https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/issue/feed Bulletin KNOB 2022-12-09T08:54:57+01:00 Kees Somer, hoofdredacteur/Editor-in-chief info@knob.nl Open Journal Systems <p>Het <em>Bulletin KNOB</em> is een wetenschappelijk tijdschrift op het terrein van het ruimtelijk erfgoed dat vier keer per jaar verschijnt en in binnen- en buitenland als belangrijke kennisbron wordt erkend.</p> https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/772 Voorwoord 2022-12-09T08:54:57+01:00 Merlijn Hurx info@knob.nl Eva Röell info@knob.nl Kees Somer info@knob.nl <p>bij het themanummer 'Binnenhof'</p> 2022-12-09T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2022 Merlijn Hurx, Eva Röell, Kees Somer https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/764 Een Jagthuys in Die Haghe 2022-12-06T11:04:42+01:00 Judith van Kesteren-Lok info@knob.nl <p>Vanaf 1730 wordt het ontstaan van Den Haag en het Binnenhof toegeschreven aan een jachthuis dat zou zijn gebouwd door graaf Floris IV (1210-1234). In dit onderzoek staat dit ‘jachthuis van Floris IV’ centraal. Op basis van terminologisch onderzoek wordt uiteengezet waarom het begrip jachthuis/jachtslot niet passend is voor de vroegste fase van het Binnenhof. Dit begrip kwam pas vanaf de negentiende eeuw in zwang, toen nieuwe rijken gingen deelnemen aan de jacht. Daarnaast was er in het dertiende-eeuwse machtssysteem, waarbinnen heersers rondtrokken door hun gebied, nog geen behoefte aan jachthuizen; elke verplaatsing zorgde voor verse jachtgronden. Het lijkt onwaarschijnlijk dat in de dertiende eeuw al sprake was van verblijfplaatsen voor een specifieke functie zoals jacht of representatie; vaak sloot het één het ander niet uit.</p> <p>In dit artikel wordt ingegaan op de origine van het ‘jachthuisverhaal’. De eerste vermelding van Den Haag komt uit een oorkonde uit 1242. Hierin wordt gesproken van ‘die Haga’ (de haag), wat duidt op een omheind gebied voor de jacht. Volgens de chroniquer Jan Beke stichtte Willem II (1227-1256) in Den Haag een ‘paleis’ nadat hij in 1248 was gekroond tot rooms-koning. Hiervoor was er dus al een grafelijk jachtterrein in dit gebied. Begin zeventiende eeuw liet Den Haag zijn naam veranderen in ’s-Gravenhage, vermoedelijk werkte de connectie met de grafelijke jacht statusverhogend. Den Haag had geen stadsrechten en zocht daarom andere manieren om zich te profileren. In de eeuwen daarna was de jacht, en het bezit van een jachthuis, alleen bereikbaar voor de allerrijksten.</p> <p>Om tot een nieuwe definiëring te komen van het begin van het Binnenhof is onderzocht of de typologische kenmerken van zaalbouwen uit deze periode toepasbaar zijn op de eerste bouwfase. Het blijkt lastig de eerste bouwfase te reconstrueren. De middelste kelder onder de ‘Ridderzaal’ van het Grafelijke Zalencomplex is het enige overblijfsel uit deze periode. Door deze te vergelijken met andere verblijfplaatsen wordt duidelijk dat deze ruimte oorspronkelijk ook in gebruik is geweest voor opslag.</p> <p>Vergelijkend onderzoek naar andere hoven in en buiten het graafschap Holland lijkt te bevestigen dat er eind dertiende eeuw al huizen waren die grotendeels dienden als uitvalsbasis voor de jacht, zoals Bosvoorde dat al in 1270 als <em>domus veneratorum</em> (jachthuis) werd aangeduid. De aanwezigheid van het grafelijke jachtterrein maakt het waarschijnlijk dat het Binnenhof ook voor de jacht werd gebruikt, maar aan dit vroege hof werden ook officiële zaken afgehandeld. Vanaf 1248 werd de representatieve functie van het Binnenhof waarschijnlijk de belangrijkste, aangezien de term ‘paleis’ vaak alleen werd gebruikt voor een hoofdresidentie.</p> 2022-12-09T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2022 Judith van Kesteren-Lok https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/766 ‘Een forse gevel tusschen twee slanke torens gevat’ 2022-12-06T15:10:55+01:00 Paula van der Heiden info@knob.nl Hein Hundertmark info@knob.nl <p>De voorgevel van de Grote Zaal of Ridderzaal van het Binnenhof te Den Haag is een van de meest bekende gevels van het land. De imponerende façade is omstreeks 1295 door graaf Floris V gebouwd als <em>Schauseite</em> van de monumentale zaal. De voorgevel met zijn twee torens is tijdens een recent uitgevoerd bouwhistorisch onderzoek onderwerp van nadere bestudering geweest.