The Topography of Dutch Building History before 1800

On the regional diversity of building practices in the past and the use

Authors

  • Gabri van Tussenbroek Cultural Heritage Agency of Netherlands image/svg+xml

DOI:

https://doi.org/10.48003/knob.125.2026.2.886

Published

2026-09-21

Issue

Section

Articles

How to Cite

The Topography of Dutch Building History before 1800: On the regional diversity of building practices in the past and the use. (2026). Bulletin KNOB, 125(2). https://doi.org/10.48003/knob.125.2026.2.886

Abstract

This article begins by examining how distribution maps relating to built heritage have been utilized within the fields of ethnology, historical geography, architectural history and research into rural and agricultural architecture. Up until the Second World War, this occurred primarily within ethnology and had a strong ideological slant. In historical geography, there was virtually no focus on built heritage, while there was scant development of the use of distribution maps in the history of architecture and building. The article then goes on to discuss the method of mapping in the past. Here too, the ideological approach within ethnology played an important role pre-Second World War. This soon changed thanks to the work of Slicher van Bath and Hekker, but another problem remained unresolved: mapping did not take account of the changeability of phenomena. This has been the subject of heated debate since the 1960s and now a new generation of researchers, drawing on historical sources, started to demonstrate that it is indeed possible to represent cultural phenomena on a historical map, even though it entails lengthy and time-consuming research.

Lastly, the article uses four brief case studies to illustrate how maps can help to clarify distribution patterns. The studies relate to floating cellars, wooden barrel vaults, intermediate-beam trusses and masonry marks in brickwork. These examples are not intended to compartmentalize the Netherlands or to identify ‘cultural landscapes’, but rather to demonstrate that inventorying and mapping reveal patterns that can raise new interdisciplinary questions and ultimately lead to a sounder interpretation. Mapping architectural-historical phenomena can thus be a valuable addition to the overview and understanding of the factors that have influenced the creation of the built heritage. Furthermore, this approach will highlight regional differences in a more concrete manner than is possible when objects are studied in isolation (architectural history), research is limited to building categories (history of architecture), the landscape (historical geography) or to urban planning that takes no account of materiality (urban history).

It goes without saying that the data underpinning the maps must be of high quality. This requires systematic collection and interpretation. The physical presence of a phenomenon should be the primary starting point, rather than a search for ‘uniqueness’ or developments. Nor should it be forgotten that developments over time will have brought about changes. Datings must of course always be critically scrutinized, and this aspect too is likely to cause problems from time to time, either because phenomena in the past have been dated too imprecisely, or because past dating methods are now outdated. Nevertheless, mapping historical phenomena offers benefits for Dutch architectural history, providing insight into developments and patterns of dissemination, with the ultimate aim of providing a more accurate picture of the historical and architectural fabric of the Netherlands. Ultimately, this will lead not only to an increase in knowledge, but also to the use of the mapping of phenomena for the valuation tools employed in valuations of built cultural heritage.

Author Biography

  • Gabri van Tussenbroek, Cultural Heritage Agency of Netherlands

    Prof. Dr. Gabri van Tussenbroek (1969) is senior specialist bouwhistorie bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en hoogleraar Stedelijke identiteit en monumenten, in het bijzonder van de Nederlandse bouwhistorie, aan de Universiteit van Amsterdam.

References

R. Rutte, ‘Bouwstenen voor vergelijkende analyse? Stedenatlassen en het stadshistorisch onderzoek in Nederland’, Stadsgeschiedenis 3 (2008) 1, 71-86, 76-81. De historisch gebouwde omgeving speelt ook in atlassen van meer recente datum een relatief geringe rol. Historische (steden)atlassen bieden weliswaar een overzicht van de groei van steden en ook komen factoren als economie en infrastructuur ruimschoots aan bod, maar de vraag of bebouwing bijvoorbeeld uit de veertiende of zeventiende eeuw stamt, wat dit voor consequenties heeft en wat daarvoor de verklaring is, wordt doorgaans niet beantwoord. Vgl. R. Stenvert, ‘Van monumenten en ruimtelijke netwerken in plaats en tijd. Een cultuurtopografie van Nederland’, Historisch Geografisch Tijdschrift 26 (2008) 1, 24-41, 28. Dank gaat uit naar Petra Brouwer, Albert Reinstra, Ronald Stenvert en de anonieme ‘peers’ voor het becommentariëren van eerdere versies van deze tekst.

