architectonische opzet in Hollands classicistische stijl maakt het juist aannemelijk dat daar een bouwmeester bij betrokken is geweest. Het totale front lijkt te zijn gebaseerd op een vierkant van 20 Rijnlandse voet of 240 duim, waarvan de onderste helft wordt gevormd door het marmeren front, en de bovenste door het zwarte pleisterwerk met marmeren ornamenten.[26] In de verdere indeling van het marmeren front, dat dus uit twee vierkanten van 120 voet bestaat, lijkt gebruik te zijn gemaakt van de in de zeventiende eeuw geliefde maatverhouding 1:√2.[27]

Samenwerking tussen bouwmeester en beeldhouwer bij dergelijke projecten was niet ongebruikelijk, zoals onder andere blijkt uit het ontwerp voor het grafmonument dat in 1651 voor de Amsterdamse burgemeester De Graeff is gemaakt.[28] Aan dat monument werkten hoogstwaarschijnlijk bouwmeester Jacob van Campen en beeldhouwer Quellinus samen. In het bestek van de Van Beverninghkapel wordt expliciet naar dit specifieke voorbeeld verwezen vanwege de afgewogen verhoudingen van het monument.[29] Dat is ook een interessante indicatie voor het nagestreefde kwalitatieve niveau van de kapel. Een ander voorbeeld van een grafmonument dat tot stand kwam dankzij de samenwerking tussen bouwmeester en beeldhouwer is dat van Maarten Tromp in de Oude Kerk in Delft uit 1653. Het beeldhouwwerk werd verzorgd door Rombout Verhulst, maar het ontwerp was van de hand van Pieter Post.[30]

Van Campen overleed in 1657 dus hij kan niet bij het ontwerp van het Goudse front betrokken zijn geweest. Als we op zoek gaan naar een andere architect, blijkt al snel Pieter Post een goede kandidaat te zijn. Het werk van Post kenmerkt zich door symmetrie en een geometrische ordening gecombineerd met weelderig beeldhouwwerk van festoenen, krullende acanthusranken, trofeeën en putti.[31] Hij was korte tijd betrokken bij de bouw van het stadhuis in Amsterdam en kende de daar werkzame beeldhouwers Quellinus en Eggers.[32] Bovendien was Post bekend bij Van Beverningh. Van Beverningh kwam voor zijn werk vaak in Den Haag waar hij Post en zijn werk leerde kennen. Zijn goede vriend Johan de Witt had Post in 1652 persoonlijk ingeschakeld voor een nieuw vergadergebouw van de Staten van Holland aan het Binnenhof.[33] Abraham van Beveren, een familielid van Hieronymus en een belangrijke regent in Dordrecht, schakelde Post in voor de bouw van zijn woonhuis De Onbeschaamde aan de Wijnstraat aldaar, dat tussen 1650 en 1653 tot stand kwam.[34] Van Beveren was net als Van Beverningh meerdere malen gedeputeerde van de Staten van Holland, lid van de Raad van State, lid van de Gecommitteerde Raden van Holland en afgevaardigde in de Staten-Generaal. Ook het werk van Post in Dordrecht heeft Van Beverningh waarschijnlijk gekend.

Kort voor de bouw van de Van Beverninghkapel werkte Post aan de Goudse waag. Voor die opdracht bezocht hij Gouda tussen 6 juli 1667 en 9 november 1668 driemaal.[35] Jacob van der Dussen, de eerder genoemde neef van Hieronymus, was door het stadsbestuur benoemd tot lid van de bouwcommissie van de Waag.[36] Van Beverningh zelf was in 1668 een van de twee burgemeesters.[37] Het lijdt geen twijfel dat Van Beverningh de werkzaamheden van Post in die periode nauwgezet heeft gevolgd en het is zelfs niet ondenkbaar dat Post op zijn voorspraak naar Gouda is gehaald.

Ook de betrokkenheid van Eggers bij de uitmonstering van de kapel kan worden verklaard uit diens aanwezigheid in Gouda, waar hij samen met Post werkte aan de waag (afb. 5).[38]

Afbeelding 5. Eind twintigste-eeuwse kopie van het reliëf van de Waag in Gouda uit 1668. Het origineel werd door Bartholomeus Eggers vervaardigd en bevindt zich tegenwoordig in de Waag (Henkjan Sprokholt)

De beeldsnijder Jacob Roman was niet betrokken bij de Waag, maar ook hij was geen onbekende voor Post. Jacobs vader Pieter Roman (1607- 1670) was verantwoordelijk voor het fijne gedetailleerde houtsnijwerk in de meeste gebouwen van Post in en om Den Haag.[39] Jacob verbleef al van jongs af aan in de omgeving van Post.

