De restauratie van de Noodkist van Sint Servaas (1958-1962)

Kennisarchitectuur voor integrale bescherming van materieel en immaterieel cultureel erfgoed

Auteurs

  • Charles van den Heuvel

Downloads

DOI:

https://doi.org/10.48003/knob.125.2026.1.880

Gepubliceerd

2026-04-21

Nummer

Sectie

Artikelen

Citeerhulp

De restauratie van de Noodkist van Sint Servaas (1958-1962): Kennisarchitectuur voor integrale bescherming van materieel en immaterieel cultureel erfgoed. (2026). Bulletin KNOB, 125(1). https://doi.org/10.48003/knob.125.2026.1.880

Samenvatting

The legal distinction in the Netherlands between the protection of immovable and movable cultural heritage on the one hand and that of tangible and intangible cultural heritage on the other is confusing and has direct consequences for policy and research in the field of national heritage. It also prevents proper alignment with international regulations such as those of UNESCO's tangible and intangible cultural heritage. With the introduction of the Erfgoedwet (Heritage Act) in 2016, more order was created in the multitude of regulations, methods of protection and subsidies. Nevertheless, the distinction remained, with direct consequences for the optimal preservation of objects in a cultural context. This study of the practices and ethical aspects of the restoration of the Chest of Distress of St. Servatius in Maastricht between 1958 and 1962 explains why it is necessary to examine and protect tangible and intangible cultural heritage conjointly.

 

The Chest of Distress owes its remarkable name to the practice of carrying this reliquary through the streets of Maastricht to pray publicly for protection in times of war, epidemics or other threats to the city. In addition, the Chest of Distress is paraded along with other relics approximately every seven years during the so-called Heiligdomsvaart (Holy Procession). During these public events, the Chest of Distress is surrounded by all kinds of intangible expressions, such as prayers, singing, music, theatrical performances and the wafting of scents such as incense, which all contribute to the total experience.

 

The Erfgoedwet brought greater uniformity to regulations but did not lead to more extensive protection. The policy is primarily aimed at reducing the number of objects that need to be protected and at ‘increasing knowledge and awareness, changing attitudes and improving management standards’. Dutch policy does not go as far as that of the Council of Europe, which ‘recommends that governments, as part of their general policies for the conservation of the built heritage, create conditions to ensure the protection of historic complexes composed of immovable and movable property’.

 

Maintaining rather than expanding the level of protection within the Erfgoedwet can be seen as a missed opportunity. For the time being, therefore, the main focus remains on expanding knowledge in order to better protect tangible and intangible cultural heritage. This expanded knowledge must go beyond the simple provision of information to heritage owners or the creation of a database of protected cultural property. Knowledge enhancement, it is argued here, must be part of a comprehensive strategy to better protect the interconnectedness between tangible and intangible heritage in the future. This article argues that a combination of digital resources can make an important contribution to that strategy. Using a digital 3D reconstruction based on restoration drawings, the Chest of Distress and its restoration history from 1958 to 1962 are examined from multiple perspectives. By placing objects in context in this multidimensional way and linking them to national and international projects focused on research into tangible and intangible heritage, a knowledge architecture is created that contributes to integrated heritage protection.

Biografie auteur

  • Charles van den Heuvel

    Prof. dr. C.M.J.M. (Charles) van den Heuvel, kunsthistoricus, is voormalig hoofd van de afdeling Kunst-en kennispraktijken van het Huygens Instituut (K.N.A.W.) en emeritius professor op de leerstoel Digitale Methoden en Historische Disciplines (in het bijzonder de geschiedenis van de kennis- en informatiewetenschappen) van de Universiteit Amsterdam.

Referenties

Dankwoord

Ik ben dank verschuldigd aan Truus van Wanrooij-Roks, voormalige medewerker van het Historisch Centrum Limburg in Maastricht, en aan Pieternel Coenen, conservator van de schatkamer van de Servaasbasiliek, voor hun ondersteuning bij dit onderzoek. Verder ben ik Fred Ahsmann, auteur van de publicatie Order and Confusion (zie noot 13) dankbaar voor het beschikbaar stellen van foto’s van zijn reconstructie van de oorspronkelijke altaaropstelling met de Noodkist. Tenslotte ben ik dank verschuldigd aan de reviewers voor hun waardevolle suggesties.