G. Berends, ‘Backstein in den Niederlanden des Mittelalters’, in: Hausbau in den Niederlanden. Bouwstenen voor oude woonhuizen in Nederland (Jahrbuch für Hausforschung; Band 39), Marburg 1990, 71-78; A. Slinger, H. Janse en G. Berends, Natuursteen in monumenten, Zeist 1980, 26, 41. Vgl. A. van Drunen, ‘Wisseldorpelklosjes. Een sierelement in het grensgebied tussen schuiframen en draairamen’, in: G. Berends e.a. (red.), Monumenten van een nieuwe tijd. Architectuur en stedebouw 1850-1940 (Jaarboek Monumentenzorg 1993), Zwolle/Zeist 1994, 123-136; H. Boekwijt en A. van Drunen, ‘Het middeleeuwse tussenbalkjuk opnieuw beschouwd’, in: K. Emmens e.a. (red.), Monumenten en bouwhistorie (Jaarboek Monumentenzorg 1996), Zwolle/Zeist 1996, 19-28; D. Zweers, ‘Van stergebinten en torenspitsen, een merkwaardige kapconstructie boven de koorsluiting van gotische kerken’, in: idem, 29-38. Verspreiding van bouwhistorische fenomenen komt ook aan de orde in H. Janse, Houten kappen in Nederland 1000-1940 (Bouwtechniek in Nederland; 2), Delft 1989, dit echter zonder kaartbeelden. Op deze plaats moet ook worden verwezen naar het vierdelige Romanische Baukunst an Rhein und Maas van H.E. Kubach en A. Verbeek. Zie voor een bespreking van deze ‘kunstgeografie’: C. Peeters, ‘Geografie van de romaanse architectuur’, Bulletin knob 90 (1991) 1, 1-14.

C.H. Peters, Overzicht der boerenplaatsenbouw in Nederland, Sneek 1871.

R.C. Hekker, ‘De ontwikkeling van de boerderijvormen in Nederland’, in: S.J. Fockema Andreae, E.H. ter Kuile en M.D. Ozinga, Duizend jaar bouwen in Nederland, Amsterdam 1957, 195-316, m.n. 195-203; R.C. Hekker, ‘Historische boerderijtypen’, in: Jaarverslag SHBO 1990, Arnhem 1991, 39-56. De benadering van de boerderij als regionaal afgebakend typologisch en bouwkundig fenomeen is zelfs tot op de dag van vandaag blijven bestaan. Vgl. J.A. Hendrikx, Traditionele boerderijen in Noord-Brabant, Liempde/Zaltbommel, 2003; C.S.T.J. Huijts, De voor-historische boerderijbouw in Drenthe. Reconstructiemodellen van 1300 vóór tot 1300 na Chr., Arnhem 1992; E.L. van Olst, Uilkema, een historisch boerderij-onderzoek. Boerderij-onderzoek in Nederland 1914-1934. Deel 1, Arnhem 1991; H. Wesselink, Typologie van de Nederlandse boerderijen. Een verkenning van regionale bouwhistorische kenmerken, intern rapport RCE, Amersfoort 2022.

R. van de Weijer, ‘Van folkloristisch kaartenhuis tot wetenschappelijke discipline. Historisch boerderij-onderzoek in Nederland tot 1960’, in: Historisch boerderij-onderzoek. De boerderij als inspiratiebron. SHBO Jaarverslag 1999, Arnhem 2000, 8-31, m.n. 11-16; Ton Dekker, ‘Ideologie en volkscultuur ontkoppeld. Een geschiedenis van de Nederlandse volkskunde’, in: T. Dekker, H. Roodenburg en G. Rooijakkers (red.), Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie, Nijmegen 2000, 13-66, 27.