Het materiaal [40]

De Van Beverninghkapel is uitgevoerd in Carraramarmer en voor de handel in en de aanvoer van dat materiaal naar Nederland in de tweede helft van de zeventiende eeuw, vormen veel brieven in het dossier een belangrijke en interessante bron. Italiaans marmer was in de eerste helft van de zeventiende eeuw vooral als gevolg van de Opstand moeilijk naar de noordelijke Nederlanden te vervoeren en werd hier daarom weinig gebruikt.[41] Na de Vrede van Munster in 1648 verander-

de deze situatie en verwierf het Carraramarmer een belangrijke plaats in de architectuur van de noordelijke Nederlanden. Vanaf de jaren veertig ontstond in Livorno en Genua door de aanwezigheid van diverse vooraanstaande Amsterdamse handelshuizen de mogelijkheid om grote hoeveelheden Carraramarmer naar de Republiek te verschepen.[42] Dit marmer werd in de onmiddellijke nabijheid van Livorno en Genua gewonnen en kon makkelijk naar Holland worden meegenomen als ballast op retourtochten.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw groeide Amsterdam uit tot een belangrijk centrum voor de marmerhandel, wat mede een gevolg was van de bouw van het nieuwe stadhuis waarin enorme hoeveelheden Italiaans marmer zijn verwerkt.[43] De bloeiperiode van de Nederlandse beeldhouwkunst valt waarschijnlijk niet toevallig samen met die van de marmerhandel. In Amsterdam was een aantal families in de marmerhandel actief zoals Bartolotti, Coymans, Godijn, Van der Stra(e)ten en Sautijn.[44] In de stukken die het Carraramarmer van de Van Beverninghkapel betreffen, komen echter geen namen van Amsterdamse handelaren voor.

Globaal gezien werden in Carrara twee soorten marmer gewonnen: het witte statuario dat vooral in de beeldhouwkunst werd toegepast en het geaderde arabescato dat vooral in de bouwkunst en voor decoratieve sculptuur werd gebruikt.[45] Ook voor de Van Beverninghkapel is een aantal grote blokken wit marmer aangevoerd die voor het interieur en de tombes en beelden bestemd moeten zijn geweest. Het front is namelijk uitgevoerd in geaderd marmer.

Van Beverningh kon gebruik maken van zijn netwerk bij de uitvoering van het project. Zo blijkt uit de brieven dat neef Bruno van der Dussen de tussenpersoon was die zich bezighield met de coördinatie van de werkzaamheden aan de kapel en de aanvoer van materialen. Met hem werd veel van de correspondentie gevoerd en hij onderhield vervolgens het contact met zijn oom.

De aanvoer van het marmer voor de kapel verliep niet zonder slag of stoot. Pech kwam overigens wel vaker voor. Zo werd Hendrick de Keyser in 1618 door de Staten Generaal, de opdrachtgever van het grafmonument van Willem van Oranje, aangesproken op het feit dat de vervaardiging ervan zo lang duurde. De Keyser liet daarop weten dat een schip met marmer tijdens de reis was vergaan.[46]

Uit een extract van de notulen van de Admiraliteit van Amsterdam blijkt dat op woensdag 15 augustus 1668 toestemming werd verleend om in opdracht van Hieronymus van Beverningh enige blokken marmer te verschepen van Livorno of Genua onder leiding van de kapiteins Tol en Van Bergen.[47] De eerstvolgende vermelding van marmer, alweer uit de notulen van de Admiraliteit, dateert van 14 februari 1669.[48] Blijkens dit document was het jaar ervoor aan Van Beverningh inderdaad toestemming verleend voor het transport van een partij Italiaans ‘marmersteen‘ in de schepen van ‘oorlogs deeses collegii’, maar was dit nog steeds niet gebeurd. De Admiraliteit verordonneert dan de steen alsnog te transporteren. Dat oorlogsschepen tevens voor het vervoer van luxe goederen zoals goud en juwelen werden gebruikt is al langer bekend, maar voor het vervoer van marmer in oorlogsschepen zijn minder aanwijzingen voorhanden.[49] Uit het archief van de Van Beverninghkapel blijkt deze gang van zaken echter onomstotelijk en een post in het archief van Michiel de Ruyter bevestigt het marmertransport ten behoeve van de kapel.[50] Vermoedelijk heeft de positie van Van Beverningh als belangrijk diplomaat hierbij geholpen.

Op 4 juli 1669 volgt een brief aan de kapiteins Jan de Haen en Jacob Binckes waarin de Admiraliteit de ontstane situatie schetst[51]. In de brief wordt melding gemaakt van het feit dat marmer moet worden vervoerd ten behoeve van een ‘grafsteede’ voor Van Beverningh. Een deel daarvan is inmiddels door de kapiteins Scheij en Roeteringh meegenomen, maar het grootste deel zouden zij in Livorno hebben achtergelaten omdat de blokken te zwaar waren. De Admiraliteit geeft Jan de Haen en Jacob Binckes opdracht om de resterende steen te bekijken en te bepalen of zij de partij mee kunnen nemen.

