https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/issue/feed Bulletin KNOB 2020-09-17T16:00:44+02:00 Kees Somer, hoofdredacteur/Editor-in-chief info@knob.nl Open Journal Systems <p>Het <em>Bulletin KNOB</em> is een wetenschappelijk tijdschrift op het terrein van het ruimtelijk erfgoed dat vier keer per jaar verschijnt en in binnen- en buitenland als belangrijke kennisbron wordt erkend.</p> https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/692 De stad als vaderland Brugge 2020-09-17T15:37:56+02:00 Gabri van Tussenbroek info@knob.nl <p>Boekbespreking van een boek van&nbsp;Tymen Peverelli</p> 2020-09-17T00:00:00+02:00 Copyright (c) 2020 Gabri van Tussenbroek https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/694 ‘Want de grond behoort ons allen toe’ 2020-09-17T16:00:44+02:00 Isabel van Lent info@knob.nl <p>Boekbespreking van een boek van&nbsp;Hanneke Oosterhof</p> 2020-09-17T00:00:00+02:00 Copyright (c) 2020 Isabel van Lent https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/688 Een postmoderne Mendini in Amsterdam 2020-09-16T16:18:39+02:00 Eva de Bruijne info@knob.nl <p>In oktober 2018 deden medewerkers van Monumenten en Archeologie Amsterdam (MA) een bijzondere ontdekking in een monumentaal pand aan de Recht Boomssloot 41 in Amsterdam. Op de begane grond troffen zij een relatief onbekend interieur aan van de Italiaanse architect-ontwerper Alessandro Mendini (1931-2019) uit 2001. Het betreft de voormalige woning van oud-directeur van het Groninger Museum Frans Haks (1938‐2006), die na zijn directeurschap in 1996 met zijn partner Johan Ambaum (1931-2018) verhuisde naar het pand. De begane grond werd door Mendini aangepast en uitgebreid met een serre-aanbouw aan de achterzijde. Haks woonde hier tussen zijn hedendaagse kunstverzameling. Ambaum woonde op de eerste verdieping tussen zijn negentiende-eeuwse kunst.</p> <p>Na het overlijden van Ambaum in januari 2018 als laatste bewoner van het appartement kwam het via de Stichting het Rijksmuseum Fonds in handen van het Rijksmuseum. Ambaum had dit fonds aangewezen als enige erfgenaam met als doel de aankoop van toegepaste kunst en nijverheid uit de negentiende en twintigste eeuw voor de Rijksmuseum collectie. Wanneer de nalatenschap de museumcollectie niet zou versterken, diende deze te worden verkocht ten behoeve van het fonds. Dit was het geval bij het appartement dat in de verkoop werd gedaan. Omdat het pand waarin het appartement zich bevindt vanwege de geveltop een rijksmonument is (monumentnummer 646), dienden de verbouwingsplannen te worden voorgelegd aan MA. Toen de medewerkers in oktober 2018 bij hun bezoek aan het pand daarin onverwacht het Mendini-interieur aantroffen, werden de plannen afgekeurd.</p> <p>Op 26 februari 2019 – acht dagen na het overlijden van Mendini – werd het appartement opnieuw bezocht, deze keer samen met conservator twintigste-eeuwse kunst en senior conservator meubelen van het Rijksmuseum en de senior specialist historische interieurs van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het doel was een waardebepaling te maken met het oog op herbestemming. De interieurafwerking kreeg een hoge monumentenwaarde toegekend vanwege de structuur, de ruimtewerking, de interieurafwerkingen en de zeldzaamheid. Dit laatste bezoek en het besef van het gebrek aan kennis over het interieur vormden de aanleiding voor het onderzoek waaruit dit artikel is voortgekomen.