Dekker 2000 (noot 5), 18-23; A. de Jong, De dirigenten van de herinnering. Musealisering en nationalisering van de volkscultuur in Nederland 1815-1940, 2e dr., Amsterdam 2006, m.n. deel 1; T. Peverelli, De stad als vaderland. Brugge, Leeuwarden en Maastricht in de eeuw van de natiestaat – 1815-1914, Nijmegen 2019.

In die zin valt de ontwikkeling van de volkskunde samen met de geboorte van de monumentenzorg; als reactie op en resultaat van maatschappelijke ontwikkelingen. Over de motieven daarvan zie: J.A.C. Tillema, Schetsen uit de geschiedenis van de Monumentenzorg in Nederland, ’s-Gravenhage 1975, m.n. 25-43. Een belangrijke gedachte was dat het conserveren van een deel van de verdwijnende cultuur alleen succesvol kon zijn indien er kennis werd opgebouwd over die cultuur. Daarbij werd het motief om niet alleen op zoek te gaan naar nationale kenmerken, maar juist naar streekeigen verschijnselen in sommige delen van Nederland, aangewakkerd door een verlangen om zich af te zetten tegen de suprematie van Holland. J.J. Voskuil, ‘Geschiedenis van de volkskunde in Nederland. Portret van een discipline’, Volkskundig Bulletin 10 (1984) 1, 50-63, 56-57; Dekker 2000 (noot 5), 20.

Die schemerde in feite ook impliciet door in de negentiende-eeuwse architectuurgeschiedenis. M. Bressani, ‘Finding True North. Nation, Race, and Architecture in Germany 1770-1850’, in: P. Brouwer, M. Bressani en C.D. Armstrong (red.), Narrating the Globe. The Emergence of World Histories of Architecture, Cambridge/Londen 2023, 99-129.

J.H. Gallée, Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners, Utrecht 1907.

In de jaren twintig en dertig verzette Klaas Uilkema zich hier al tegen, maar met beperkt resultaat. Van de Weijer 2000 (noot 5), 16. In Duitsland ademt het werk van Matthias Zender ook in de jaren zestig nog duidelijk dit vooroorlogse gedachtegoed. M. Zender, ‘Die kulturelle Stellung Westfalens nach den Sammlungen des Atlas der deutschen Volkskunde’, in: M. Zender e.a., Beiträge zur Volkskunde und Baugeschichte. Der Raum Westfalen. Band IV. Wesenszüge seiner Kultur, Zweiter Teil, Münster 1965, 1-69, bijv. 3-4 en 19, waar op zoek wordt gegaan naar het ‘Volksleben’, de ‘Eigenart einer Volksgruppe oder einer Landschaft’ en naar ‘cultuurgrenzen’. Een voorbeeld van onverholen ideologische ‘Heemkunde’ als politiek strijdmiddel: H. Reydon, Wat is Heemkunde?, 2e dr., Amsterdam 1944, m.n. 20-24, 51-56 en 86. Specifiek over dit onderwerp: M. Eickhoff, De oorsprong van het ‘eigene’. Nederlands vroegste verleden, archeologie en nationaal-socialisme, Amsterdam 2003, m.n. 213-285.

J. Jans, Bouwkunst en Cultuur, Amsterdam 1934, 5; J. Jans, Volkscultuur en bouwkunst, Amsterdam 1938, 11-13 en 41-46; F. Petri, ‘Stamm und Land im frühmittelalterlichen Nordwesten nach neuerer Forschung’, in: F. Petri en W. Jappe Alberts, Gemeinsame Probleme deutsch-niederländischer Landes- und Volksforschung (Bijdragen van het Instituur voor Middeleeuwse Geschiedenis der Rijksuniversiteit Utrecht; XXXII), Groningen 1962, 25-43. Vgl. R. van Ginkel, Volkscultuur als valkuil. Over antropologie, volkskunde en cultuurpolitiek, Amsterdam 2000, 1-32.

