Omslagafbeelding

De bouwgeschiedenis van het transept en het schip van de Utrechtse Dom. Een nieuwe methode voor reconstructie op basis van de bouwrekeningen

Pepijn van Doesburg

Samenvatting


The financial administration for the construction of the Utrecht Cathedral has never been thoroughly analysed in the context of its building history, even though the records of the building period of the transept and the no longer extant nave were preserved almost completely. There are relatively few accounts entries that reveal, without additional context, what materials were used for or what work was exactly done. In the end, however, there were enough clues to enable an almost complete reconstruction of the building chronology of both transept and nave of the ‘Dom’.

To achieve this, we used three principles. The ‘heading method’ makes it possible to interpret ambiguous items by looking at a number of other, explicit items in the accounts. For instance, one stage in the building of the nave was reconstructed on the basis of a number of quite explicit items. Then, by ‘adding up clues’ a plausible order of construction can be established by combining a number of less explicit items. The three north chapels in the nave were dated quite accurately with this method. Finally, there is the principle of ‘confirmation’. For instance, the building period of the north chapels in the nave was confirmed in multiple ways, while that of the south chapels is confirmed by the type of stone that was used.

There are many ways to obtain and apply additional information. The building sequence of the clerestory, for instance, was determined by comparing the amount of ironwork that was delivered; analysis of the amounts of mullions that were delivered helped in dating the large transept windows; and the transept’s northern fa.ade may possibly be dated by looking at the number of cornerstones of the buttresses.

Studying the building administration can also offer insights into the building practices in the Middle Ages. We found that the windows of the clerestory were filled up gradually. And, contrary to current ideas, the amount of stone that was prepared at the quarry decreased significantly, after an initial increase. Another striking find is the regular involvement of master craftsmen from the city of Nijmegen in the tenders for the roof constructions.

The building itself provides useful information as well for determining the chronology of the construction. For instance, the vertical sutures in the west wall of the transept suggest that this wall could only have been built after the remnants of the Romanesque transept had been demolished. In some cases, the accounts offer an explanation for irregularities in the construction. For instance, the addition of the side chapels in the nave turns out to have taken place while master builder Jacob van der Borch was still in charge. Because authors before us did not take into account the fact that building materials were sometimes stored for years before they were used, incorrect conclusions may have been drawn about the starting date of the construction of the transept’s west wall and the demolition of the Romanesque nave.

Some questions still remain, however. For instance, how are we to picture the thatched roof over the middle nave that was under construction for three years from 1505 onward? And what has happened to the stone that was delivered for the flying buttresses of the nave?


Volledige tekst:

PDF

Referenties


Met dank aan Martin de Bruijn, Sjoerd van Geuns, Arie de Groot, Frans Kipp, Hans de Man, Hendrik-Jan Tolboom en Herre Wynia. De fabrieksrekeningen worden bewaard in Het Utrechts Archief, Domkapittel 216, inv.nr. 651 en zijn voor de periode tot 1525 uitge­geven als de drie stukken van het tweede deel in de serie Bronnen tot de bouwgeschiedenis van de(n) Dom te Utrecht onder redactie van N.B. Tenhaeff (eerste stuk, Den Haag 1946) en W. Jappe Alberts (tweede en derde stuk, Den Haag 1969 en 1976).

W.H. Vroom, De financiering van de kathedraalbouw in de middeleeuwen, in het bijzonder van de dom van Utrecht, Maarssen 1981; A. de Groot, De Dom van Utrecht in de zestiende eeuw. Inrichting, decoratie en gebruik van de katholieke kathedraal, Utrecht 2011 (oorspronkelijke dissertatie 2006); R. de Kam, F. Kipp en D. Claessen, De Utrechtse Domtoren. De trots van de stad, Utrecht 2014, 69-93.

Vroom 1981 (noot 2), 230: ‘Slechts rekeningen van kathedraalfabrieken als die van Milaan, Exeter en Troyes kunnen de vergelijking met die van de Utrechtse dom in dit opzicht doorstaan.’

Voornamelijk F.J. Nieuwenhuis, De Dom te Utrecht, Den Haag 1902; A.W. Weissman, ‘De Domkerk te Utrecht’, Oud-Holland 23 (1905), 197-221; S. Muller, De Dom van Utrecht, Utrecht 1906, 1-7; E.J. Haslinghuis en C.J.A.C. Peeters, De Dom van Utrecht, Den Haag 1965, 332-334, 336-344; T. Haakma Wagenaar, Cursus Kennisoverdracht Dom, Utrecht 1978-1980 (typescript), 95-98; De Kam, Kipp en Claessen 2014 (noot 2), 207-216; 453-457. Laatstgenoemde auteurs gaan in hun betoog grotendeels aan de bouw van transept en schip voorbij; hun chronologie op p. 453-457 is grotendeels gebaseerd op oudere literatuur. Wat zij zelf toegevoegd hebben strookt vaak niet met mijn bevindingen.

