Avendersteen in Nederland

Hendrik-Jan Tolboom, C.W. Dubelaar

Samenvatting


Between the 15th and 19th centuries Avendersteen (Avesnes stone) was used for many sculptural works in the Netherlands. The stone, locally used as building material, was excavated in underground quarries near the village of Avesnes-le-Sec, in the north of France. That region was part of the Netherlands in the 15th and 16th centuries. Avendersteen was transported along the river Scheldt. That is why most of the Avendersteen can be found in the southern part of the Netherlands, but it appears that it was also used in Utrecht and even in Kampen. The use of Avendersteen seems to be connected with sculptors from the Southern Netherlands, e.g. Colijn de Nole from Cambrai. Avendersteen is a very pure, finegrained Cretaceous limestone. Until recently the stone was not recognized by stone-experts and in many cases wrongly identified as Baumbergersteen (Baumberg stone), a calcareous sandstone from the surroundings of Münster in Germany. Avendersteen has a typical texture caused by burrowing organisms, a feature that is not found in Baumbergersteen.

The findings indicate that Avendersteen was a very important material for sculpture between 1500 and 1900. However, nowadays only a few examples can be found, as Avendersteen easily weathers. Treatment of the stone has been applied to prevent weathering. These treatments need to be looked after, as they might even enhance the process of weathering.

Avendersteen is the mason’s term for a white to light-grey limestone from Cretaceous North France, used in the Netherlands from the 15th century to approximately 1900. The stone was mined in underground quarries in the surroundings of the village of Avesnes-le-Sec, twelve kilometres north-east of Cambrai. Similar types of stone are known from nearby Hordain (Hordain stone). By way of the river Scheldt this limestone was transported downstream and traded in Antwerp. The greater part of the presently known monuments with sculpture made of Avendersteen are in Belgium and the Southern Netherlands, particularly in Breda and ‘s Hertogenbosch, but the material was also used in Utrecht, Amsterdam and Kampen. Almost without exception stonemasons and sculptors from the Southern Netherlands were involved in the application of Avendersteen.

For a long time Avendersteen was mainly used for very finely detailed work. Around 1500 Avendersteen was delivered at various building sites (among others, the cathedral in Utrecht (the Dom) and St John’s Cathedral in ’s Hertogenbosch). In mineral contents and structure the limestone from Avesnes shows some similarity to Baumbergersteen, a calcareous sandstone from the surroundings of Münster. As Avendersteen has frequently been mistaken for Baumbergersteen, the use of Avendersteen for sculpture is much larger than was assumed so far. Although the ‘peak’ in its use was in the 16th and 17th centuries, this material continued to be used until well into the 19th century. The fact that the stone passed into disuse is to be explained by the availability of the white French limestone towards the end of the 19th century. However, Avendersteen is not the only type of stone that passed into disuse for this reason. The difficult mining of Gobertange stone to the east of Brussels was stopped for similar reasons.

Nowadays the stone can still be obtained on a limites scale. A special 19th-century application are the three statues by the Antwerp sculptor J. de Cuyper at the façade of the Roman-Catholic church in Westwoud, in the northern part of North Holland.

The material proved to be less suitable for external use, but in a number of cases it has nevertheless survived for a long time. Possibly this has to do with the treatment the stone was once subjected to. Research of the statues in Westwoud, which we hope will soon be restored, may result in new facts on the means used to protect the stone against every kind of weather. Research, including determination of the materials used, is important for a correct diagnosis and possible intervention. However, for most objects from Avendersteen it is already too late. In Vught the stone is fully saturated with acrylic resin and this seems to be the reason why the material can be preserved in situ. This intervention is irreversible.

The ornamental stone at the entrance of the historical museum in Amsterdam has been restored in a manner that is less in conflict with the starting points of the restoration. By maintaining the thick layers of paint and only restoring it in some places the stone is still in situ after the restoration a few years ago.