Van de Weijer 2000 (noot 5), 23.

Van de Weijer 2000 (noot 5), 22-24.

H.J. Keuning, De historisch-geografische landschappen in Nederland, Gorinchem 1946.

M.K.E. Gottschalk, Historische geografie in theorie en praktijk. Openbare les gegeven bij de aanvaarding van het ambt van gewoon lector in de Historische Geografie aan de Universiteit van Amsterdam op 13 oktober 1964, Assen 1964, 5.

J.A.J. Vervloet, Inleiding tot de historische geografie van de Nederlandse cultuurlandschappen, 3e dr., Wageningen 1986.

S. Barends e.a. (red.), Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering, 9e dr., Utrecht 2005.

H. Renes, ‘Monumenten in Nederland en de historische geografie’, Bulletin knob 105 (2006) 6, 235-245, 239-241. Vgl. A. Steegh, Monumenten Atlas van Nederland. 1100 Historische Nederzettingen in kaart, 2e dr., Zutphen 1985, waarin de belangrijkste monumenten per plaats in kaart zijn gebracht.

R. Stenvert, ‘Naar een cultuurtopografie: Monumenten in Nederland, de serie’, Bulletin knob 105 (2006) 6, 203-218, 216. Zie ook R. Stenvert, ‘Mag het ietsje meer zijn? Een stamboom voor openbare gebouwen’, Nieuwsbrief SBN, 60 (2016), 7-10, waarin de categorie ‘openbare gebouwen’ is uitgewerkt.

Dit is hooguit het geval bij studies naar bijvoorbeeld natuursteenhandel of houthandel over een groter gebied, zoals M. Hurx, Architect en aannemer. De opkomst van de bouwmarkt in de Nederlanden 1350-1530, Nijmegen 2012.

Voor het onderzoek naar de ‘hogere’ bouwkunst bestond in Nederland vanaf 1914 de academische kunstgeschiedenis, sinds 1947 uitgebreid met de leerstoel voor architectuurhistorie van M.D. Ozinga in Utrecht. L. Bosman, ‘De geschiedenis van de Nederlandse architectuurgeschiedenis: middeleeuwse bouwkunst’, in: P. Hecht e.a. (red.), Kunstgeschiedenis in Nederland. Negen opstellen, Amsterdam 1998, 63-87.

Tussen het ‘bouwkundig historisch onderzoek’ ten behoeve van monumentenzorg en het meer academische architectuurhistorische onderzoek bestonden en bestaan wel methodische verschillen, al is het doel van beide disciplines uiteindelijk hetzelfde; het begrijpen van historische architectuur. Vgl. D. Yeomans, ‘Different histories, different methods’, in: H. Louw (red.), The Place of Technology in Architectural History (Papers from the Joint Symposium of the Society of Architectural Historians of Great Britain and the Construction History Society), Londen 2001, 53-57.

T. Schulte, ‘Monumentenzorg als klant en leverancier’, in: Historisch boerderij-onderzoek. De boerderij als inspiratiebron. SHBO Jaarverslag 1999, Arnhem 2000, 32-53, 35-40. Een gedegen beschrijving van de boerderij zou meer kennis vergen dan waar de Rijkscommissie tot het opmaken van eene inventaris etc. over beschikte, zo werd door Jan Kalf in de eerste Geïllustreerde Beschrijving uit 1912 al gesteld. Gallée zou het onderwerp afdoende hebben behandeld en ook andere beschrijvers, zoals F.A.J. Vermeulen, E.H. ter Kuile, J.H.A. Mialaret en M.D. Ozinga, lieten de boerderij grotendeels links liggen.

