Schuitenbouwers, Middenstanders en Sjacheraars

Bewoners, bedrijven en materiële cultuur op het Amsterdamse stadseiland Marken, 1592-1815

Auteurs

  • Maarten Hell
  • Ranjith Jayasena

Downloads

DOI:

https://doi.org/10.48003/knob.125.2026.1.878

Gepubliceerd

2026-04-21

Nummer

Sectie

Artikelen

Citeerhulp

Schuitenbouwers, Middenstanders en Sjacheraars: Bewoners, bedrijven en materiële cultuur op het Amsterdamse stadseiland Marken, 1592-1815. (2026). Bulletin KNOB, 125(1). https://doi.org/10.48003/knob.125.2026.1.878

Samenvatting

In the early 20th century, Valkenburgerstraat was the centre of one of the poorest and most densely-populated neighbourhoods of Amsterdam’s Jewish quarter, where large families lived in cramped ‘alley dwellings’. In contrast, in the early 17th century the first occupants of this street on the man-made island of Marken had been wealthy shipbuilders who owned large wharf plots. This article draws on archaeological data from two sites on Valkenburgerstraat in combination with historical records, creating multiple lines of evidence illuminating life on Marken from the late 16th to the 19th century.

 

Marken was one of the shipbuilding islands created by the city extension of 1592. The modern lots on the northern side of Valkenburgerstraat can be traced back to the original 16th-century shipyards. After 1660, maritime activities shifted to a new maritime quarter and the island became a multi-ethnic, predominantly Jewish, residential area. The former wharf parcels were subdivided, and houses were built in the alleys connecting the main street with the water. At the same time, properties encroached on Uilenburgergracht as private land reclamation projects appropriated space from the canal. 

 

Archival records provide the names of the occupants in Marken’s alleys, as well as information about their families, religion, occupation and socio-economic position. Connecting these data to the archaeological record offers a unique opportunity to shed light on how different circumstances were reflected in the material culture of these households. Poverty was usually hidden, while material displays often claimed – or attested to – higher status. Despite this, and what is basically a universal urban material culture for each era, the archaeological record can yield criteria for defining poverty by evaluating nuances and significant cultural markers.

 

The finds from two artefact assemblages on Marken reveal a variety of everyday household material culture common in the 18th and early 19th century. Poverty is reflected by the presence of relatively inexpensive ceramics, and signs of extensive use or repair of objects. Jewish ethnicity is reflected in the animal remains, which point to a predominantly kosher diet. While inventories of Jewish residents' possessions include ceremonial objects, such as Sabbath lamps, these were also found hanging in a non-Jewish grocer's shop. Marken was a not exclusively Jewish neighbourhood of low-paid transport workers, tobacco spinners, hawkers and other economically-disadvantaged people. Records reveal the presence of more affluent middle-class residents of non-Jewish backgrounds, such as grocers and innkeepers.

 

On Marken though, the majority were living in poverty in dwellings with the lowest rents in the city. The Valkenburgerstraat excavations documented rows of houses in which large families sometimes shared a space no bigger than 20 square metres. These could be one-room dwellings or tenements in which many rooms, floors and even basements were inserted and rented out for occupation. Built as workers’ cottages in the 17th century, extensive modifications in the 18th and 19th centuries had degraded these dwellings into notorious slums by the 20th century.

Biografieën auteurs

  • Maarten Hell

    Dr. Maarten Hell is historisch onderzoeker, tekstschrijver en (eind)redacteur. In 2017 promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) op De Amsterdamse herberg 1450-1800, waarvan de handelseditie werd bekroond met de Joop Witteveenprijs. Hierna deed hij (postdoc)onderzoek naar de multi-etnische buurt Vlooienburg, waarover in 2024 Verloren wereld in de Amstelbocht  verscheen. Hell was redacteur van het Digitaal Vrouwenlexicon en is vaste auteur voor Geschiedenis Magazine en Ons Amsterdam.