Afbeelding 6. Schetsplattegrond van de Van Beverninghkapel met iets uit het midden de ingang tot de grafkelder (Henkjan Sprokholt)

Afbeelding 7. Tekening van de kapel uit Myne herinneringen van Gouda van mr. Huibert Griffioen van Waarder uit 1821

Op 1 oktober van dat jaar schrijft tussenpersoon Matheus Lestevenon vanuit Amsterdam aan Van Beverningh dat hem de zaterdag ervoor door de equipagemeester werd gemeld dat op die dag drie marmeren blokken moesten worden gelost.[52] Kennelijk was het gelukt het marmer naar Amsterdam te verschepen. Uit brieven blijkt ook dat enkele Goudse schippers hadden geoefend om blokken marmer in Amsterdam over te laden en een van die Goudse schippers had zich bereid verklaard om ze mee te nemen. Toen hij met zijn schip echter ‘aan boord van de oorlogschepen was geschooten’ en het grootste van de blokken marmer zag, keerde hij ‘met sijn schuyt te ruggen en wilde daer niet aen ende sonder ergens naar te luysteren’. Uiteindelijk sprak men met hem af dat hij de twee lichtste blokken mee zou nemen. Voor het grote blok moest een vlotschuit ofwel een plat schip worden gehuurd. De schipper had namelijk ook gezegd dat de kraan in Gouda niet in staat zou zijn om dat blok uit een smal schip zoals het zijne te takelen, maar dat dit vanaf een vlak en breed oppervlak moest gebeuren. De schrijver vermeldt overigens ook dat hij het marmer voor alle zekerheid had gemeten en gewogen en dat het zwaarder was dan aanvankelijk was doorgegeven. Het zwaarste blok woog volgens hem meer dan 5000 kilo. Wat betreft de vlotschuit: uit een rekening van 31 augustus van dat jaar blijkt dat deze al eerder is gehuurd voor het vervoer van drie blokken marmer. Er staan ook enige gerelateerde kosten vermeld zoals het lossen van de schuit en dergelijke. In een rekeningenoverzicht dat vanaf 31 augustus 1669 doorloopt tot in 1670 en waarin een opsomming is gegeven van de werkzaamheden voor de kapel, vinden we melding van het konvooi van de blokken marmer en de huur en het lossen van een vlotschuit.

Afbeelding 8. Een ontwerp voor de borstwering van het front van de kapel. De tekening wijkt af van de huidige situatie, het ontwerp is waarschijnlijk voor de realisatie gewijzigd (Henkjan Sprokholt)

Een volgende brief van Lestevenon aan Van Beverningh dateert uit het laatste kwartaal van 1669.[53] Lestevenon meldt dat hij voor de Amsterdamse vierschaar is gedaagd vanwege het feit dat voor de blokken marmer geen accijns was betaald aan de Admiraliteit van Amsterdam. Lestevenon had eerder begrepen dat voor ballast niet betaald hoefde te worden, maar nu blijkt dat daarvoor wel degelijk iets moest worden afgedragen.[54] Hij heeft voor deze zaak verschillende kopieën en extracten uit de griffie laten maken. Het is niet duidelijk hoe deze kwestie afloopt, maar ook dit vormt weer een vertragende factor in de toch al door tegenslagen geplaagde marmeraanvoer.

In een rekening van 12 mei 1670 worden nieuwe blokken marmer vermeld: dertien witte en twee blokken zwart marmer.[55] In het Streekarchief bevindt zich tevens een extract uit een missive van twee Hollandse handelaren in Livorno, Van Winckel en Van Weert. Het extract van juni 1670 meldt dat de zes kleinste blokken in twee rijen aan boord van het koopvaardijschip Sint Pieter zullen worden vervoerd.[56] De twee grootste blokken van deze partij pasten echter niet op dit schip: de masten liepen teveel risico en bovendien was het moeilijk de blokken aan wal te krijgen. Een ponton, een rechthoekige platte drijver, was nodig. De schrijvers vragen om aan Van Beverningh voor te stellen deze zwaarste blokken door te laten zagen zodat ze makkelijker kunnen worden vervoerd. Uit de brief van 21 juli 1670 van Mattheus Lestevenon blijkt dat hij deze vraag direct heeft doorgespeeld.[57] Op 7 augustus schrijft Lestevenon weer aan Van Beverningh en hij meldt dat hij het kleinste blok nog eens wil laten wegen ‘om uyt het labirint te geraecken’.