Een interessante uitzondering is: C. Meckseper, ‘Kunstgeographie – nur eine Banalität?’, KUNSTGESCHICHTE Open Peer Reviewed Journal (2023) (www.kunstgeschichte-ejournal.net/610/), waarin de auteur pleit voor een zakelijke benadering van verspreiding van fenomenen, als tegenhanger van het begrip ‘Kunstlandschaft’. Ik ga hier verder voorbij aan de studie van Th. DaCosta Kaufmann, Toward a Geography of Art, Chicago/Londen 2004, die door een zeer hoog abstractieniveau en academisch gehalte nauwelijks praktisch bruikbaar is.

J.J. Voskuil, ‘De beperkingen van de geografische methode’, Volkskundig Bulletin 10 (1984) 2, 111-125. Zie voor de mogelijkheden met moderne GIS-technieken: O. Boonstra en A. Schuurman (red.), Tijd en ruimte. Nieuwe toepassingen van GIS in de alfawetenschappen, Utrecht 2009.

A. Rapoport, House Form and Culture, London etc. 1969; R.W. Brunskill, Illustrated Handbook of Vernacular Architecture, Londen 1970; J.T. Smith, P.A. Faulkner en A. Emery, Studies in Medieval Domestic Architecture, Londen 1975; N.W. Alcock, Cruck construction. An introduction and catalogue, Londen 1981; R.W. Brunskill, Houses, Londen 1982; H. Glassie, ‘Vernacular Architecture and Society’, Material Culture 16 (1984) 1, 4-24, 17-20; R.W. Brunskill, Illustrated Handbook of Vernacular Architecture, 3e dr., Londen/Boston 1987, 184-198. Veel voorbeelden zijn tevens te vinden in Hausbau in Grossbritannien (Jahrbuch für Hausforschung; Band 40), Marburg 1992.

Th. Spohn, ‘Kulturraumforschung und was sonst? Bemerkungen zum Wandel der Erkenntnisziele im Arbeitskreis für Hausforschung’, in: Arbeitskreis für Hausforschung (Hrsg.), Wandel im Wohnbau zwischen Gotik und Barock. Die sächsisch-böhmische Entwicklung im überregionalen Vergleich (Jahrbuch für Hausforschung; Band 53), Marburg 2011, 505-535, 508.

Vgl. J. Schepers, Haus und Hof deutscher Bauern. Westfalen-Lippe, Münster 1960.

Zie bijvoorbeeld J. Schepers, ‘Westfalen in der Geschichte des nordwestdeutschen Bürger- und Bauernhauses’, in: M. Zender e.a., Beiträge zur Volkskunde und Baugeschichte. Der Raum Westfalen. Band IV. Wesenzüge seiner Kultur, Zweiter Teil, Münster 1965, 123-228; G. Binding, U. Mainzer en A. Wiedenau, Kleine Kunstgeschichte des deutschen Fachwerkbaus, Darmstadt 1975.

Volkskunde-atlas voor Nederland en Vlaams België, samengesteld door P.J. Meertens en Maurits de Meyer met tien kaarten over volksgeloof, getekend van 1953 tot 1955, in 1959 verschenen met een toelichting van 75 bladzijden.

J.J. Voskuil, ‘De taal van de wetenschap’, Volkskundig Bulletin 5 (1979) 5, 21-43, 36.

Al in 1928 wees H. Spethmann op de noodzaak van dit soort ‘dwarsdoorsneden’, maar in Duitsland en Nederland kreeg hij nauwelijks navolging. Gottschalk 1964, 15.

Voskuil 1984 (noot 7), 61-62.

G.J. Borger, Het werkterrein van de historische geografie. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in de historische geografie aan de Universiteit van Amsterdam op 27 april 1981, Assen 1981, 4.

E. Jans, Burgerhuizen tussen IJssel en Eems. 1400-1850, Zutphen 1989.

J.J. Voskuil, Van vlechtwerk tot baksteen. Geschiedenis van de wanden van het boerenhuis in Nederland, Arnhem/Zutphen 1979.