Eerdere auteurs kwamen er wat betreft deze bouwfase niet uit. Zie Nieuwenhuis 1902 (noot 4), 9; Weissman 1905 (noot 4), 216; Muller 1906 (noot 4), 6; Haslinghuis en Peeters 1965 (noot 4), 333 en 342.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 317.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 259.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 221. Dergelijke deksteen is bij het triforium nog in situ.

Namelijk 123 plus 251◊ voet.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 299. De roeden werden aangebracht ter versterking van het triforium. In de­zelfde tijd, van omstreeks 1488 tot 1490, kwam het muurwerk van de brugkapel tussen het schip en de Domtoren tot stand.

Weliswaar waren rietdaken al sinds 1396 door het stadsbestuur verboden, maar blijkbaar kon het Domkapittel binnen zijn immuniteit zijn gang gaan. Zie F. Kipp, ‘Water en vuur. Brandpreventie en het middeleeuwse dak’, in: H.L. de Groot (red.), Het vuur beschouwd, Utrecht 1990, 87.

Dergelijke kleine bakstenen werden normaal gesproken niet gebruikt voor de opbouw van zwaar muurwerk.

Zie de post uit januari 1492, ‘Spronck die straetmaker heeft ghestraet dair mijn Here van Utrecht [de bisschop] in ryden sell in die kerck om misse the horen’. Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 328.

Haslinghuis en Peeters 1965 (noot 4) noemen zowel 1508-1512 (p. 333), ge­baseerd op Nieuwenhuis 1902 (noot 4), 9, als 1505-1515 (p. 343), gebaseerd op Muller 1906 (noot 4), 7, hoewel Muller terecht schrijft: ‘In 1505 werd reeds een lantaarn opgehangen in het noordportaal [`] zoodat toen de bouw daarvan moet zijn afgeloopen.’ Beide dateringen zijn sindsdien herhaald. De Groot 2011 (noot 2), 89 veronder-stelde daarentegen een wijding van de noordkapellen in 1498.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 380.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 435.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 495.

Daktegels zijn rechthoekige, platte gebakken kleitabletten.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 522.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 549.

Tussen 1491 (voltooiing zijbeukpijlers) en 1499 (voltooiing steenwerk noord­kapellen) werd zo’n 18.500 voet Bent­heimer zandsteen geleverd. In deze periode kwamen ook de nieuwe librije en de Domproostenkapel tot stand en werd het grote kapittelhuis verbouwd, maar aan die onderdelen kwam niet bijzonder veel Bentheimer te pas. Wel werd mogelijk de westgevel van het middenschip hoger opgetrokken. Ter vergelijking: tijdens de bouw van het steenwerk van de zuidkapellen, van 1500 tot 1504, werd negenduizend voet Bentheimer geleverd.

De kam vóór de venstertop van de brugkapel werd herhaald voor de venstertop van het noordelijke binnenportaal, de balustrade op de traptoren in de oostelijke noordkapel was hetzelfde vormgegeven als de latei van de onderdoorgang van het westportaal, de balustrades van de bovenkapellen waren identiek aan die op de brugkapel, de cirkel met vier kleine driepassen in de zwikken van de brugkapel werden herhaald in de venstertracering van de oostelijke bovenkapel en de vorm van de blinde traceringen op de zijwanden van de westelijke noordkapel was mogelijk identiek aan de die van de tracering in de onderdoorgang van het westportaal.

De datering ‘1492-1501’ voor de zuid­kapellen bij Haslinghuis 1965 (noot 4), 333, overgenomen door De Kam, Kipp en Claessen 2014 (noot 2), 455, berust op een curieuze lezing van een bericht over werk aan de keuken van Domdeken Van Veen in 1492, geïnterpreteerd als werk aan de hoeken van de middelste zuidkapel die genoemd is naar deze Domdeken (zie Haslinghuis en Peeters 1965 (noot 4), 290). Voor de perikelen die aan de bouw van de zuidelijke kapellen voorafgingen zie P. van Doesburg, ‘Woekeren met de ruimte. Nieuw licht op de middeleeuwse plannen voor zuidwaartse voltooiing van het Domschip te Utrecht’, Bulletin KNOB 111 (2012) 3, 133-141.

Respectievelijk ‘4 roeden min 36 voet aerduyn’, 76 voet Naamse steen ‘totten syemt int frie’ en tufsteenbewerking van december 1501 tot februari 1502, zie Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 518, 544, 573-574. Waarschijnlijk kwam elders geen tufsteen als buitenbekleding van het schip voor.