    Meer informatie: maartenhell.wordpress.com

  • Ranjith Jayasena

    Dr. Ranjith Jayasena studeerde archeologie aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) en is sinds 2005 als senior archeoloog verbonden aan Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam. In 2019 promoveerde hij aan de UvA op het proefschrift Graaf- en modderwerk. Een archeologische stadsgeschiedenis van Amsterdam, een eerste synthese van 65 jaar stadsarcheologie in Amsterdam (handelseditie 2020). Daarnaast is hij gastonderzoeker bij het Amsterdam Centre for Ancient Studies and Archaeology (ACASA) van de UvA.

Referenties

J. Gawronski en R. Jayasena, Het eiland Marken in Amsterdam. Veranderingen in de stad 1592-1930. Archeologische Opgraving Valkenburgerstraat 130-146 Amsterdam (2011-2012), (Amsterdamse Archeologische Rapporten [hierna AAR]; 90), Monumenten en Archeologie, Amsterdam 2016; R. Jayasena, T. Terhorst en J. Maas, Gangen, woningen en landwinning aan de oever van de Uilenburgergracht. Archeologische Opgraving Valkenburgerstraat 72-106, Amsterdam (2016), (AAR; 112), Monumenten en Archeologie, Amsterdam 2020. Daarnaast is de oeverzone tussen Valkenburgerstraat en Uilenburgergracht opgegraven op Valkenburgerstraat 20-50, 204-208 en 14-16, zie J. Veerkamp, Brood en IJzer. Archeologische Opgraving Valkenburgerstraat 186-208, Amsterdam (2001, 2003 en 2004), (AAR; 120), Monumenten en Archeologie, Amsterdam 2020 en J. Veerkamp, In de Uilenburgergracht. Archeologische Begeleiding Valkenburgerstraat 14-16, Amsterdam (2016), (AAR; 113), Monumenten en Archeologie, Amsterdam 2020.

Onze dank gaat uit naar Thijs Terhorst en Jørgen Veerkamp (Bureau Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam) voor het becommentariëren van eerdere versies van dit artikel en de twee anonieme peer reviewers voor hun waardevolle opmerkingen en suggesties.

Over de wijze waarop historische en archeologische bronnen zich tot elkaar verhouden, is meer te vinden in: A. Carmiggelt, ‘Over de zin en onzin van postmiddeleeuwse archeologie’, Westerheem 55 (2006) 6, 312-325, en voor de Amsterdamse situatie: A. Carmiggelt e.a., ‘Mapping Three Towns in Four Reference Years. The Dynamics of Late Medieval Urban Development Seen from an Archaeological perspective’, in: R. Rutte en B. Vannieuwenhuyze (red.), The Rise of Cities Revisited. Reflections on Adriaan Verhulst’s Vision of Urban Genesis and Development in the Medieval Low Countries, Turnhout 2024, 103-134, hier 106-107.

Oudeschans op Uilenburg: R. Jayasena en E. Schmitz, ‘Van weiland in het veen tot stedelijke kade. Oudeschans 5, 7, 9 en 11 interdisciplinair belicht’, Jaarboek Amstelodamum 104 (2012), 115-141; Vlooienburg: K. van Kempen en H. Berg (red.), Waterlooplein. De buurt binnenstebuiten, Zutphen 2020; M. Stolk, The archaeology of Vlooienburg. Materiality and daily life in multicultural Amsterdam, 1600-1800, proefschrift Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 2022; M. Hell, Verloren wereld in de Amstelbocht. Leven op Vlooienburg 1600-1815, Zutphen 2024.

Voor de Tweede Uitleg, zie C.P. Burger, ‘Amsterdam in het einde der zestiende eeuw. Studie bij de uitgaaf van den grooten plattegrond van 1597’, Jaarboek Amstelodamum 16 (1918), 1-101; W.H.M. de Fremery, ‘De opkomst der Amsterdamsche haven’, Jaarboek Amstelodamum 22 (1925), 23-111, hier 88-92; R. Jayasena, Graaf- en modderwerk. Een archeologische stadsgeschiedenis van Amsterdam, Utrecht 2020, hier 135-150. Voor de verdere inrichting van de eilanden, zie de vroedschapsresolutie d.d. 30 mei 1592: Stadsarchief Amsterdam (hierna SAA), Archief 5025 (Resoluties Vroedschap), inv.nr. 7.