Berends: RVblad Baksteen, 02-5 en 02-19 (1989); Berends: RVblad Dakbedekking, lei, 01-1 (1997); De Vries: RVblad Dakpan, 03-5 tot 03-11 (1988); Janse: RVblad Kapconstructie, 03-22 (1991); Gruben: RVblad Metselen in baksteen, 02-8 (1995).

Er zijn weliswaar studies die met behulp van bouwhistorisch onderzoek historische ruimtelijke processen blootleggen, maar dergelijke onderzoeken zijn schaars. A. van Drunen, ‘Tussen Postelstraat en Uilenburg. De bouwhistorie van het bouwblok’, in: A. van Drunen en J. van Oudheusden (red.), Huys van Boxtel en zijn buren. Acht eeuwen bouwen en wonen in een Bossche stadswijk, ’s-Hertogenbosch 2018, 426-463. Veruit het meeste bouwhistorische onderzoek werd en wordt in het kader van erfgoedzorg uitgevoerd. De beoefenaren van de bouwhistorie staan over het algemeen ver van de academische onderzoekstraditie en -infrastructuur, en de theorievorming op het gebied van bouwhistorisch onderzoek is weinig ontwikkeld. Het gebrek aan synthetiserende studies is regelmatig vastgesteld. Vgl. R.J.W.M. Gruben, ‘Bouwhistorische reflectie’, in: I.J. Cleijne e.a., Huizenbouw en percelering in de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Van hout(skelet)bouw naar baksteenbouw (Nederlandse Archeologische Rapporten; 59), Amersfoort 2017, 339-351, 339; R. Stenvert, ‘Introductie in de “ruimtologie”. Ruimte en ruimten: een theoretische notitie’, Nieuwsbrief Bouwhistorie 78 (2024), 90-105. Een recente synthetiserende studie is: B.A.J.T. Dukers, Bouwen langs de Maas. Huizen in Limburgse steden circa 1200-1600, academisch proefschrift Universiteit van Amsterdam, 2025.

M. Parein, I. Wouters en S. Van de Voorde, ‘Waardebepaling van jong erfgoed. Het belang van materialiteit in een geïntegreerde benadering’, Bulletin knob 122 (2023) 4, 85-96, 86.

A.D. Brand, ‘Historisch-geografische reflectie’, in: I.J. Cleijne e.a., Huizenbouw en percelering in de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Van hout(skelet)bouw naar baksteenbouw (Nederlandse Archeologische Rapporten; 59) Amersfoort 2017, 353-366, 353.

Vgl. R. Stenvert, ‘Enkhuizen: Morphologie einer schrumpfenden vormodernen Stadt’, in: Arbeitskreis für Hausforschung (Hrsg.), Hausbau in Holland. Baugeschichte und Stadtentwicklung (Jahrbuch für Hausforschung; 61), Marburg 2010, 215-240; M. Walda, ‘“Daar het amoveren van gebouwen in deze dagen zo algemeen is”. Het stedelijk beleid inzake krimp in Hoorn en Enkhuizen in de lange achttiende eeuw’, Bulletin knob 115 (2016), 192-211; J.-W. de Winter, ‘Gehavende steden. De krimp van middeleeuwse havensteden in Zeeland van de zestiende tot en met de negentiende eeuw’, Bulletin knob 115 (2016), 176-191.

Vgl. H. Janse en D.J. de Vries, Werk en merk van de steenhouwer. Het steenhouwersambacht in de Nederlanden voor 1800, Zwolle 1991; G. van Tussenbroek, The Architectural Network of the Van Neurenberg Family in the Low Countries (1480-1640) (Architectura Moderna; 4), Turnhout 2006; Hurx 2012 (noot 20).