Volledige tekst:

PDF

Referenties


A. Slinger, G. Berends en H. Janse, Natuursteen in monumenten, Zeist 1980.

H. Janse en D.J. de Vries, Werk en merk van de steenhouwer, Zwolle 1991, 12.

De naam van de steen kent in historische bronnen diverse varianten, o.a. Avennissteen, Avendersteen, Avendelsteen, steen van Avennys.

C. Peeters, De St.-Janskathedraal te ’s-Hertogenbosch, Den Haag 1985, 145. E.J. Haslinghuis en C.J.A.C. Peeters, De Dom van Utrecht, Den Haag 1965, 197.

M. Leriche, ‘La pierre d’Avesnes (‘Avendersteen’) dans les anciens monuments de la Belgique’, in: Bulletin de Societé belge de Géologie 37 (1927), 65-71. L. de Clercq, ‘De assimilatie van enkele zachte Franse kalksteensoorten in het midden van de 19de eeuw in België en hun conservering’, in: Monumenten en Landschappen 1993, 55-57.

De Ledesteen of Balegemse steen uit Vlaanderen is naast de toepassing als paramentsteen ook wel gebruikt voor sculpturaal werk, maar gezien de beperkte dikte van de lagen in de groeve, de grofheid van de korrel en de grotere variatie in samenstelling is deze steen minder geschikt voor beeldhouwwerk dan de fijnkorrelige, homogene kalksteen van Avesnes.

Slinger, Berends en Janse 1980, 48.

R. Dreesen, M. Dusar & F. Doperé, Atlas Natuursteen in Limburgse monumenten, Genk 2001

H. Tolboom, M. Dusar, W. Dubelaar, R. Dreesen, J. Elsen, E. Groessens & C. van der Star, Avendersteen, 3de Vlaams-Nederlandse Natuursteendag, 14-15 mei 2009, Gent, Vergane glorie of glorieus verder gaan?, Geological Survey of Belgium, Professional Paper 2009/1, n. 305, 47-77.

Leriche 1927, 67. Rond 1900 is de winning gestaakt.

A. de Naeyer, E. de Witte, R. Dreesen, M. Dusar, J. Elsen & E. Groessens, Handboek Onderhoud Renovatie en restauratie, Rubriek II.3 Voorkomen en gebruik van bouwmaterialen, Avendersteen, 1-20, Kluwer 2008.

Bericht in La Voix du Mercredi, 20 mei 1998.

Leriche 1927, 67. De Clerq 1993, 57. Ook de heer Havet kende dit verhaal, maar of dit oordeel werkelijk op verschillen in bouwfysische eigenschappen steunt is niet bekend. Beide gesteenten komen uit hetzelfde laagpakket, waarbinnen ongetwijfeld goede en minder geschikte bouwsteen voorkwam.

A.Salamagne,‘Production et commercialisation de la pierre dans les Pays-Bas méridionaux (Hainaut-Cambrésis, Douaisis et Tournaisis) au Moyen Âge’, in: Carrieres et constructions en France et dans les pays limitrophes, Paris 1994. 91.

Briefrapport Avesnes kalksteen, TNO-NITG 12-5-2004, C.W. Dubelaar.

Tolboom e.a. 2009, 48.

T. Nijland, W. Dubelaar en H.J. Tolboom, ‘De historische bouwstenen van Utrecht’, in: W. Dubelaar (red.), Utrecht in steen, Utrecht 2007, 82-84.

F. Moens, De gotische doksalen in België, Antwerpen 1950, 15. J. Steppe, Het koordoksaal in de Nederlanden, Brussel 1952, 119.

J. Elsen, M. Derez & J. van Lierop, Stenenwandeling in het historisch stadscentrum van Leuven, Eerste Vlaams-Nedrlandse Natuursteendag Leuven 2005, 12.

Peeters 1985, 145.

C. Dekker, Een schamele landstede, Goes 2002, 455. Een ‘Gregoriusmis’ is een allegorische voorstelling van Christus die verschijnt aan Gregorius op het moment van consecratie tijdens de mis.