SAA, Archief 5033, Poorterboeken, inv.nr. 1, fol. 109 [217], poorterinschrijving 14 mei 1592; Archief 5039, Thesaurie, inv.nr. 105, fol. 131v; W.H.M. de Fremery, ‘De opkomst der Amsterdamsche haven’, Jaarboek Amstelodamum 22 (1925), 23-111, hier 92, 109.

Zie de kaart van Cornelis Danckertsz de Rij uit 1659 (SAA, stadsgedeelte 1938).

SAA, beeldbanknrs. 010001001030, KOKA00027000001; Archief 5025, Vroedschap, inv.nr. 18, fol. 173v, 9-1-1648 (magazijn Admiraliteit); I.H. van Eeghen, ‘Marken of Valkenburg: het huis Valckenburg’, Maandblad Amstelodamum 74 (1987), 73-79; J.E. Abrahamse, De grote uitleg van Amsterdam. Stadsontwikkeling in de zeventiende eeuw, Bussum 2010, 218.

SAA, beeldbanknr. UZFA00002000001; Archief 5025, Vroedschap, inv.nr. 10, fol. 6 [11], resolutie 11 oktober 1610; inv.nr. 10, fol. 9v [18], 24 januari 1611, idem fol. 10v [20], 31 januari 1611, idem fol. 44v [88], 17 januari 1612 [melioratie]; C.P. Hooft, Memoriën en adviezen, red. H.A.E. van Gelder, deel 2, Utrecht 1925, 367, 380, n. 1.

SAA, Archief 366, Gilden, inv.nr. 1377, ordonnanties; W. Gijsbers en A. Hoving, ‘Erven van scheepstimmerwerven in zeventiende-eeuws Amsterdam’, Scheepshistorie 26 (2019), 41-53; J. Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten, koophandel, gebouwen, kerkenstaat, schoolen, schutterije, gilden en regeringe, deel 2, Amsterdam 1765, 460-461; F.G.M. Douwes, ‘Scheepsbouw te Amsterdam in vroeger eeuwen’, Ons Amsterdam 13 (1961), 34-44.

Na opsplitsing van het werfkavel werd kort na 1649 op het latere perceel 130 een nieuwe 4 meter brede helling getimmerd.

Eerste helling: VAL4-98 (1601) en VAL4-97 (1602), tweede helling VAL4-246 (na 1645) en VAL4-247 (na 1649); datering Deutsches Archäologisches Institut, dr. K-U. Heuβner, 2012. VAL5-73: veldatum na 1460 [labnr. C85067], VAL5-106: veldatum 1550 (+/- wankant) [labnr. C85090], VAL5-108: veldatum ca. 1546 [labnr. C85092, KU Heuβner, DAI, Berlijn, 25 mei 2016].

Selectie uit de dataset ‘Ja, ik wil – Amsterdam Marriage Banns Registers 1580-1810’, doi.org/10.25397/eur.14049842.

H.M.E.P. Kuijpers, Migrantenstad. Immigratie en sociale verhoudingen in 17e-eeuws Amsterdam, Hilversum 2005, 140-158.

Tot de standaarduitrusting van scheepsbouwers behoorden allerhande zagen voor de verwerking van boomstammen tot balken en planken, bijlen en dissels, avegaars en lepelboren en dommekrachten voor het vastzetten van houten onderdelen, zie Gijsbers en Hoving 2019 (noot 9), ‘Erven’, 46. Montias nrs. 884 (Gerrit Arentsz, schuitenmaker), 1082 (Jan Reijnsz, scheepstimmerman).

Deze schuitenvoerder en mastenmaker bezat een huis in de Ridderstraat en een werf met huis op Marken.

