Bulletin KNOB https://bulletin.knob.nl/index.php/knob <p>Het <em>Bulletin KNOB</em> is een wetenschappelijk tijdschrift op het terrein van het ruimtelijk erfgoed dat vier keer per jaar verschijnt en in binnen- en buitenland als belangrijke kennisbron wordt erkend.</p> Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond (KNOB) nl-NL Bulletin KNOB 0166-0470 Interieurs van herrijzend Nederland https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/719 <p>Boekbespreking van een boek van Marieke Kuipers (red.)</p> Barbara Laan Copyright (c) 2021 Barbara Laan https://creativecommons.org/licenses/by/4.0 2021-06-17 2021-06-17 61 62 De universitaire campus https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/721 <p>Boekbespreking van een boek van Ab Flipse en Abel Streefland (red.)</p> Bernard Colenbrander Copyright (c) 2021 Bernard Colenbrander https://creativecommons.org/licenses/by/4.0 2021-06-17 2021-06-17 63 64 Ontwerpen met ‘direkte demokratie’ https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/714 <p>In de jaren zeventig en tachtig gaven in Amsterdam bewoners en architecten samen vorm aan de vernieuwing van hun buurt. Buiten de reguliere kaders om initieerden zij een proces voor het ontwerpen van zogenaamde ‘buurtplannen’, waarin prioriteit werd gegeven aan betaalbaar wonen en zo min mogelijk verstoring van de bestaande sociale en stedenbouwkundige structuur. Hoewel deze buurtplannen in schril contrast stonden met de heersende politieke en stedenbouwkundige opvattingen, vormden ze de basis waarop de stadsvernieuwing vanaf midden jaren zeventig werd gerealiseerd. In de historiografie van de stadsvernieuwing ligt de focus op politiek en beleid. Dit artikel geeft daarentegen inzicht in het ontwerpproces en de ideeën achter de stadsvernieuwingsarchitectuur aan de hand van velerlei overlegdocumenten die voortkwamen uit de samenwerking tussen buurtbewoners en architecten.</p> <p>Hierbij dient de Dapperbuurt als exemplarische casestudy.&nbsp;Het voorbeeld van de Dapperbuurt laat zien dat buurtbewoners en architecten daadkrachtige coalities vormden. Nadat bewoners van de Dapperbuurt verregaande controle op het ontwerpproces hadden bevochten, inclusief zeggenschap over de architectenkeuze, gingen zij een samenwerking aan met de architecten Hans Borkent, Rob Blom van Assendelft en Hein de Haan. Deze stelden zich in uitgebreide inspraakprocedures op als gelijkwaardige gesprekspartners in plaats van alwetende experts, terwijl buurtbewoners zorgden voor creativiteit en spontane initiatieven en een doorslaggevende stem hadden. Gezamenlijk ontwierpen zij met ‘direkte demokratie’. Deze samenwerkingsverbanden worden in dit artikel geduid als <em>creatieve wooncoalities</em>. Dit idee geeft zowel uitdrukking aan hun belangrijkste doelstelling als aan hun grootste kracht. Daarnaast laat het zien wie de woningbouwprojecten van de stadsvernieuwing initieerden en hoe burgerinitiatieven uiteindelijk werden omgezet in beleid.</p> <p>In het ontwerpproces zochten de Dapperbuurters en hun architecten naar creatieve oplossingen om de schijnbare tegenstelling tussen de historisch gegroeide stad en moderne architectuur en stedenbouw te overbruggen. In plaats van een blanco blad als uitgangspunt te nemen, gingen ze uit van de kwaliteiten van de bestaande omgeving en de belangen en wensen van de bewoners. Dit resulteerde in behoud van de bestaande morfologie en functiemenging. De woningbouwprojecten kregen echter een beduidend grotere schaal dan de individuele panden waaruit de buurt tot dan toe bestond, omdat de buurtbewoners hun vertrouwde leefomgeving niet wilden opgeven maar wel behoefte hadden aan modern wooncomfort. Uit dit onderzoek blijkt dat de nieuwbouw het beste van beide moest combineren. Om toch de suggestie van kleinschaligheid te wekken, werden de gevelwanden verticaal geleed en in hoogte afgebakend door middel van balkons, erkers, hijsbalken, dakoverstekken en verspringende rooilijnen. Zowel contrast met als aansluiting op de context zijn aldus relevante criteria voor de waardering van de stadsvernieuwingsarchitectuur. Bovendien blijkt dat een wezenlijke waarde van de stadsvernieuwing haar functie is, namelijk betaalbaar en comfortabel wonen op centrale locaties met hoge grondwaarden. De architectuur geeft uitdrukking aan die functie.