Een onderzoek om de steen te determineren uit 1995 gaf als resultaat op dat het zou gaan om Baumberger steen, alhoewel er wel verschillen waren tussen de steen uit Breda en een monster Baumberger steen van elders. Bij gebrek aan bekendheid met een ander vergelijkbaar historisch bouwmateriaal werd er verondersteld dat het om Baumberger zou gaan. M. Melkert, Petrografische verificatie van een monster baumberger kalksteen. Rockview-projektnr.951115, Amsterdam 1995, 6.

F. Scholten, ‘Grafmonumenten en epitafen’, in: G.W.C. van Wezel (red.), De Onze-Lieve-Vrouwekerk en de grafkapel voor Oranje- Nassau te Breda, Zwolle 2002, 189.

Van Wezel 2002, 157 en 159.

De ondergrondse groeven van Hordain zijn in 1863 verlaten; de vermoedelijk laatste productie van steen uit Avesnes dateert van 1903 (pers. meded. Michiel Dusar, Brussel). Zie ook Handboek Onderhoud Renovatie en Restauratie, Rubriek II.3 Voorkomen en gebruik van bouwmaterialen, Avendersteen, 1-20.

Met dank aan H. Tummers te Nijmegen voor deze informatie.

A.G. Schulte, De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem, Utrecht 1994, 181. Schulte laat in het midden of het epitaaf na het overlijden van Van Sasbout zelf in 1546 is gemaakt of na het overlijden van zijn vrouw in 1560.

Schulte 1994, 182.

De engelen aan het hoofd- en voeteneind zijn in ieder geval van Avendersteen. De levensgrote beelden op het monument zijn echter van Baumberger steen, blijkt uit recente XRF-analyses uit 2009 door B. van Os en T. Brink, werkzaam bij de RCE. Het grafmonument zou gemaakt zijn tussen 1540 en 1565, zie: A. Weersma, Het grafmonument van een grand seigneur in de Nederlanden ten tijde van de renaissance, doctoraalscriptie Universiteit Utrecht 1988, 57.

J.A.L. de Meyere, De N.H.kerk te Vianen, Alphen aan de Rijn 1990, 30.

C.L. van Groningen, De Utrechtse heuvelrug, Zwolle 2000, 137 en 138.

Meer hierover in het artikel in dit nummer van T. Brink.

Rijksarchief Gelderland/Gelders archief, toegang 0012, inventaris 7077. Met dank aan de heer J. Soentgerath te Nijmegen.

C. Kolman e.a., Utrecht, Monumenten in Nederland, Zwolle 1996, 224.

Haslinghuis 1965, 359; W. Dubelaar (red.) 2007, 83.

Van de beelden en hun geschiedenis is een uitgebreid onderzoeksverslag (nr.01/03) gemaakt door J. Bosmans, N. Coryn, K. de Brauwer, M. Zur en H. Hrazdirova, onder leiding van Carolien van der Star, docent aan de Hogeschool Antwerpen, in het academiejaar 2002/2003.

Peeters 1985, 145.

A.L.W. Engelen van der Veen, Resultaten van het onderzoek van oude natuursteen, Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, 1920, 15.

De tekst luidt letterlijk: IN HET JAAR 1942 TOEN DE OORLOG EN REVOLUTIE ONS LAND TIJSTERDE IS DEZE STEEN GEPLAATST DOOR A. WESTERLAKEN METSELAAR EN DE STEENHOUWERS A.J. BAERT EN F.WERST OPZ., F.VAN DONGEN

J.H.A. Engelbrecht, Bulletin KNOB 1971, 142-143.

P. Vlaardingerbroek, Het stadhuis van Amsterdam. Dissertatie Universiteit Utrecht 2004, 103.

Niettemin was Van der Veen wel degelijk op de hoogte van het bestaan van de steen uit Avesnes, want hij citeert J.C.A. Hezenmans, De St. Janskerk (ca 1866) in zijn ‘Resultaten van het onderzoek van oude natuursteen’, 1920, 15 : “(…) steen uit de groeven van Avein of Avesne of beter uit Hardouies in de omstreken van dit dorp op de Belgische grenzen in het departement du Nord gelegen”. Zie ook Nijland, Dubelaar en Tolboom 2007, 82.