SAA, Archief 5073, Kwijtscheldingen, inv.nr. 926, fol. 167, 13 januari 1638; idem, Archief 5062, inv.nr. 43, fol. 89, 16 februari 1649; Archief 5044, Thesaurieren Extraordinaris, inv.nr. 460, fol. 165-165v; I.H. van Eeghen, ‘Jan Rijcksen en Griet Jans’, Maandblad Amstelodamum 57 (1970), 121-127.

Jayasena en Schmitz 2012 (noot 4).

Hij was niet de naamgever van het latere toponiem ‘Valkenburg’, zie: Van Eeghen 1987 (noot 8), 77; C.C. van Valkenburg, ‘Het Vlaamse schildersgeslacht Van Valckenborch’, Oud Holland 86 (1971), 43-46, hier 43.

SAA, Archief 5001, Ondertrouwregister, inv.nr. 414, p. 448, 24 december 1610 [Andries Jansz x Niesje Jans]; Archief 5062, Kwijtscheldingen, inv.nr. 42, fol. 229v; idem, inv.nr. 471, p. 48, 6 maart 1653 (Michiel de Draper x Aagje Tomas); Archief 5033, Poorterboeken, inv.nr. 2, poorterschap 7 september 1645 (Rootjer Emmeri); Archief 5044, Verpondingskohier, inv.nr. 282, fol. 154v; Archief 5062, Kwijtscheldingen, inv.nr. 47, fol. 84, 8 oktober 1655 (Emory); A. Carter, The English Reformed Church in Amsterdam in the seventeenth century, Amsterdam 1964, 208, 220.

De inventaris bestond uit twee koperen schalen en een ijzeren weegschaal, een grote koperen doofpot, koperen bekken en (deeg)plaat, bakkersgereedschap, baktrog, tien stuks aardewerk, een builmolen en builgereedschap en zestien bakkerszakken. De brandstoffen (25 manden turf en een partijtje brandhout van spaanders) lagen droog opgeslagen op zolder. SAA, Archief 5001, Ondertrouwregister, inv.nr. 682, p. 286, 7 mei 1655 (Andries Knuedt x Aaltje Volckerts); Archief 5061, Kwijtscheldingen, inv.nr. 2171, fol. 92; 20 september 1674; idem, 5062, inv.nr. 52, fol. 178v, 25 juni 1661 (bakkerij); Archief 5072, Desolate Boedelkamer, inv.nr. 607, fol. 212-213v, 20 mei 1680 (bakker Hendrick Loij).

Uit de faillissementsboedel van de Asjkenazische eigenaren, in 1707, bleek hun fabriek te bestaan uit vijf tabakspersen en twee spintafels. SAA, NA 5909/249, notaris J. Hoekeback 13 juli 1708; Archief 5072, Desolate Boedelkamer, inv.nr. 631, fol. 31, 17 november 1707; beeldbanknr. UZFA00037000001; J.J. Reesse, De suikerhandel van Amsterdam van het begin der 17de eeuw tot 1813, Den Haag 1908, 130-131; H. Bontemantel, De regeeringe van Amsterdam, soo in ʼt civiel als crimineel en militaire (1653-1672), red. G.W. Kernkamp, deel 2, Den Haag 1897, 497.

Over de verdere ontwikkeling van de particuliere werven: J. ter Brugge, ‘Zwervende werven. De stedelijke context van de Amsterdamse particuliere scheepswerven van de middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw’, in: H. Lettany en G. Burger (red.), Houten scheepsbouw in de Nederlanden van de late middeleeuwen tot nu, Zutphen 2024, 104-117. SAA, Archief 5039, Thesaurie, inv.nr. 1, fol. 181v, 13 maart 1664; idem, Register verhuring, inv.nr. 537, p. 536; Abrahamse, Grote uitleg, 129, 257.