</p> <p>Het is bekend dat de gevel tussen 1861 en 1900 sterk gerestaureerd is, maar de centrale vraag van dit artikel is in hoeverre de laat dertiende-eeuwse gevel is aangepast. Daarbij richtte het onderzoek zich voornamelijk op de aanpassingen van de topgevel en de oorspronkelijkheid van de twee flankerende torens. Een nieuwe bouwhistorische analyse laat zien dat de gevellijn van de topgevel in deze periode meerdere keren is aangepast waarbij de topgevel een stuk forser is geworden.</p> <p>Van de torens stond tot nu toe niet vast dat ze tot het oorspronkelijk ontwerp behoorden. Door de asymmetrische positie en het verschil in afmetingen tussen de twee torens is wel gedacht dat de torens niet gelijktijdig met de zaal zijn gebouwd en eventueel later zijn verhoogd. De tafelmenten die de torenspitsen ondersteunen zijn in 1998 dendrochronologisch gedateerd op ca. 1295, echter doordat er ook zeventiende-eeuws hout is verwerkt is er destijds verondersteld dat het dertiende-eeuwse hout mogelijk is hergebruikt. Een nieuwe analyse van de telmerken van de tafelmenten maakt het aannemelijk dat de tafelmenten weldegelijk uit de bouwperiode stammen, waaruit blijkt dat de huidige hoogte van de torens de oorspronkelijk is: beide torens maakten deel uit van het dertiende-eeuwse ontwerp.</p> 2022-12-09T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2022 Paula van der Heiden, Hein Hundertmark https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/767 Opstand in architectenland 2022-12-07T09:14:22+01:00 Mark van Gend info@knob.nl <p>Eind 1895 ontstond naar aanleiding van een schijnbaar onschuldige budgetbespreking in de Tweede Kamer een publiek debat over de eventuele restauratie en herbestemming van de Grafelijke Zalen op het Binnenhof. Over de wenselijkheid daarvan was iedereen het wel eens. De discussie over welke koers daarbij moest worden aangehouden, en onder wiens verantwoordelijkheid het project zou dienen te vallen, escaleerde echter binnen een aantal weken volledig. In het debat stonden aan de ene kant het ministerie van Binnenlandse Zaken, met voorop de hoofdambtenaar van de afdeling Kunsten en Wetenschappen (K&amp;W) Victor de Stuers en architect Pierre Cuypers. Daar tegenover stonden het ministerie van Waterstaat en de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst. Nadat De Stuers en Cuypers het project impliciet hadden opgeëist voor het ministerie van Binnenlandse Zaken, kwam vanuit de Maatschappij een uiterst kritisch protest: de Tweede Kamer werd dringend verzocht de verantwoordelijkheid voor dit ‘landsgebouw’ bij Waterstaat te laten en te breken met de vanuit de afdeling K&amp;W al vijftien jaar gedicteerde koers bij restauraties. De eisen die De Stuers en Cuypers vanuit hun nogal lineaire benadering van de architectuurgeschiedenis aan ‘stijlzuiverheid’ stelden, lieten weinig ruimte over voor de wat meer relativistische benadering van de Maatschappij, waarin naast herstel van de artistieke en historische waarde van een gebouw ook het behouden van meerdere tijdlagen mogelijk was. Tot dan waren De Stuers en Cuypers vrijwel altijd in staat geweest met de nodige politieke intriges hun architectuurhistorische visie door te drukken, maar nu werden ze door de Tweede Kamer geblokkeerd.</p> <p>De minister van Waterstaat stelde een restauratiecommissie in van vier leden – de eigen rijksbouwmeesters Knuttel en Peters en vanuit de Maatschappij Muysken en Nieuwenhuis – en nodigde zijn collega van Binnenlandse Zaken uit om daar een vijfde lid aan toe te voegen. Pas anderhalf jaar later werd Cuypers als zodanig benoemd en kon de restauratiecommissie starten. De invloed van de doorgaans zeer dominante Cuypers op de koers van de commissie lijkt zeer beperkt te zijn geweest. Niet diens hoogontwikkelde gevoel voor de gotische stijl, maar het concrete bouwhistorische onderzoek van Peters en Nieuwenhuis vormde de basis voor de gemaakte keuzes. De Stuers en Cuypers bleven invloedrijk, maar hun vrijwel totale dominantie van het overheidsbeleid was voorbij en na de afronding van de restauratie in 1905 ontstond langzaam meer ruimte voor andere visies op restauratie-ethiek.