R. Meischke, Amsterdam Burgerweeshuis, Den Haag 1965, 137. Er wordt in een betaling op 18 mei 1581 aan de beeldhouwer overigens gemeld dat‘avennessteen’ wordt gebruikt. Meischke beschrijft het materiaal ook juist.

De hoofdonderwijzer in Avesnes-le-Sec, Mr. Havet, was ervan overtuigd dat de steen van Hordain van een slechte kwaliteit was en dat de exploitaitie en verkoop van dit materiaal desastreus is geweest voor de steen van Avesnes-le-Sec. Zie ook noot 13.

De Clerq 1993, 57.

K. van Breda, ‘De carrière van een architect’, in : Eerste Vlaams- Nederlandse natuursteendag (syllabus), Leuven 2005, 1-2.

M.I. Gerhardt (red.), ‘Het testament van Adriaan Bommenee’, in : Werken uitgegeven door het koninklijk Zeeuwsch genootschap der wetenschappen 4(1988), 159. Bommenee schreef in het midden van de 18e eeuw dat de ‘lavendelsteen’(Avendersteen) “ wilt wel gedeckt werden voor de lugt met olyferf”. Bovendien merkt hij op dat de beelden van het stadhuis van Veere volgens hem verguld waren.

M. Schreuder, ‘ De kunstverzameling van Henry Hope’, in: Paviljoen Welgelegen 1789-1989, Haarlem 1989, 101.

Naam en jaartal staan in de sokkel van het beeld van Paulus

Met dank voor deze informatie aan Carolien van der Star, docent aan de Hogeschool te Antwerpen, waar men regelmatig een deel van deze beelden restaureert en in onderhoud heeft.

Y. Koopmans, Muurvast & gebeiteld, Arnhem 1997, 322.

Louis Royer ontwierp een monument dat grotendeels bestond uit een 15 meter hoge sokkel van Belgische hardsteen met daarop een beeld van een niet nader aangeduide zandsteen of kalksteen; de bronnen spreken elkaar in dit geval tegen. Het beeld raakte echter zeer snel in verval, werd gerepareerd, verloor een arm, etc. en wordt in 1914 verwijderd van de Dam. De rest van het monument wordt afgevoerd en verkocht. Het beeld van Naatje wordt aanvankelijk opgeslagen op het terrein van het Stedelijk Museum, maar in ieder geval een deel van het beeld is afgevoerd om te dienen als damverharding. Uit deze brokstukken heeft een jonge beeldhouwer, Leo van Dorp, onder andere een hoofd gemaakt:‘de baby van Naatje’. Vooralsnog is dit beeldje niet terecht en het is dus nog niet mogelijk om vast te stellen uit welk materiaal het is gemaakt. Maar gezien het snelle verval van het beeld van Naatje, de behandeling met verf (heeft het wellicht uit meerdere blokken bestaan en waren de voegen aan het zicht onttrokken door een kleurlaag?) en het al eerdere gebruik door Royer van deze steensoort maken het niet ondenkbaar dat het hier om een toepassing van Avendersteen gaat. Met dank aan de heer W. Timp. Zie ook: T. Goldschmidt, ‘Naatje’, in : Stedelijk Museum Bulletin 4(2003), 40-45 en J.H van den Hoek Ostende, ‘Een baby van Naatje op de Dam’, in: Amstelodamum 1961, 217- 219. De bijnaam is vermoedelijk als volgt te verklaren: ‘Na’ was een bekende vrouwennaam in het 19e eeuwse Amsterdam en de betiteling ‘Naatje van de Dam’ als volkse spotternij was dan snel gemaakt.

De Avendersteen is overigens niet de enige steensoort die daardoor in onbruik raakte. De moeizame winning van Gobertange steen ten oosten van Brussel werd om dezelfde reden vrijwel gestaakt. Tegenwoordig is de steen weer op beperkte schaal te verkrijgen.




DOI: http://dx.doi.org/10.7480/knob.108.2009.5-6.164



Copyright (c) 2015 Bulletin KNOB