SAA, Archief 5001, Ondertrouwregister, inv.nr. 465, p. 550, 13 juni 1648; Archief 5062, Kwijtscheldingen, inv.nr. 53, fol. 235, 16 november 1663; Archief 5001, DTB Begraven, inv.nr. 1086, p. 37, begraafregistratie Oosterkerk 13 december 1687 (Jurejaen Geerlofs); Bontemantel, Regeeringe, deel 2, 200, n. 3.

In eerste instantie gebeurde dat door ze in tweeën te verdelen en vervolgens één van de brede kavels nogmaals op te delen zodat er drie woonkavels ontstonden. Voor de smaldeling, zie Gawronski en Jayasena 2016 (noot 1), 12.

Deze kaart is overgeleverd in een kopie van Herbert Roemer uit 1698. SAA, stadsgedeelte 1938.

SAA, stadsgedeelte 1939.

Het hergebruik van hout als bouwmateriaal was indertijd gebruikelijk en niet noodzakelijkwijs een teken van beperkte financiële middelen.

SAA, NA 597, fol. 43, notaris Lamberti, attestatie 07 september 1635; T. Terhorst, Botijas in Amsterdam. Een 17de-eeuwse aanplemping van Iberische olijfoliekruiken in breed perspectief (MA scriptie Universiteit van Amsterdam), 2012.

Jayasena, Terhorst en Maas 2020 (noot 1), 26-27, 37.

Jayasena, Terhorst en Maas 2020 (noot 1), 35.

Het huis werd begin negentiende eeuw gesloopt, waarna het tot het einde van die eeuw duurde voordat er weer bebouwing verrees. Jayasena, Terhorst en Maas 2020 (noot 1), 31-32.

SAA, Archief 5001, Ondertrouwregister, inv.nr. 681, p. 21, 3 november 1650 (Jacob Abrahams x Channa Isaac en Jochem Davits x Sepora Salomons); Hell 2024 (noot 4), 142-143; C. Reijnders, Van Joodsche Natiën tot Joodse Nederlanders. Een onderzoek naar getto- en assimilatieverschijnselen tussen 1600 en 1942 (dissertatie Universiteit Utrecht 1969), Amsterdam 1970, 71, 78, 85.

SAA, NA 2135, fol. 219, notaris N. van Born, attestatie 16 oktober 1650; Archief 376, Hervormde Kerkenraad, fol. 47, 5 oktober 1645; A.M. Vaz Dias, ‘Uit het begintijdperk der Hoogduitsch-Joodsche gemeente’, De vrijdagavond. Joodsch weekblad 8 (2 oktober 1931) 27; J.J.F.W. van Agt, Synagogen in Amsterdam, Den Haag 1974, 21-22; Hell 2024 (noot 4), 319.

Onder het toenmalige paraplubegrip ‘koopman’ vielen ook eenvoudige venters en scharrelaars.

SAA, Archief 5072, Desolate Boedelkamer, inv.nr. 604, fol. 206v, 10 december 1677 (Joseph Abrahams, Blekersgang); idem, inv.nr. 633, fol. 381, 3 november 1713 (Moses Isaak, Buisengang); D.M. Swetschinski, Reluctant Cosmopolitans. The Portuguese Jews of Seventeenth-Century Amsterdam, Londen/Portland/Oregon 2000, 286-287; Van Eeghen 1987 (noot 8).

Cohens stoffenhandel was in mineur geraakt nadat hij gastvrijheid had geboden aan twee onbetrouwbare Poolse Joden en op zakenreis in Limburg bruut beroofd was door Franse soldaten. SAA, Archief 5072, Desolate Boedelkamer, inv.nr. 612, fol. 6, 20 september 1685 (Hartog van de Wilde); idem, inv.nr. 631, fol. 27, 10 november 1707; inv.nr. 709, nr. 4, 22 november 1707 (Abraham Joseph Cohen).

SAA, Archief 5072, Desolate Boedelkamer, inv.nr. 645, fol. 160, 25 mei 1728; inv.nr. 730, nr. 50, 22 juni 1728 (Salomon Isaaks Bles).