D. de Roon, ‘Gedragen door water. Drijvende kelders in Amsterdam en omstreken’, Bulletin knob 106 (2007), 4/5, 162-178.

Hierbij zou kunnen worden onderzocht of dit voor Brabant vooral voor de Generaliteitsperiode gold, toen het gewest onder Hollands bestuur stond, een zware belastingdruk kende en ook het katholieke geloof verboden was en er nauwelijks financiële midden beschikbaar waren. Met dank aan de anonieme ‘peer’ voor deze suggestie. Vgl. over houten tongewelven: K. Atzbach, Gotische Gewölbe aus Holz in Utrecht, Gent und Brugge (Kultur- und Lebensformen in Mittelalter und Neuzeit; 3), Schöneiche bei Berlin 2007; T. Eißing, ‘Genesevorstellungen in Ostendorfs Dachwerkbuch zu offenen und sichtbaren Dachstühlen und Holztonnen’, in: J. Kleinmanns (Hrsg.), Friedrich Ostendorf. Bauten und Schriften (Schriften des Südwestdeutschen Archivs für Architektur und Ingenieurbau (SAAI); Band 1), 79-95.

Janse 1989 (noot 2), 120-123, 144-145 en 358; G. Berends, Historische houtconstructies in Nederland, Arnhem 1996, hoofdstuk 3.

In ’s-Hertogenbosch is zelfs vastgesteld dat bij gestapelde jukken dekbalkjukken óp tussenbalkjukken waren geplaatst. Ook is een enkel voorbeeld bekend van spanten die aan de ene zijde als dekbalkspant en aan de andere zijde als tussenbalkspant waren uitgevoerd, hetgeen duidelijk maakt dat er geen typologische ontwikkeling tussen beide constructietypen bestaat.

Janse 1989 (noot 2), 121.

Deze constructie is een langsgebint in de kap. Deze langsondersteuning draagt de flieringen dan wel gordingen en wijkt in die zin van de Nederlandse situatie af, dat hier kapspanten doorgaans als dwarsondersteuning zijn uitgevoerd, bij wijze van portaalachtige dwarsspanten. E.D. Orsel, De ordinaire kap. Een bouwhistorische studie naar kapconstructies op Leidse huizen tussen 1300 en 1800, proefschrift Universiteit Leiden, 2020, 8. Om de spantbenen van elkaar te houden, werd een horizontale tussenbalk, een ‘Spannriegel’ aangebracht. De keuze om al dan niet voor een tussenbalk- of dekbalkconstructie te kiezen, lijkt in het gebied waarin de tussenbalkconstructie wordt aangetroffen te zijn bepaald door de positie (hoogte) van de fliering in het dakvlak. Boekwijt en Van Drunen 1996 (noot 2), 22-23. Zie ook: Dukers 2025 (noot 38), 262-268.

Omdat tussenbalkspanten in het oosten van Nederland en het aangrenzende Rijnland als dwarsondersteuning zijn uitgevoerd, kan worden gesteld dat sprake is van een mengvorm. De in het Maasland aangetroffen voorbeelden stammen over het algemeen uit de zestiende tot de achttiende eeuw. Ze zijn voorzien van gordingen en – anders dan in de noordelijkere voorbeelden – wél als langsondersteuning uitgevoerd. Boekwijt en Van Drunen 1996 (noot 2), 23. Een in Dokkum aangetroffen exemplaar is vermoedelijk een product van zo’n rondtrekkende timmerman. Janse 1989 (noot 2), 145. Zie ook F. van der Waard, ‘“Oplecht Wark”, de oudste boerderijconstructies in Oost-Nederland’, in: Jaarboek Monumentenzorg 1996 (noot 2), 8-18, 17, over het ontstaan van de, met de tussenbalk vergelijkbare, ankerbalk.

Boekwijt en Van Drunen 1996 (noot 2), 25.

Hierbij is onder andere gebruikgemaakt van J.P. Staal, Metseltekens. Vindplaatsen in Nederland. Inventarisatie naar plaats, Archief Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort XXXX en H.H.M. Strijbos, ‘Metseltekens: figuren, tekens en symbolen in baksteen-metselwerk’, Restauratievademecum, RVbladen, ‘Metselteken’, 1992.