De rekening van 5 oktober 1670 die ondertekend is door Lestevenon, bevestigt de uiteindelijke gang van zaken.[58] Nog geen week later zijn de twee betreffende blokken gezaagd en nu is een van die blokken weer te klein (afb. 9).[59]

Afbeelding 9. Opgave van zaaginstructies (Henkjan Sprokholt)

In de brief wordt uitgelegd dat dergelijke grote stenen moeilijk passend uit de berg kunnen worden gehouwen. Daarom willen de ‘carareeremeesters’ niet zo nauw aan formaten gebonden zijn. Van Weert geeft van de drie blokken wederom de maten op en op 18 oktober van dat jaar schrijft hij dat hij, als Van Beverningh daarin toestemt, de blokken weer zal proberen terug te verkopen aan de verkoper. Uit een brief van Mattheus Lestevenon van 13 juli 1672 blijkt dat dit is gelukt.[60]

De zes blokken marmer zijn met het schip de Sint Pieter onder leiding van schipper Claes Gerritszn verscheept en één blok uit Genua met het schip Hollandia. Maar het leed is dan nog steeds niet geleden want op 15 juni 1671 schrijft Adriaan Poort, kapitein van het schip Utrecht vanuit Livorno dat bij aankomst bleek dat de twee blokken marmer die daar klaar lagen, heel zwaar en groot waren.[61] Poort heeft daarop bij Van Winkel geïnformeerd wanneer de ponton zou komen, maar die was er al twee jaar niet geweest. Toch zijn ook deze blokken in Gouda aangekomen en in de grafkapel verwerkt. Uiteindelijk kon de bouw van de kapel in 1674 worden afgerond.

Overigens werd niet alleen marmer vanuit Italië naar Gouda vervoerd. Uit meerdere archiefstukken blijkt dat Van Beverningh ook telkens grote hoeveelheden zaden, planten en bomen uit Italië mee liet komen voor zijn botanische collectie en tuin op zijn Warmondse landgoed.

Latere lotgevallen

Van Beverningh stierf kinderloos en gaf zijn neef Jacob van der Dussen de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de kapel.[62] Een eeuw later, in 1785, verkeerde de kapel in bouwvallige staat. In kranten werden nazaten van de familie Van Beverningh en Van der Dussen opgeroepen zich te melden, maar er kwam niemand. De kapel werd daarop gestut tot de restauratie in 1787 door meestertimmerman Abraham Willem van Kluyven.[63]

In 1795 werden de familiewapens van het front vernield en waarschijnlijk zijn toen ook de tombes verwijderd. De kapel werd daarna vooral als opslagruimte gebruikt en in 1859 werd in de westgevel van de kapel een toegangsdeur gemaakt naar de librije. Dit is nu de ingang van de kerkwinkel.

De gebrandschilderde glazen van de kapel werden in 1792 gerestaureerd. In 1862 kreeg de kapel nieuwe vensters en is het oorspronkelijke glas verwijderd. Stukken ervan werden in 1929 door de Goudse oud-burgemeester Mijs ontdekt in het museum. Glasrestaurator Jan Schouten restaureerde de glazen en ze werden herplaatst.

Bij het funderingsherstel van de kerk en de aanleg van de nieuwe verwarming, in 1975, werd de grafkelder geruimd en werden de stoffelijke resten van de Van Beverninghs in het koor herbegraven.[64]

Conclusie

Dit onderzoek betreft een klein en afgebakend onderwerp. Deze kleine geschiedenis van de grafkapel levert verschillende gegevens op die een belangrijke aanvulling vormen op onze kennis van de Nederlandse grafkunst uit de tweede helft van de zeventiende eeuw en de wijze waarop dit soort graven tot stand kwam. Het front van de Van Beverninghkapel in de Sint-Janskerk in Gouda komt in de literatuur over grafkunst niet voor, maar er hebben verschillende belangrijke meesters en diverse werklieden van naam en faam aan gewerkt. Het is goed mogelijk dat het front van de kapel is ontworpen door Pieter Post. Al vóór augustus 1668 moet er opdracht zijn gegeven voor het beeldhouwwerk, waarvan de daadwerkelijke uitvoering met zekerheid kan worden toegeschreven aan Bartholomeus Eggers. Artus Quellinus heeft waarschijnlijk het ontwerp voor het beeldhouwwerk van het interieur van de kapel geleverd. Jacob Roman was als beeldsnijder bij de totstandkoming betrokken en de lokale werklieden die voor de uitvoering werden ingeschakeld, waren tevens betrokken bij andere belangrijke bouwprojecten in Gouda zoals de Waag en de voorbouw van het Catharinagasthuis aan de Oosthaven.

Ten slotte vormt de gang van zaken rond de marmerhandel een interessante bevestiging van en aanvulling op eerdere publicaties over dit onderwerp, waarin de handelshuizen, tussenpersonen en de problemen die het vervoer van Carraramarmer met zich meebracht, worden beschreven. Het feit dat ook dergelijk zwaar materiaal in de oorlogsschepen van de Admiraliteit van Amsterdam werd vervoerd en deze instantie daarmee een bijdrage leverde aan deze commerciële handel, is zo’n interessante aanvulling. Het hele proces van ontwerp, aanvoer van materialen en de uiteindelijke uitvoering geven een fraaie kijk op het ambitieniveau van deze opdracht, waarbij hoog werd ingezet om recht te doen aan de status en het niveau dat Van Beverningh gedurende zijn loopbaan had bereikt. Vooral de moeite die werd gedaan om toch het begeerde marmer uit Carrara te verkrijgen is hierbij opmerkelijk.