SAA, Archief 5045, inv.nr. 218, fol. 492-528; Hell 2024 (noot 4), 270-272.

SAA, Archief 5061, Schout en schepenen, inv.nr. 694, rekest nr. 77.

SAA, Archief 5028, Burgemeesters, inv.nr. 670, Liberale Gifte 1747-1752, nr. I.

SAA, NA 9752, nr. 7, notaris mr. Mathys van Son, 24 januari 1732; NA 10118, nr. 114, notaris G.T. Domis, 27 augustus 1737; NA 8069, nr. 140, notaris G. van Esterwege, 31 december 1711.

W.F.H. Oldewelt (red.), Kohier van de personeele quotisatie te Amsterdam over het jaar 1742, deel 2, Amsterdam 1945, 102; Hell 2024 (noot 4), 185-196.

SAA, Archief 347, inv.nr. 42 [stamboek tappers en tabaksverkopers]; H. Diederiks, Een stad in verval, Amsterdam omstreeks 1800. Demografisch, economisch, ruimtelijk, Amsterdam 1982, 50; H. Snel, ‘Herbergen, wijn, bier en tabak. Joden in de Amsterdamse horeca in de 18de eeuw’, Misjpoge 31 (2018) 3, 82-92.

SAA, Archief 5072, Desolate Boedelkamer, inv.nr. 636, fol. 176, 28 juni 1718 [Galman]; Archief 5072, Desolate Boedelkamer, inv.nr. 651, fol. 188, 20 april 1733; idem, inv.nr. 735, nr. 40, 28 april 1733 (Simon Levi de Jong); idem, inv.nr. 2987 (Johanna Oordenbag); Hell 2024 (noot 4), 206-216, 258.

Net als zijn voorgangers doopte hij zijn kinderen in de nabije Mozes- en Aäronkerk. SAA, Archief 5001, Ondertrouwregister, inv.nr. 744, p. 377, 26 januari 1781 (Van der Kley); idem, inv.nr. 647, p. 113, 24 oktober 1800 (Bruning); Archief 5072, Desolate Boedelkamer, inv.nr. 6096 (Susanna ter Beek, 1799); Archief 5061, Kwijtscheldingen, inv.nr. 2180, p. 127, 10 december 1801.

J.P. Farret e.a., Rapport over de telling van het volk van Amsterdam, Amsterdam 1795, 6 [citaat], 15, 17.

M. van Leeuwen, ‘Arme Amsterdamse joden en de strijd om hun eigen integratie aan het begin van de negentiende eeuw’, in: H. Berg (red.), De Gelykstaat der Joden. Inburgering van een minderheid, Amsterdam 1996, 55-66; Reijnders 1969 (noot 33), 79, f37, n. 19.

SAA, Archief 5045, Huurderskohier, inv.nr. 278, wijk 15; Diederiks 1982 (noot 44), 342.

SAA, Archief 5053, Nieuw Stedelijk Bestuur, inv.nr. 895; M. Mossel, Lijst van gealimenteerde hoogduits-joodse armen te Amsterdam in 1809, Nederlandse Kring voor Joodse genealogie, Amsterdam 1993.

Jayasena, Terhorst en Maas 2020 (noot 1), 34-35; J. Bakker en G. Graas, ‘6 Vondsten: dierlijke resten’, in: Jayasena, Terhorst en Maas 2020 (noot 1), 61-62.

SAA, Archief 5045, Huurderskohier, inv.nr. 278, wijk 15; Jayasena, Terhorst en Maas 2020 (noot 1), 31-32; ‘Abraham David Konijn’, DutchJewry, www.dutchjewry.org/genealogy/ashkenazi/18708.shtml (geraadpleegd 14 november 2025).

T. Levie Bernfeld, ‘Matters Matter. Material Culture of Dutch Sephardim (1600-1750)’, Studia Rosenthaliana 44 (2012), 191-216, hier 213; Stolk, Archaeology of Vlooienburg, 79-82.

Levie Bernfeld 2012 (noot 53), 201 en 207-208.