</p> 2022-12-09T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2022 Mark van Gend https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/768 Sporen van stadhouders 2022-12-07T09:20:35+01:00 Ronald Stenvert info@knob.nl <p>In anticipation of the current major restoration of the Binnenhof, the home of the Dutch parliament, building historians conducted research into this historically important complex of buildings in The Hague. This article focuses on the western part of the complex and the role played there by the stadholder and the States of Holland. In the northwest corner of the Binnenhof, an L-shaped Knights’ House arose in the middle of the fourteenth century with a residence for the stadholder on the first floor while the ground floor was used by the States of Holland.</p> <p>In 1585 Prince Maurits took up residence in this part of the Binnenhof and to underline his status had a tower built on the northwest corner (completed 1604). Later he had his accommodation expanded (1620-1621). His successor Frederik Hendrik further expanded the accommodation with an extruded corner containing private quarters for his son William’s wife (Mary Stuart). With the death of William II in 1650, the first stadholderless period (1650-1672) began. The States of Holland seized on this opportunity to reinforce their claim to the buildings by demolishing part of the recent expansion on the Hofvijver side and building a prominent new meeting place.</p> <p>As a consequence of the war with the French in 1672, William III became stadholder and to compensate for the lost space he commissioned an expansion of the complex on the south side (1677-1678). After the death of his wife Mary II Stuart, he had a stately house built for his favourite, the 1st Earl of Albemarle, on the south edge of the Prinsentuin in circa 1695. William’s death in 1702 ushered in the second stadholderless period until the threat of war in 1747 led to the appointment of William IV as stadholder. At this point the accommodation at the Binnenhof was deemed to be too small for the court and plans for a new palace were drawn up. What his father had been unable to achieve, William V accomplished. Existing buildings in the southwest corner made way for new stadholder quarters, but not until the States of Holland had built a new Comptoir-Generaal (money office) a little further away in 1777.&nbsp;In 1779 work on new quarters commenced. They consisted of a representative section in the Binnenhof, an apartment for the stadholder with an entrance on the Buitenhof and a service wing – the Cingelhuis – on the south side. The latter replaced the service wing of the Court of Albemarle. The new accommodation was finished by 1792, but just three years later William V was forced into exile, after which the newly formed Batavian Republic turned the ballroom into a meeting room, which served as the chamber of the House of Representatives from 1814 to 1992. The chamber of the States of Holland has been in use by the Senate since 1849.</p> <p>&nbsp;</p> 2022-12-09T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2022 Ronald Stenvert https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/769 ‘Een schitterend fiasko’ 2022-12-07T09:27:14+01:00 Natasja Hogen info@knob.nl <p>Het nieuwe onderkomen van het Departement van Koloniën aan het Plein in Den Haag, tussen 1859 en 1861 gebouwd naar ontwerp van landsbouwmeester Willem Nicolaas Rose (1801-1877), vormt een voor Nederland vroeg en belangrijk voorbeeld van de omgang met comfort en binnenklimaat in gebouwen. Het verwarmen en ventileren van gebouwen stond in de negentiende eeuw als gevolg van nieuwe ideeën over gezondheid en comfort en technische ontwikkelingen volop in de belangstelling. Veel openbare gebouwen hadden een hoge bezettingsgraad, met vaak een bedroevende luchtkwaliteit tot gevolg. Ook de