</p> <p>Op basis van literatuur- en archiefonderzoek en <em>oral history</em> schetst dit artikel de geschiedenis van het interieur en wordt het belang ervan aangetoond. Na een beknopte introductie van opdrachtgever Haks, ontwerper Mendini en hun relatie, volgt een analyse van het kleurrijke interieur waarin de ontwerp overwegingen worden geduid. <br>Het interieur moest een passend decor vormen voor Haks’ kunst- en design verzameling. Bovendien moest de vormgeving theatraal zijn, passend bij Haks’ uitbundige manier van leven. Het overbewustzijn van het kunstmatige karakter, de overdrijving als <em>style statement</em> in het gebruik van heldere kleuren en vormen, de glamour en de ironie geven het interieur een zelfbewuste neo-kitscherige lichtvoetigheid, beter aangeduid als camp. Tot slot wordt het interieur gesitueerd binnen de architectuurhistorisch interessante interieurkunst uit de periode na 1965.</p> 2020-09-17T00:00:00+02:00 Copyright (c) 2020 Eva de Bruijne https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/689 Waardering en stedelijke vernieuwing van de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam 2020-09-17T14:00:31+02:00 Noor Mens info@knob.nl <p>De Westelijke Tuinsteden in Amsterdam gelden als een schoolvoorbeeld van de moderne stedenbouw zoals die in de jaren twintig en dertig werd gepropageerd door de architecten van het Nieuwe Bouwen, die zich hadden verenigd in de Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM). De ontwerper van het plan, Cornelis van Eesteren was van 1930 tot 1947 voorzitter van deze internationale beweging. De tuinsteden kenmerken zich door de toepassing van open bouwwijzen met bouwblokken vrijstaand in het groen, zonder duidelijke voor- en achterkanten. Er werd afscheid genomen van het klassieke stedenbouwkundige repertoire met gesloten straatwanden. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog werden kleine delen ingevuld, waarbij werd geëxperimenteerd met strokenbouw. Het overgrote deel van de Westelijke Tuinsteden werd na de oorlog gerealiseerd, met door de centrale overheid gedirigeerde sociale woningbouw. Het oorspronkelijke plan werd daarbij op onderdelen aangepast en ingevuld. Daarbij werd gekozen voor meer afwisseling door strokenbouw te combineren met haken rondom hoven.</p> <p>In de jaren vijftig en zestig golden de naoorlogse wijken als toonbeelden voor een nieuwe manier van leven: licht en frisse lucht doorstroomden de door groen omringde woningen. In de jaren negentig leken de dromen vervlogen. Vergrijzing, het wegtrekken van bewoners, verloedering en toenemende onveiligheid leidden tot de noodzaak in te grijpen. Liberalisatie van de woningmarkt en de wens van de overheid om het aandeel van de sociale woningbouw terug te dringen, noopten woningbouwcorporaties om zich als marktgerichte projectontwikkelaars te manifesteren. Dit heeft in veel gevallen geleid tot sloop en nieuwbouw.</p> <p>Van enig respect voor de cultuurhistorische waarden die deze wijken ontlenen aan zowel het stedenbouwkundig plan als aan de sociale woningbouw die er te vinden is, was aanvankelijk nauwelijks sprake. Zo kon het gebeuren dat sloop-nieuwbouwplannen werden uitgevoerd waarvan de achterliggende architectonisch-stedenbouwkundige principes haaks stonden op die van het oorspronkelijke plan. Een extreem voorbeeld daarvan is de door Krier Kohl Architecten ontworpen Noorderhof (1995-1999). Beginnend met dit project komt in dit artikel een reeks plannen van stedelijke vernieuwing aan de orde die het aanzien van de Westelijke Tuinsteden inmiddels volkomen hebben veranderd.</p> <p>Was er aanvankelijk vooral waardering voor het stedenbouwkundige plan en minder voor de invulling daarvan met de architectuur, geleidelijk veranderde dit. In kaart wordt gebracht hoe de discussies en ingrepen het besef aanwakkerden dat deze wijken wel degelijk grote cultuurhistorische waarden vertegenwoordigen die bescherming verdienen.