</p> Aimée Albers Copyright (c) 2021 Aimée Albers https://creativecommons.org/licenses/by/4.0 2021-06-17 2021-06-17 1 19 'Leugens tegen de geschiedenis?' https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/716 <p>In de twintigste eeuw werd een groot aantal monumentale torens en torenbekroningen door brand, storm of oorlogsgeweld zo zwaar gehavend dat zich de vraag voordeed of, en zo ja hoe, die herbouwd dienden te worden. Moest dat in de exacte vorm van vóór de verwoesting, of moest naar een andere oplossing gezocht worden? Verdiende in het laatste geval de terugkeer naar een (vermeende) eerdere oerversie de voorkeur boven iets nieuws? En moest in het laatste geval voor eigentijdse architectuur gekozen worden, of was een meer historiserende vormentaal gewenst?</p> <p>In hoeverre werd de richtlijn die het Rijksbureau voor de Monumentenzorg in 1917 had omarmd, en die omwille van de historische eerlijkheid aanvulling in eigentijdse bouwstijl voorschreef, in de praktijk daadwerkelijk nagevolgd? Ter plaatse wilde men vaak herstel van de oude toestand, en dat is in een aantal gevallen uiteindelijk gebeurd. In dit artikel wordt, aan de hand van een twintigtal voorbeelden, voor het eerst bekeken of er in de keuzes een lijn te ontdekken valt. Speciaal het vijftal uitgeschreven torenprijsvragen (voor het stadhuis van Leiden en voor beeldbepalende kerktorens in Arnhem, Zutphen, Hulst en Weert) is daarbij van belang, omdat daar in het program van eisen specifieke wensen konden worden geformuleerd, er vervolgens uit een reeks van inzendingen moest worden gekozen, en de jury haar preferenties openlijk moest beargumenteren.</p> <p>De noodzaak tot herbouw stond steeds bij voorbaat vast, ook al had, als door oorlogsgeweld ook de kerk in puin lag, deze niet de grootste prioriteit. Geheel middeleeuwse torens, zoals die van de Martinikerk in Doesburg, hadden de meeste kans om in oude vorm te worden hersteld. Bezat een gotische toren een bekroning in renaissancistische, barokke of classicistische vorm, dan speelde een esthetisch oordeel vaak een rol bij de keuze: de torenbekroning van de Stevenskerk van Nijmegen werd karakteristiek geacht, die van de Eusebiuskerk in Arnhem niet. Bij de Abdijtoren in Middelburg werd de barokbekroning in hoofdlijnen hersteld, maar aangepast aan de vereisten van een groter carillon. In de praktijk blijkt dan de grens in het midden van de zeventiende eeuw te liggen; latere bekroningen werden al snel te onbeduidend bevonden.</p> <p>Neogotische spitsen op gotische torens maakten altijd plaats voor iets anders. Dat kon soms een (al dan niet vrije) reconstructie van een oudere bekroning in renaissance- of baroktrant zijn, zoals bij de Christoffelkathedraal in Roermond; in andere gevallen een moderne, geheel nieuwe, zoals bij de St. Willibrord in Hulst, of een enigszins historiserende, zoals bij de St. Martinus in Weert. Ook zonder oorlogsschade werd de gietijzeren spits van de Jacobskerk in Den Haag ingeruild voor een torenhelm die teruggreep op de oorspronkelijke uit de zestiende eeuw.