Afbeelding 10. Ansichtkaart van onbekende datum. Voor de grafkapel is een ruimte door een hek afgescheiden van de kooromgang


Referenties


1. Sinds 1964 fungeert de kapel als toeristeningang van de kerk.

2. De twee eerstgenoemde grafmonumenten zijn van de hand van Rombout Verhulst en dat in Den Haag van Bartholomeus Eggers.

3. Streekarchief Midden Holland (SAMH), Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 1-6.

4. P.H.A.M. Abels, ‘Voor de vrijheid en tegen Oranje’ in: P.H.A.M. Abels e.a., Duizend jaar Gouda. Een stadsgeschiedenis, Hilversum 2002, 323-326. J. Schouten, Wie waren zij. Een reeks van Goudse mannen en vrouwen die men niet mag vergeten, Alphen aan den Rijn 1980, 99-104. P.D. Muylwijk, ‘Hieronymus van Beverningh’, in: Vierde verzameling bijdragen, Oudheidkundige Kring ‘Die Goude’ 1943. Het is onbekend waar Hieronymus van Beverningh in Gouda woonde.

5. Abels 2002 (noot 4).

6. H. van Dolder-de Wit, De St. Janskerk in Gouda. Mensen en monumenten in een oude stadskerk, Delft 2013, 92-93. Uit de vertaling van de tekst op het zwarte ovaal in het midden van het front van de kapel blijkt zijn status: ‘De zeer vermaarde en adellijke man Hieronymus van Beverningh, burgemeester van Teilingen, senator, rechter, raadslid van Gouda, tijdens de zitting van het oppermachtige college algemeen assessor, tevens vaak ook buiten de orde om, aan het hoofd van de schatkist van de gemeenschappelijke Nederlandse Federatie, curator van het Lyceum der Bataven, helper bij het besturen van het gebied in Spanje en de Nederlandse Bond, als legaat aan het leger toegevoegd. Door Willem III in het leger gestuurd naar Westminster, Cleef, Breda, Aquisgranum (Aachen), Brussel, Madrid, Keulen, Nijmegen, eveneens naar de Gallische koning, die zijn legerkamp had in Wettera Morinorum, met volmacht om de zaken te regelen. Gezonden weliswaar naar de Keizer, als aangewezen woordvoerder nooit teruggekeerd, tenzij de zaak voltooid was. Bovendien over zaken van het grootste gewicht thuis, omtrent het voorbereiden van vriendschappen en het sluiten van verdragen in het buiten land, overal door de vaderen van het vaderland op gelukkige wijze geraadpleegd. Geboren te Gouda 25 april 1614, gestorven te Teilingen 30 oktober 1690, verzadigd van eer. Hij ligt begraven in dit grafmonument, met de voortreffelijke deelgenote van zijn leven en lotgevallen, Johanna le Gillon, geboren te Amsterdam 11 mei 1635, gestorven 17 september 1706. Wij allen zijn voorbestemd voor de dood.’

7.P.J.J. van Thiel, C.J. De Bruyn Kops, Framing in the Golden Age: Picture and frame in the 17th-century Holland, Zwolle 1995.

8. J.A. Worp, Constantijn Huygens, Briefwisseling. Deel 6: 1663-1687 Den Haag 1917.

9. SAMH, AC 566/ 318. Onder leiding van Van Beverningh werd het houten gewelf hersteld en door beeldsnijder Pieter Janszn Oosterlach verrijkt met rozetten. Beeldhouwer Jan van Parijs maakte drie kruisvensters en zogenaamde ovalen. Het geheel werd afgerond met verguldwerk door Aernt Pietersz Schiltman en een tegelvloer met blauwe en witte tegels.

10. I. Walvis, Beschrijving der stad Gouda (2 dln), Leiden 1714, 314.

11. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372 en het Koninklijk Huisarchief, Verzameling Schotel, G 6 – AI – nr. 3. Willem van Blois van Treslong was nazaat van Jan van Blois, de laatste stadsheer van Gouda.

12. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. Er zijn enkele opgaven die de totale uitvoering in verschillende soorten steen vergelijken, maar ook combinaties: ‘desen begraafnis sal koemen te kosten ast sal ghemaeckt woorde alte mael van witte maarmer naer volgen sijn proposie …’ ‘Nae volgen het besteght van breemer steen daer de kinderen van maarmer sullen sijn soo waapens doosaode (doodshoofden) viesstonne (festoenen) quartiere soo het noovael (ovaal) sal koemen tkoste 12839. ‘Na van aandt den ba/onte alles daer bij van wittmaarmer ghelijkck sal zijn bij den breemer sal kosten 13679. Desen tuijn van de kappels sal koemen te kosten soo het beltwerck alst sieraet dat daer aen komt ende steen Houwerij ende met saaghen met schueren ende versoeten daer bij te leeveren met het noovael van swaarten stuetsteen …’

13. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. Brief van Eggers aan Hieronymus van Beverningh uit Amsterdam d.d. 7 augustus 1668 ‘Hier neffens sende U Edele een memorie der blocken die noodich souden wesen soo tot het werck der model onder mij berustende als op de Capelle binnen te becleeden als om UE ende huysghesiens beeltenis af te maaken,…’

14. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. Brief van Dirck Tulp d.d. 15 oktober 1669 uit Amsterdam. Dirck Tulp was een van de bewindhebbers van de VOC en zoon van de door Rembrandt van Rijn geportretteerde professor Nicolaes Tulp. In zijn brief meldt hij ‘... Sedert becomen van Quilinus sijn concept heeft aende deuren twee duijm genoomen soo dat nu allis in zijn teukeningh is geobseerveert wat aaengaet de Ornamenten en ciercels heeft die geteukent maer heeft overslagh gemaeckt dat als allis vande beste marmer en andere fragieleden souden wesen …’

15. P. Vlaardingerbroek, Het Paleis van de Republiek. Geschiedenis van het stadhuis van Amsterdam, Zwolle 2011, 103; F. Scholten, Artus Quellinus, Amsterdam 2010, 5.

16. Vlaardingerbroek 2011 (noot 15), 103.

17. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. ‘Ick soude UE een memorij soe veel het affegietsel vande capel tot de begraving soude omtrent comen te kosten, h(a/o) tre ue mijn ten goede sal gelieven aftenemen dat ick de teijckeningen hier nevens niet en sende maer heb die gehouden om dat ick daer enige boetseersals van de cieraden na maeck om in UE te tonen hoe twerck gemack soude werden de lijsten sijn of eed ach wercken maendach eijndighende blijven mijn heer dienstwilligen dienaer Jacob Roman.’ F. Scholten, Sumpteous memories. Studies In Seventeenth-century Dutch Tomb Sculpture, Zwolle 2003, 52-64. Het model in klei of was is vaak bedoeld als maquette van het beeldhouwwerk. Uit de stukken blijkt dat in het geval van de Van Beverninghkapel een aantal onderdelen ‘eerst moiten in kley geboetseert werden om het werck ten besten cieraden uyt te wercken’.

18. SAMH, Memoriaal van Sinte Catharinen en Elijsabets Gasthuijsen, inv.nr. 728. f261 vso. De voorbouw van het Catharinagasthuis aan de Oosthaven is in het verleden door meerdere auteurs op stilistische gronden aan Pieter Post toegeschreven. In de bronnen van het Catharinagasthuis is echter over de verbouwing weinig terug te vinden. Dat kan worden verklaard uit het feit dat hiervoor een aparte administratie werd bijgehouden: ‘gebracht onder uitgeef int Nieuwe Boeck van de opbouwinge vant nieuwe gasthuys’. Daarin moet de bouw uitvoerig zijn vastgelegd en zal de naam van de betrokken bouwmeester hebben gestaan. Helaas is dit boek verdwenen. J.J. Terwen en K.A. Ottenheym, Pieter Post (1608-1669). Architect Zutphen 1993, 190 en noot 657

19. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2.

20. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. ‘Dogen het cieraid op het middelste uitstekende deel in no 1 onder I aengeweesen dair van sal het genegen daer het schrift op sal comen swarte toetsteen soude van witte marmer comen gemaackt worden desgelijcks de wapens ende die cieraden die no 1 met de letteren K ende L aengeweesen oock de off hangende phestoens onder de dootshoofden als meede de dootshofden Ende de kinderkens, de Pot (vaas) ende de cieraden boven het middelste uytsteck. De Cranssen van lauwerier om de doorshoofden als de Coren Aren uyt de gemelde hooffden soude connen van Coper gemaakt wirden als mede de torsen die de kinderkens houwden alles om lughteger ende stercker werk te maken desgelijckx oock van coper de spille in de houten deuren.’