Afkortingen archieven:

Bonn RAK: Bonn, Rheinisches Archiv für Künstlernachlässe

Keulen ED 827-70: Keulen, Historisches Archiv des Erzbistums Köln, Erzbischoflisches Diozesanmuseum, Zugang 827, Nr. 70, ‘Servatius-schrein Maastricht Laufzeit 1958-1962’

Maastricht HCL: Maastricht, Regionaal Historisch Centrum Limburg

Nijmegen CKD: Nijmegen, Centrum voor Kunsthistorische Documentatie

Nijmegen KDC-Brom: Nijmegen, Katholiek Documentatie Centrum, archief Edelsmidse Brom

Utrecht AM 1987: Utrecht, Stichting Aartsbisschoppelijk Museum, toegang 1987

Noten:

Voor een uitgebreide bibliografie van de geschiedenis en de publieke rol van de Noodkist zie: P.J. Margry en C. Caspers m.m.v. A. Jacobs en O. Thiers, Bedevaartplaatsen in Nederland, 4 dln. Amsterdam/Hilversum 2000. Voor Sint Servaas dl. 3: Limburg, 453-491.

In de literatuur wordt onder andere onderscheid gemaakt tussen objective authenticity (materiële aspecten), constructive authenticity (gebaseerd op culturele en historische contexten), existential authenticity (gebaseerd op persoonlijke ervaringen en subjectieve betekenistoekenning) en postmodern authenticity waarbij authenticiteit gezien wordt als een sociale constructie beïnvloed door toeristen en andere waarnemers. Zie bijvoorbeeld: H. Fredheim en M. Khalaf, ‘The significance of values. Heritage value typologies re-examined’, International Journal of Heritage Studies 22 (2016) 6, 466-481, doi.org/10.1080/13527258.2016.1171247 (geraadpleegd 9 november 2025); F. Farrely, F. Kock en A. Josiassen, ‘Cultural heritage authenticity. A producer view’, Annals of Tourism Research 79 (2019), 200-213, doi.org/10.1016/j.annals.2019.102770 (geraadpleegd 9 november 2025).

E. Nakonieczna en J. Szczepański, ‘Authenticity of cultural heritage vis-à-vis heritage reproducibility and intangibility. From conservation philosophy to practice’, International Journal of Cultural Policy 30 (2024) 2, 220-237.

In België komt dit debat tot uitdrukking in onder meer het project PaReS-Painted Relics in Situ (BRAIN-be 2.0) en in de studie van J. Reyniers e.a., ‘Interdisciplinair onderzoek naar houten beschilderde reliekschrijnen in België’, Volkskunde. Tijdschrift over de cultuur van het dagelijks leven 126 (2025) 2-3, 279-293, in het bijzonder 289-290.

Mexico City Declaration on Cultural Policies, ‘introduction statement’, p. 1. Zie ook Cultural heritage art. 23: ‘The cultural heritage of people includes [...] expressions of the people’s spirituality, and the body of values which give meaning of life. It includes both tangible and intangible works through which the creativity of that people finds expression.’

L. Smith, Uses of Heritage, Londen/New York 2006, 56 en 307-308.

Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld, Parijs, 16 november 1972 (geldend van 26 november 1992 t/m heden). Inleiding. Verder wordt in artikel 1 omschreven dat als cultureel erfgoed worden beschouwd monumenten, groepen van gebouwen en streken die o.a. uit hoofde van hun eenheid uit historisch, artistiek of wetenschappelijk oogpunt van uitzonderlijke waarde zijn.

wetten.overheid.nl/BWBV0003974/1992-11-26#Verdrag_2 (geraadpleegd 9 november 2025).

Deze maatregelen omvatten o.a. het identificeren en definiëren van het immaterieel erfgoed. Hieruit vloeit voort het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek en het instellen van documentatiecentra voor immaterieel erfgoed: www.immaterieelerfgoed.nl/nl/unesco/hetverdragnationaal (geraadpleegd 9 november 2025). Tractatenblad 2011, Verdrag 151, 24 augustus 2011, 68 (2003) 1: Verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed; Parijs, 17 oktober 2003, Artikel 2 begripsomschrijvingen, lid 1: ich.unesco.org/doc/src/00009-NL-PDF-NL.pdf (geraadpleegd 9 november 2025). Onder immaterieel cultureel erfgoed wordt verstaan: ‘de praktijken, voorstellingen, uitdrukkingen, kennis, vaardigheden – met inbegrip van de bijbehorende instrumenten, voorwerpen, artefacten en culturele ruimtes – die gemeenschappen, groepen en, in sommige gevallen, individuen erkennen als deel van hun cultureel erfgoed. Dit immaterieel cultureel erfgoed, wordt voortdurend opnieuw gecreëerd door gemeenschappen en groepen in reactie op hun omgeving, hun interactie met de natuur en hun geschiedenis […]’

J. Blake, Developing a New Standard-setting Instrument for the Safeguarding of Intangible Cultural Heritage. Elements for Consideration, Parijs 2002 (herz. ed. 2001), 12-13. Blake wees erop dat er veelal op lokaal niveau waarden wordt toegekend aan immaterieel erfgoed, maar dat de bescherming ervan juist op universele morele en wettelijke verplichtingen zou moeten berusten. Zie ook: Smith 2006 (noot 5), 109-113.

Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2014-2025 34109 Bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet) Nr. 3 Memorie van Toelichting, 21. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34109-3.pdf (geraadpleegd 9 november 2025).

De Raad van Europa: ‘recommends that the governments, […] create conditions to ensure the protection of historic complexes composed of immoveable and moveable property’. Geciteerd uit het rapport van de RCE, Theoretisch Kader Interieurenensembles, 2018, 44 van na de inwerkingtreding van de Erfgoedwet. In het bijzonder de Memorie van Toelichting op Erfgoedwet 2016: 3,7 Ensembles. Zie verder het rapport van de werkgroep Onroerend/roerend opgesteld in opdracht van het Directeurenoverleg Cultuurdiensten Zeist: Van object naar samenhang. De instandhouding van ensembles van onroerend en roerend cultureel erfgoed, Den Haag/Amsterdam 2004.

Recommendation No. R (98) 4 of the Committee of Ministers to Member States to Promote the Integrated Conservation of Historic Complexes Composed of Immoveable and Moveable Property. Geciteerd uit het rapport van de RCE (noot 10), 44. Ook in het rapport van de Raad van Cultuur: Onvervangbaar & Onmisbaar – naar een dynamisch beschermingsmodel voor de Collectie Nederland (2022) wordt een uitbreiding van de Erfgoedwet bepleit om verzamelingen van onroerend en roerend erfgoed beter te beschermen: zie de paragraaf: ‘Nieuwe Invulling’, 34: ‘Cultuurgoederen en verzamelingen komen in aanmerking voor bescherming indien ze onvervangbaar zijn én van onmisbaar cultuurhistorisch of onmisbaar maatschappelijk belang voor de Collectie Nederland. […] Met maatschappelijk worden actuele religieuze, spirituele, politieke of sociale onderwerpen bedoeld’.

De basiliek van Sint Servaas is in 1966 ingeschreven als rijksmonument (onroerend erfgoed) onder nummer 27168. Klokkenstoelen, biechtstoelen, klokken, doopvonten en het orgel worden in de omschrijving genoemd, maar de Noodkist niet.

Voor de reconstructies en discussies rondom de oorspronkelijke altaaropstelling met de Noodkist en de pendanten, zie: F. Ahsmann, Order and confusion. The twelfth-century choir of the St. Servatius church in Maastricht, Utrecht 2017, 4 en 215-245. De vier originele twaalfde-eeuwse pendanten in dezelfde vorm als de gevels van de Noodkist werden in 1846 aan een privéverzamelaar verkocht. Toen het kerkbestuur ze in 1861 niet terugkocht, kwamen ze via een veiling in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel terecht. In 1888 liet het kerkbestuur door de firma Wilmotte in Luik kopieën maken, die zich nu in de sokkel van de vaste opstelling van de Noodkist bevinden. Zie: Ahsmann 2017 (noot 13), 167-179.

Voor de altaaropstelling van architect P.J.H. Cuypers (circa 1880-1885) met de Noodkist en de cenotaaf van Gondulfis en Monulfus, die tijdens de restauratie in de jaren tachtig van de twintigste eeuw werd verwijderd, zie: Ahsmann 2017 (noot 13), 240-241.

Voorgesteld werd de Noodkist als onderdeel van het ensemble ‘Verzameling Sint Servaas Basiliek’ aan te wijzen op het hoogste niveau A uniciteit. Zie: Werkgroep onroerend/roerend (noot 10), 43 en RCE (noot 10), 13.

De ‘Verzameling Sint Servaas Basiliek’ is in 1985 als onderdeel op de lijst van de WBC geplaatst en bestond uit 684 onderdelen. Sinds de WBC is opgegaan in de Erfgoedwet is de lijst teruggebracht naar 292 objecten. Deze wet erkent inmiddels ensembles, maar biedt hiervoor geen nieuwe subsidiemogelijkheden dan voorheen geplaatste roerende cultuurobjecten.

www.immaterieelerfgoed.nl/nl/heiligdomsvaart-maastricht.

K. Ottenheym, ‘De “Maaslandse Renaissance”. Een problematisch geval’, in: G. Janssen e.a., Timmers Werk. Opstellen over Prof. Timmers & De Kunst van het Maasland, Sittard 2007, 188-193.