Jappe Alberts 1976 (noot 1), deel 3, 43.

Jappe Alberts 1976 (noot 1), deel 3, 79, 81.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 112, 120.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 218.

De huidige situatie wijkt waarschijnlijk niet veel van de oorspronkelijke af, als we mogen uitgaan van de situatie op de tekening van Lamsweerde (afb. 3).

Van 1470 tot 1477 werd naast de inhoud ook vaak het aantal geleverde blokken Bentheimer zandsteen in de rekeningen vermeld. In totaal gaat het om 812 stukken bloksteen van bij elkaar 6801√ voet en 875 stukken verschikt steen van 5879√ voet. Gemiddeld waren de stukken dan respectievelijk 8,4 en 6,7 voet groot. De stukken Engelse steen waren ‘omtrent 4 voet’, Tenhaeff 1946 (noot 1), deel 1, 406.

Kipp 1990 (noot 10), 93-95.

‘diversis viminibus et virgis’, Tenhaeff 1946 (noot 1), deel 1, 559.

Zie over deze geschonken vensters De Groot 2011 (noot 2), 258.

R. Meischke, De gotische bouwtraditie. Studies over opdrachtgevers en bouw­meesters in de Nederlanden, Amersfoort 1988, 68-69, 75-76; M. Hurx, Architect en aannemer. De opkomst van de bouwmarkt in de Nederlanden (1350-1530), Nijmegen 2012, 111-114.

Meischke 1988 (noot 34), 88-89; De Kam, Kipp en Claessen 2014 (noot 2), 201. Het idee is wellicht afkomstig van Muller 1906 (noot 4), 8.

Bentheimer zandsteen bleef ook tijdens de bouw van het schip sterk domineren. Het is onwaarschijnlijk dat partijen verschikte steen verborgen waren in de ongespecificeerde leveringen Bentheimer steen die tijdens de bouw van het schip aankwamen, aangezien de prijs van verschikt werk duidelijk hoger was.

Een aparte categorie vormt de Naamse steen, die voor specifieke doeleinden gebruikt werd, zoals gootsteen, trap­treden of drempels. Deze steen was doorgaans ook op maat gehakt, maar zelden geprofileerd.

Dodt van Flensburg (red.), ‘Het Utrechtsche Buurspraeckboeck, dienstbaar gemaakt aan de geschiedenis der beschaving’, in: Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht, 5 (1846), 117-118.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 200.

T.J. Hoekstra, ‘De dom van Adelbold II, bisschop van Utrecht (1010-1026)’, in: A.C. van Esmeijer e.a. (red.), Utrecht, kruispunt van de middeleeuwse kerk, Zutphen 1988, 105 afb. 15.

Zie ook Haakma Wagenaar 1978-1980 (noot 4), 103.

T. Haakma Wagenaar, ‘Bouwhistorische begeleiding. Domkerk’, in: Restauratie vijf hervormde kerken in de binnenstad van Utrecht, Jaarverslag 7 (1982/1983/1984), Utrecht 1986, 104-105; De Kam, Kipp en Claessen 2014 (noot 2), 207.

Dat blijkt uit de betaling voor ‘certis lignis, videlicet: plancke, sperren et aliis, dair die bogen op staen’, Tenhaeff 1946 (noot 1), deel 1, 535, een post die niet op een andere bogenrij betrekking lijkt te kunnen hebben.

Haakma Wagenaar 1978-1980 (noot 4), 96 en 98; De Groot 2011 (noot 2), 16; zeer recentelijk De Kam, Kipp en Claessen 2014 (noot 2), 209 en 212. Als gevolg hiervan lijkt de door de laatsten voor­gestelde fasering van de pijlerbouw van het gotische schip dan ook in tegenspraak met de door henzelf in p. 488 noot 99 genoemde archeologische bevindingen.

Dit blijkt ook uit de eerder genoemde bouwnaad in de westwand van het noordtransept.

Overigens is het niet uitgesloten dat tegelijk ook al een klein gedeelte van het romaanse schip werd afgebroken.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 742.

Jappe Alberts 1969 (noot 1), deel 2, 191.

Jappe Alberts 1976 (noot 1), deel 3, 285, 294.

Jappe Alberts 1976 (noot 1), deel 3, 322. De lichtbeuk van het schip was allang voltooid en verder vielen er voor zover na te gaan ook geen bogen te metselen.

De Kam, Kipp en Claessen 2014 (noot 2), 269-270 twijfelen aan het oorzakelijk verband, maar daarover zal het laatste woord niet gezegd zijn.




DOI: http://dx.doi.org/10.7480/knob.113.2014.4.849



Copyright (c) 2015 Bulletin KNOB