</p> <p>Eén mogelijkheid werd bij gotische torens nergens daadwerkelijk beproefd: een reconstructie van de oorspronkelijke (naald)spits; omdat die nooit was gerealiseerd, of omdat reconstructie bij gebrek aan betrouwbare gegevens onmogelijk was. Alleen in het geval van de Walburgiskerk in Zutphen passeerde deze mogelijkheid de revue, maar uiteindelijk werd de afgebrande peperbus toch herbouwd.</p> Thomas H. von der Dunk Copyright (c) 2021 Thomas H. von der Dunk https://creativecommons.org/licenses/by/4.0 2021-06-17 2021-06-17 20 40 De architectuur en beleving van de hermitage (1770-1860) https://bulletin.knob.nl/index.php/knob/article/view/718 <p>De hermitage is een weinig onderzocht en begrepen tuinsieraad. De hermitage als plek om je in terug te trekken kwam voor van de oudheid tot diep in de negentiende eeuw, omdat deze mensen in verschillende perioden aansprak en eenvoudig kon worden aangepast aan de specifieke wensen van de adellijke, religieuze of intellectuele eigenaar en de smaak van de tijd. Dit artikel presenteert nieuw onderzoek naar de hermitage op de Nederlandse buitenplaats, op basis van een analyse van verkoopadvertenties, primair bronnenonderzoek (voornamelijk reisbeschrijvingen) en literatuuronderzoek. De hermitage was een wijdverbreid fenomeen in Nederland. Met de huidige inventarisatie is het aantal bekende buitenplaats-hermitages bijna verdriedubbeld van 36 naar ruim honderd. Op basis van deze nieuwe, grotere dataset bleek het mogelijk met meer precisie uitspraken te doen over de periode waarin de hermitage populair was, over de verspreiding van de hermitage in Nederland, de locatie in de tuin, het uiterlijk en de betekenis van de hermitage.</p> <p>Door de zoektocht in digitaal ontsloten historische kranten zijn vooral de iets latere, kleinere hermitages ontdekt. Waar Gelderland voorheen werd beschouwd als de voornaamste hermitageprovincie, is dit beeld met de huidige stand van wetenschap gekanteld in het voordeel van Holland. De burgerlijke signatuur van de hermitage is hiermee versterkt: de hermitage kwam het meest voor op de buitenplaatsen van stedelijke regenten gelegen in de nabijheid van de stad.</p> <p>Hermitages werden in de beginjaren vooral gezien als rariteit, en later als vast onderdeel van een landschappelijk aangelegd park. Maar ze vormden nooit het meest belangrijke tuinsieraad van een landschapspark. Uit het onderzoek blijkt dat vrijwel altijd is gekozen voor een geïsoleerde ligging. Het interieur van de hermitages was sober en bestond in de regel uit een of meerdere stoelen, een bank of bed, een doodshoofd of doodskist, een zandloper, boeken en een (houten) heremietpop. Dat de inrichting van de hermitage sterk gestandaardiseerd was, blijkt ook uit evaluaties van kluizenaarshutten in reisverslagen.</p> <p>De populariteit van de hermitage suggereert dat Nederlanders zeker niet ongevoelig waren voor de Romantiek, zoals nog altijd vaak wordt aangenomen. Het feit dat de bronnen zo weinig bewijs leveren voor cynisme ten aanzien van het fenomeen van de hermitage en de heremiet bevestigt deze these. Tegelijkertijd voorzag de kluizenaarshut in een meer universele behoefte, in plaats van een romantische: door de tijd heen zijn er altijd vertrekken gecreëerd waar mensen – meestal uit de elite – zich konden terugtrekken. In die zin was de hermitage een pendant van het kabinet of de studio. Wat overbleef na het opdrogen van de verheven gevoelens en gedachten van de Romantiek, was de wandeling naar de hermitage en bij aankomst de rust en het uitzicht. De Nederlandse hermitage reflecteert in alles de Nederlandse buitenplaats: beide waren vooral burgerlijk, wijdverbreid, stedelijk, bescheiden in omvang en aankleding.</p> Hanneke Ronnes Wouter van Elburg Merel Haverman Copyright (c) 2021 Hanneke Ronnes, Wouter van Elburg , Merel Haverman https://creativecommons.org/licenses/by/4.0 2021-06-17 2021-06-17 41 60