21. Onbekend is wanneer de schilderingen van de wapens in grisailleverf zijn aangebracht.

22.SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372, 2. ‘Twee belde met konterfessels over het staende ieder belt duijssent gulde 2000 en ‘Twee belde liggen mit ... konterfessels ieder achaondertijl’ en ‘ick hebbe alhyer een seer bequam stuck marmer gevonden om de 2 feguren tot de tombe van de heer van Beverninck te maken…’

23. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372, 2. Aanhangsel bij brief van Pieter Luijck uit Amsterdam d.d. 12 januari 1673. ‘Ick hebbe alhyer een seer bequaem stuck marmer gevonden om de 2 feguren tot de tombe van de heer van Beverninck of te maken … ‘

24. Toeristische gidsen met daarin de bezienswaardigheden van de stad geven vaak aanwijzingen over het uiterlijk van dergelijke grafmonumenten en hieruit had mogelijk kunnen worden gedestilleerd wanneer de tombes zijn verwijderd. Zowel enkele grafmonumenten van de hand van Rombout Verhulst, als dat van Jacob van Wassenaer Obdam in Den Haag van Eggers, zijn opgenomen in dit soort gidsen. Maar van Gouda zijn dergelijke gidsen niet bewaard gebleven en in de wel behouden gidsjes voor de Goudse glazen wordt met geen woord gerept over andere bezienswaardigheden in de kerk.

25. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 3. De Goudse glasschilder Dani.l Tomberg wordt vermeld als ‘daniel tombergin’ met betrekking tot ‘het schilderen en backen van de glaes inde cappelle’. Tomberg was een bekende (glas)kunstenaar, maar hij is in 1661 overleden. Mogelijk werd zijn zoon Willem bedoeld die eveneens glasschilder was.

26. Een Rijnlandse voet mat 31,4 cm en bevatte 12 duim.

27. Zo meet de middenrisaliet 48 duim, wat overeenkomt met 120√2-120. De hoogte van de pilasters is het dubbele: 96d. De verhouding tussen de breedte (25,6d) en de hoogte van de pilasters komt met een afwijking van 2d in de buurt van de door Scamozzi voorgeschreven ratio 1:8., daarbij rekening houdend met een, eveneens door hem voorgeschreven, versmalling van de pilaster met 7/8 t.o.v. de oorspronkelijke zuil. Voor een verdere analyse van het architectonisch ontwerp zijn meer en nauwkeuriger meetgegevens nodig. Op het moment van schrijven was dat in ieder geval niet mogelijk vanwege de voorbereidingen voor funderingsherstel in het koor. Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 217.

28. P. van Dael, ‘Graven in oude Hollandse kerken’, in: Bulletin Stichting Oude Hollandse Kerken (2011), 4-35; F. Scholten, Artus Quellinus, Amsterdam 2010, 15.

29. SAMH, AC 372/ 2. Besteck omer de capel z.d.: ‘… noch inde de vormen vinden vant werck dat voor deesen gemaickt is gelijck alhier van de capelle vande Burgemeester de Graeff soo de proportie niet al te licht en viele ofte wel van eenigh ander werck indien men sich aen het fatsoen niet en hout.’

30. Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 34.

31. Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 23.

32. F. Scholten, Artus Quellinus, Amsterdam 2010; Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 182-183.

33. Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 32.

34. Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 130-139. Abraham Van Beveren had in 1643 twee huizen gekocht aan de Wijnstraat in Dordrecht om ze te laten ver- vangen door een breed woonhuis en liet hiervoor aanvankelijk ontwerpen maken door Arent van ’s-Gravesande. Pieter Post nam de opdracht echter al snel over en aan de Wijnstraat verrees een imposant woonhuis in Hollands Classicistische stijl.

35. Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), noot 652.

36. J. Smink, ‘De bouw van de Goudse waag’, in: Tidinge van die Goude 16 (1998), 65-74

37. I. Walvis, Beschrijving der stad Gouda (2 dln), Leiden 1714, 100 en 314.

38. Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 185-192 en noten 652-655. Voor het reli.f van de Goudse waag was een apart bestek opgesteld waarin onder meer was bepaald dat Eggers de maten moest aanhouden zoals die in het schetsontwerp van Pieter Post waren vastgesteld. De invulling zou volgens het goedgekeurde ontwerp van Eggers zelf worden uitgevoerd. Door het stadsbestuur werden daarbij enkele randvoorwaarden meegegeven zoals de aanwijzing dat de koopman in de voorstelling de grootste figuur moest zijn. In 1657 ontwierp Pieter Post de Leidse waag en daar werkte hij op dezelfde manier. Het reli.f van de Leidse waag is van de hand van Verhulst, maar uit de ontwerptekeningen van Post voor het gebouw blijkt dat deze hiervoor een schetsontwerp van Post als uitgangspunt moest nemen. In tegenstelling tot gewone steenhouwers die zeer precies naar de ontwerpen van de architecten moesten werken, kregen beroemde beeldhouwers zoals Verhulst en Eggers kennelijk een schetsontwerp van de architect dat zij vervolgens naar eigen inzicht tot een definitief ontwerp mochten uitwerken.

39. Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18), 12.

40. Voor dit algemene overzicht is gebruik gemaakt van F. Scholten, ‘De Nederlandse handel in Italiaans marmer in de 17e eeuw’ in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 44 (1993), 198 e.v.

41. Als dit marmer werd toegepast dan was dat vooral in de bouwkunst zoals voor de zwart-witte tegelvloeren die op zoveel zeventiende-eeuwse schilderijen te zien zijn.