beheersing van de binnentemperatuur was complex. Rose werd in 1858 aangesteld als bouwmeester voor de landsgebouwen. In zijn ontwerp voor het Departement van Koloniën experimenteerde hij met moderne bouwmaterialen en technieken als ijzer, spouwmuren, grote glasvlakken en technische installaties voor verwarming en ventilatie. Hij had daarnaast grote invloed vanwege zijn vrije omgang met de ruimtelijke indeling van gebouwen, de vormentaal van het classicisme en de introductie van de <em>Rundbogenstil</em>. Hiermee onderscheidde het gebouw zich nadrukkelijk van de bestaande bebouwing op en rond het Binnenhof. Zijn ongeremde vooruitgangsgeloof en heel eigen waardering van historische gebouwen leverden hem echter ook hevige kritiek op.</p> <p>Voor luchtverwarming en ventilatie paste Rose in Koloniën het systeem Van Hecke toe. Dit had een uitgebreid stelsel van kanalen waardoor verse, warme lucht met behulp van ventilatoren vanuit verwarmingskamers op de begane grond door het gebouw werd gestuwd. De technische installaties maakten echter slechts een beperkt onderdeel uit van het totale klimaatsysteem: ook verschillende architectonische en bouwtechnische aspecten waren geïntegreerd in het systeem.</p> <p>Al tijdens de eerste winter werd duidelijk dat het klimaatsysteem de verschillende vertrekken niet adequaat kon verwarmen en ventileren. Vanwege alle problemen werden de installaties in 1862 overgebracht naar het Tehuis voor Oud-Militairen Bronbeek nabij Arnhem, eveneens ontworpen door Rose. Maar hoewel het systeem in Koloniën niet goed functioneerde, was het ontwerp voor de ontwikkeling van klimaatinstallaties in de negentiende eeuw van groot belang. Bij gebrek aan wetenschappelijke kennis en rekenmodellen was de ontwikkeling van knowhow sterk afhankelijk van experimenten in de praktijk, en deze vonden halverwege de negentiende eeuw in Nederland nog maar zeer beperkt plaats. Het gebouw vormt daarmee een vroeg en belangrijk voorbeeld van een klimaatontwerp waarin geprobeerd werd technische installaties voor verwarming en ventilatie werkelijk in het ontwerp van het gebouw te integreren.</p> 2022-12-09T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2022 Natasja Hogen https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/770 ‘Ik zal u/ons helpen met Justitie’ 2022-12-07T09:39:29+01:00 Ester Vink info@knob.nl <p>Het departement van Justitie aan het Plein in ’s-Gravenhage kwam tussen 1876 en circa 1885 tot stand na een turbulente ontwerp- en bouwgeschiedenis, waarbij ruzies, achterklap en mannetjesgedrag aan de orde van de dag waren.</p> <p>Traditioneel wordt het ontwerp toegeschreven aan Cornelis Peters, al roept de voor hem ongebruikelijke stijl vragen op. Bekend was dat architect Pierre Cuypers en ambtenaar Victor de Stuers betrokken waren. Op basis van nieuw archiefonderzoek kon hun rol worden vastgesteld en de onduidelijkheid over het auteurschap van het ontwerp worden verklaard.</p> <p>Nadat een ontwerp van J.F. Metzelaar voor de nieuwbouw van Justitie was afgekeurd, tekende L.H.J.J. Mazel, hoofdingenieur van de afdeling Waterstaat van Binnenlandse Zaken, in 1875 samen met zijn rechterhand J. Singels een opzet en plattegronden. Voor het ontwerp van de beeldbepalende gevels was de bekende architect Hugo Pieter Vogel aangetrokken.</p> <p>De plannen werden in april 1876 besproken in het door Cuypers en De Stuers gedomineerde College van Rijksadviseurs. Na veel discussie keurden de rijksadviseurs de plattegronden van Mazel en Singels af. Vervolgens schetste Cuypers achter de schermen twee varianten van nieuwe plattegronden, die door Mazel en Singels werden uitgewerkt.</p> <p>Vogel moest zijn gevelontwerpen aan de gewijzigde plattegronden aanpassen. Hij voelde zich daarbij door De Stuers gedwongen te werken in de oud-Hollandse bouwstijl. Vogel, man van de classicistische traditie, nam dit niet en vertrok met ruzie. Dat maakte voor Cuypers en De Stuers de weg vrij om vanaf oktober 1876 via Cuypers’ pupil Peters – die begin 1876 door hun toedoen bouwkundige bij het departement van Financiën was geworden – hun eigen gevelontwerpen door te drukken. Peters signeerde zijn tekeningen en nota’s aanvankelijk met het pseudoniem ‘Nemo’ (‘niemand’). Voor de buitenwereld waren De Stuers en Cuypers niet bij het ontwerp betrokken. Nadat Peters in februari 1877 de leiding over de uitvoering van het Justitiegebouw had gekregen hoefde hij niet langer geheimzinnig te doen, maar de twee anderen bleven op de achtergrond bepalend voor het ontwerp.