</p> <p>De laatste jaren is er weer meer aandacht voor behoud, renovatie en herbestemming van de oorspronkelijke bebouwing. Toch is de dreiging van grootschalig ingrijpen in de Westelijke Tuinsteden nog lang niet geweken.</p> 2020-09-17T00:00:00+02:00 Copyright (c) 2020 Noor Mens https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/691 Het vestigingspatroon van lakenhandelaren, drapiers en wevers in textielstad Leiden 1498-1748 2020-09-17T15:16:04+02:00 Roos van Oosten info@knob.nl <p>Leiden was ooit de belangrijkste textielstad van Europa. In ‘de nieuwe draperie’ (vanaf 1580) werd een scala aan verschillende lakense stoffen geproduceerd. Op het hoogtepunt telde de stad hiervoor zeven hallen. Handelaren, drapiers en wevers werkten veelal vanuit huis en verschenen op gezette tijden al dan niet met een halffabricaat of eindproduct in de hal om dit op kwaliteitsstandaarden te laten controleren. Zo gingen de lakenwevers naar de Lakenhal en de saaiwevers naar de Saaihal. Dit strikte neringstelsel vatte Posthumus samen, als ‘geen nering zonder hal, geen hal zonder nering’. In dit artikel is aan de hand van beroepsvermeldingen in zeven belastingkohieren en twee volkstellingen uit de periode 1498-1748 nagegaan of de ligging van de hallen invloed had op het vestigingspatroon van lakenhandelaren, drapiers en wevers. Anders gezegd: was de huis-halafstand een vestigingsfactor?</p> <p>Om dit te onderzoeken is de stad opgedeeld in acht stadsdelen. Een concentratie van beroepen is aangeduid als geclusterd wanneer meer dan een derde van de beroepsgroep in het stadsdeel woonde. Daarbinnen is een onderscheid gemaakt tussen matige clustering (33-49%), sterke clustering (50-65%) en zeer sterke clustering (meer dan 66%).</p> <p>De clustering van lakenhandelaren in Leiden veranderde door de tijd heen. Terwijl in de Middeleeuwen de lakenkopers en wantsnijders sterk geclusterd voorkwamen in het oude stadscentrum waar toen de Lakenhal gevestigd was, hadden de vermogende textielhandelaren (reders) in de vroegmoderne tijd duidelijk geen voorkeur voor vestiging aldaar. In 1581 waren zij geclusterd in de stadsdelen Zuid en Oost-nieuw. Dat was in de nabijheid van de Lakenhal, die op dat moment op het Steenschuur gevestigd was. In 1674 waren zij sterk geclusterd in Noord-nieuw, het stadsdeel waar de Lakenhal vanaf 1640 was gesitueerd. De lakenhandelaren waren dus telkens in de peiljaren in de nabijheid van de hal te vinden.</p> <p>Het vermoeden dat niet alleen sprake was van ‘geen nering zonder hal, geen hal zonder nering’, maar dat ook van ‘geen hal zonder geclusterde beroepsgroep’ wordt versterkt door de verspreiding van lakendrapiers, lakenwevers, saaidrapiers en saaiwevers. In 1674 waren zowel de lakendrapiers als de lakenwevers sterk geclusterd in Noord-nieuw. De saaidrapiers en saaiwevers kwamen in dit stadsdeel daarentegen niet voor, zij waren geclusterd in de stadsdelen die dichter bij de Saaihal lagen (Oost-oud en Zuid).</p> <p>Dit onderzoek toont voor zeven textielberoepen een clustering in een stadsdeel aan.Telkens was er een clustering in of aangrenzend aan de locatie van de hal. Elk beroep afzonderlijk zou te weinig grond bieden om te concluderen dat de huis-halafstand een vestigingsfactor was, maar de zeven beroepen tezamen geven in het tijdvak 1498 tot 1674 voldoende aanwijzing in die richting. Deze tendens om nabij de hal te wonen wil overigens niet zeggen dat welstand in het geheel geen rol speelde als vestigingsfactor, want ook binnen een beperkte loopafstand tot de hal kon op stand worden gewoond.</p> 2020-09-17T00:00:00+02:00 Copyright (c) 2020 Roos van Oosten