Object WLO-54-2. De Hebreeuwse, aan Exodus ontleende tekst, meldt ‘zeven dagen zult gij matzes eten’, gevolgd door de toevoegingen ‘vlees’ en ‘pesach’.

A. van Helbergen, ‘5.1.9 Koosjere vleesloden’, in: Jayasena, Terhorst en Maas 2020 (noot 1), 58-60.

T. Levie Bernfeld, Poverty and welfare among the Portuguese Jews in early modern Amsterdam (dissertatie; Oxford 2012), 65 en 320, noot 29.

De twaalf gezinshoofden waren: Hartog Salomon, Ragel Salomon, Rebek[a] Isaak, Abraham Broder, Levie Balletje, David Gomperts, Aron Gansje, Marcus Meyer, Jonas Levie, Philip Moses, Levie Daniel en Isaak Levie. SAA, Archief 5045, Huurderskohier, inv.nr. 278, wijk 15, fol. 234-235 (Oude Biksteengang) en fol. 227 (Schiemansgang) en fol. 228 (Muidergang).

Gawronski en Jayasena 2016 (noot 1), vondstnummer VAL4-106.

VAL4-106-15 en VAL4-106-16.

Na het Emancipatiedecreet (1796) bestond er vanaf 1805 kortstondig een Joods viskopersgilde, Mazal Dagim (geluk voor de vissen). De ‘vaarders’ haalden met kleine vaartuigen vis van de Zuiderzee-vissersvloot in het IJ en de ‘kopers’ verkochten de beestjes op de Jodenvismarkt. SAA, NA 11741, nr. 92, notaris S. de Fremeri, 16 oktober 1748; Archief 5053, Nieuw Stedelijk Bestuur, inv.nr. 895; J. Bakker, About the possibility to trace Jewish urban households by means of an ichthyo-archaeological investigation. A study on archaeological fish remains from post-medieval Amsterdam and medieval Cologne, (MSc-scriptie Universiteit Leiden), 2014; J. Zwarts, ‘Een Amsterdamsch-Joodsch vischverkoopersgild uit de 18e eeuw’, in: J. Zwarts (red.), Hoofdstukken uit de Geschiedenis der Joden in Nederland, Zutphen 1929, 247-258.

Jayasena, Terhorst en Maas 2020 (noot 1), 25, S 168, vondstnummers VAL5-66 t/m 69.

Voor een Nederrrijns bord werd in die tijd 1 stuiver betaald, tegenover 1 tot 2 stuivers voor één van lokale makelij, 3 tot 4 stuivers voor majolica, faience of Engelse keramiek, 8 stuivers voor Chinees porselein en maar liefst 40 stuivers voor een exemplaar van Europees porselein, zie J.M. Baart, W. Krook en A.C. Lagerweij, ‘Opgravingen aan de Oostenburgermiddenstraat’, in: J.B. Kist e.a. (red.), Van VOC tot Werkspoor. Het Amsterdamse industrieterrein Oostenburg, Utrecht 1986, 81-142; P. Kleij, ‘Claas, Anthonia en hun rommeling. Keramiek, rijkdom en armoede in het 18de-eeuwse Zaandam’, in: R. van Oosten e.a. (red.), In kannen en kruiken. Studies over middeleeuws aardewerk en glas aangeboden aan Hemmy Clevis, Zwolle 2021, 201-205.

Jayasena, Terhorst en Maas 2020 (noot 1), 40-48.

Van Helbergen 2020 (noot 56), 58-60. De betekenis van de Hebreeuwse letter op de Joodse amulet (VAL5-66-128) is vooralsnog niet achterhaald. Jayasena, Terhorst en Maas 2020 (noot 1), 52-53.

SAA, Archief 5180 Secretarie; Afdeling Publieke Werken, inv.nr. 12140 Statistisch materiaal inzake bewoners, huizen en bedrijven in de buurten C, N, O, P Q, R, S en V1, 14 februari 1941; Reijnders 1969 (noot 33), 79-85.