</p> <p>Het Justitiegebouw is zodoende onder een dekmantel ontworpen, een kunstgreep die de bijdrage van De Stuers en vooral de verregaande betrokkenheid van Cuypers moest verhullen. Dat zij Peters als ontwerper naar voren schoven lag met name aan de ernstig verstoorde verhoudingen na de omstreden aanstelling van Cuypers als architect van het Rijksmuseum in Amsterdam, in 1876. Cuypers kon zich niet nog een schandaal permitteren. Al uitten enkele tijdgenoten hun verdenkingen en ongenoegen, de machinaties van de drie heren hadden het gewenste effect: een ministerie van Justitie in de door hen gepropageerde ‘nationale’ stijl.</p> 2022-12-09T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2022 Ester Vink https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/771 Grootschalig bouwen in een historische context 2022-12-07T09:48:37+01:00 Paul Meurs info@knob.nl <p>Tussen 1970 en 1992 kreeg de nieuwbouw van de Tweede Kamer gestalte. Daarbij was de vraag hoe dit grote complex zich in het historische Binnenhof moest voegen. Dit artikel beschrijft het ontwerpproces, de achterliggende ideeën en het resultaat.</p> <p>Voor de nieuwbouw werd in 1975 een architectenprijsvraag uitgeschreven. De opgave was de Tweede Kamer te huisvesten volgens een gedetailleerd programma van eisen en het complex zorgvuldig in te passen in het beschermde stadsgezicht van het Binnenhof. Volgens de jury voldeed geen enkele inzending hieraan. Het ontwerp van OMA leidde tot discussie. Het brak de bebouwing rondom het Binnenhof open en plaatste de nieuwbouw naast de Ridderzaal. De radicaliteit van de ingreep stuitte de jury tegen de borst. Na de mislukte prijsvraag werden drie architecten uitgenodigd voor een meervoudige opdracht. Andermaal voldeden de ontwerpen niet en de randvoorwaarden werden bijgesteld. Architect Pi de Bruijn voelde volgens de beoordelingscommissie de opgave het beste aan. Hij werd in 1980 aangesteld als architect.</p> <p>Bepalend voor het vervolg was een advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, waarmee de stedenbouwkundige structuur nauwkeurig werd bewaard. Nieuwbouw kon zich alleen tonen aan het Plein en op hoek Hofplaats-Lange Poten. Een belangrijke vraag was hoe uit de mix van oude en nieuwe gebouwen een helder parlementsgebouw kon ontstaan. De Bruijn streefde naar helderheid en afleesbaarheid. Hij zag de nieuwbouw als centrale hal van de Tweede Kamer en publieke passage in de stad; een openbare route als uiting van de transparantie en nabijheid van het parlement voor de burgers. Architectonisch zocht hij naar een rustig beeld en een overzichtelijke hal, die eenheid en samenhang zouden uitstralen. In de materialisatie werd dit bereikt door een uitvoering van vloeren en binnen- en buitengevels in graniet.</p> <p>Nog voor de opening besloot de Kamervoorzitter het gebouw niet openbaar toegankelijk te maken; de centrale hal werd een deel van het interieur. De ambitie om de Tweede Kamer open en toegankelijk te maken mislukte en het complex manifesteert zich naar buiten als een gesloten vesting. De vraag wat een waardig regeringscentrum is en welke architectonische uitdrukking daarbij hoort werd nooit gesteld. In plaats daarvan ging het om functionaliteit, inpassing in het stadsgezicht, het verbinden van oud en nieuw, het zichtbaar maken van het politieke bedrijf en het streven van eenvoud en rust. Dit vertaalde zich in een strak nieuwbouwvolume dat tussen de bestaande gebouwen is geschoven. Tegenover de eenvoud van het grote gebaar, staat de wanordelijke aansluiting waarmee de nieuwbouw landt op de allesbehalve eenvoudige en eenduidige contramal van de omringende historische gebouwen. </p> 2022-12-09T00:00:00+01:00 Copyright (c) 2022 Paul Meurs