42. Scholten 1993 (noot 40). Livorno werd rond het midden van de zeventiende eeuw de voornaamste haven voor de Nederlandse straatvaart. De handel betrof aanvankelijk voornamelijk Oosterse specerijen, linnen, verfstoffen en Leidse saai.

43. Vlaardingerbroek 2011 (noot 15), en Scholten 1993 (noot 40), 197-214, 206-207. Een van de gevolgen van de handel in marmer was een bloeiende verwerkingsindustrie in Amsterdam. De steenmeters hadden bijvoorbeeld veel werk. Zij gebruikten een lijst met de meest gangbare soorten steen en hanteerden een bepaald tarief voor het meten. Ook zijn steenslijpmolens en zaagmolens voor marmeren bouwonderdelen actief. Dit wordt bevestigd door de stukken over de Van Beverninghkapel. Uit de prijsopgaven van Eggers bijvoorbeeld blijkt dat wordt gewerkt met standaardprijzen en -maten (palmen en voeten). SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 2. In de stukken bevinden zich instructies voor het zagen van de blokken marmer.

44. Scholten 1993 (noot 40), 205.

45. Scholten 1993 (noot 40), 208.

46. Scholten 1993 (noot 40), 200. In 1622 probeerde zijn zoon Pieter de Keyser vergeefs een vergoeding voor het verloren gegane marmer te krijgen.

47. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

48. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

49. J.R. Bruijn, De admiraliteit van Amsterdam in rustiger jaren 1713-1751. Regenten en financiën, schepen en zeevarenden, Amsterdam 1970, 75.

50. Nationaal Archief, 1.10.72.01, inv.nr. 155. Inventaris van het archief van Michiel de Ruyter (1607-1676) en enige verwanten. Copie – extract resolutie van de Admiraliteit van Amsterdam, waarbij de kapitein Binkes of een andere scheepsbevelhebber te Livorno zijnde of aldaar komende gelast wordt in zijn schip het marmer in te laden dat voor rekening van den heer van Beverning aldaar is gekocht. Maart 1674 1 stuk.

51. N. Habermehl, ‘Jan den Haen (1630- 1676) Goudse zeeheld zonder praalgraf’, in: Tidinge van die Goude 24 (2006), 84-88. Jan den Haan was kapitein voor de Admiraliteit van Amsterdam en schout bij nacht. Hij heeft met zijn heldhaftige optreden een aantal keren de Nederlandse vloot voor de ondergang behoed en volgde Michiel de Ruyter op na diens dood in april 1676. Zelf overleed Den Haen een maand later.

52. Mattheus Lestevenon was een regent in Amsterdam en gelieerd aan de families le Gillon en Van der Dussen. Hij was getrouwd met Elisabeth Backer en in die familie werd veel getrouwd met de familie le Gillon. Zijn verwant Daniel Lestevenon was vanaf 1688 lid van de Goudse vroedschap. Zie: www.historici.nl.

53. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4. De maand is niet goed leesbaar, het gaat om de achttiende dag van oktober, november of december1669.

54. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4. J.R. Bruijn, De admiraliteit van Amsterdam in rustiger jaren 1713-1751. Regenten en financiën, schepen en zeevarenden, Amsterdam 1970, 73. De Admiraliteiten inden zogenaamde convooien en licenten, een soort in- en uitvoerrechten. De inning en het beheer hiervan was al sinds het einde van de zestiende eeuw bij de admiraliteitscolleges neergelegd. Voor de colleges was het een vaste bron van inkomsten. De eerder vermelde brief van Lestevenon van 1 oktober 1669 eindigde met de vermelding dat men hem had verzekerd dat door de stadhaven dus de Admiraliteit van Amsterdam, niets zou worden gevorderd.

55. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

56. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4. Schipper was Claes Gerretszn en het schip voer onder konvooi van commandeur Marrevelt.

57. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

58. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

59. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4. Dit blijkt uit een extract van een brief van Van Weert in Genua van 11 oktober 1670.

60. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 4.

61. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, C 372/ 4.

62. SAMH, Archief Van der Dussen (1571) 1666-1817, AC 372/ 6. P.J.J. van Thiel, C.J. De Bruyn Kops, Framing in the Golden Age: Picture and frame in the 17th-century Holland Zwolle 1995, 288. Jacob van der Dussen stierf eerder dan Johanna le Gillon en waarschijnlijk heeft zijn zoon Gerard van der Dussen de verantwoordelijkheid voor de kapel overgenomen.

63. H. van Dolder-de Wit, De St. Janskerk in Gouda. Mensen en monumenten in een oude stadskerk, Delft 2013, 89.

64. Tijdens het funderingsherstel is geen archeologisch onderzoek verricht en het is onbekend of er funderingen voor de tombes zijn aangetroffen.






Copyright (c) 2015 Bulletin KNOB