Bovenstaande informatie is ontleend aan het rapport van de Stichting Restauratie Atelier Limburg, Conditieopname (nulmeting oktober 2023). Reliekschrijn De Noodkist van Sint-Servaas te Maastricht, samengesteld door Bascha Stabik en Arnold Truyen.

De commissie bestond uit graaf J. de Borchgrave d’Altena, hoofdconservator van de Koninklijke Musea van Brussel, dr. D.P.R.A. Bouvy, directeur Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht, Th.H. Lunsing Scheurleer, directeur afdeling Beeldhouwkunst van het Rijksmuseum in Amsterdam, prof. dr. Schnitzler, directeur Museum Schnütgen in Keulen, prof. dr. J.J.M. Timmers, directeur van het Provinciaal Museum van Kunst (later Bonnefantenmuseum) en van de Jan van Eyck Academie in Maastricht, mgr. Joseph Hoster, priester en kunsthistoricus, later hoofd restauratieproject ‘Dreikönigenschrein’, Keulen, en professor Elisabeth Treskow, goudsmid en later restaurator van laatstgenoemd object.

R. de la Haye, Sint Servaas volgens Jocundus, Maastricht 2006; A.M. Koldeweij, Der gude Sente Servas. De Servatiuslegende en de Servatiana. Een onderzoek naar de beeldvorming rond een heilige in de middeleeuwen. De Geschiedenis van de Kerkschat van het Sint Servaaskapittel te Maastricht, deel I, Assen/Maastricht 1985; P.C. Boeren, Heiligdomsvaart Maastricht. Schets van de geschiedenis der heiligdomsvaarten en andere jubelvaarten, Maastricht 1962.

Hij zou de zoon zijn van Emiu, op zijn beurt de kleinzoon van Anna, moeder van de maagd Maria. Zie het schilderij De maagschap van Anna van een onbekende meester uit Westfalen (circa 1450) in de schatkamer van de basiliek van Sint Servaas.

Stabik en Truyen 2023 (noot 19), 2.

Maastricht HCL, inv.nr. 1747, verslag van de vergadering van 5 januari 1962, item 7, blad 3.

J.J.M. Timmers, St. Servatius’ Noodkist en de Heiligdomsvaart, Maastricht 1962; J.J.M. Timmers, ‘De iconografische betekenis van de Maastrichtse “Noodkist”’, Miscellanea Trajectensia. Bijdragen tot de Geschiedenis van Maastricht, Maastricht 1962, 55-66; en Ahsmann 2017 (noot 13), ad vocem.

Openbaringen 22:12: ‘En zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn.’

Al deze verwijzingen zijn terug te vinden in het Evangelie van Matheus (verzen 24 en 34 t/m 46) en de Apocalyps in de Openbaringen van Johannes (verzen 22:1-3).

Openbaringen 21:1: ‘Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. [...] De muur was gemaakt van jaspis, en de stad zelf was van zuiver goud, helder als glas. De grondstenen van de stad waren versierd met allerlei edelstenen. De eerste was van jaspis, de tweede van lazuur, de derde kornalijn, de vierde smaragd, de vijfde sardonyx, de zesde sarder, de zevende olivijn, de achtste aquamarijn, de negende topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist.’

Maastricht HCL, inv.nr. 1748, J. Hoster aan J.J.M. Timmers, 25 maart 1958. Twee foto’s van de cameo die hij meestuurde zijn helaas verloren gegaan. Joseph Hoster (1910-1969) was vanaf 1947 priester, vanaf 1949 vicaris van de Dom van Keulen en vanaf 1956 camerlengo van de paus. Vanaf 1947 was hij ook de curator van de schatkamer van de Dom van Keulen met de beroemde Driekoningenschrijn en directeur van het Diözesanmuseum.

www.kolumba.com/index.php?language=eng&cat=22&art=82 (geraadpleegd 9 november 2025).

Keulen ED 827-70, J.J.M. Timmers aan J. Hoster, 12 april 1958. Timmers antwoordde voorzichtig dat de adelaar inderdaad een attribuut van Servaas is, maar dat een eventuele aanschaf van de cameo in het licht van de gehele restauratie zou moeten worden bezien.

De Openbaringen van Johannes hoofdstuk 22 verzen 1-2 en 12-13 vermelden respectievelijk: ‘En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams. In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.’ En: ‘En zie, Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste.’ Voor de brief van J.A.L. Brouwer aan de Commissie van Deskundigen: Maastricht HCL, inv.nr. 1748, 1 juli 1961.

Maastricht HCL, inv.nr. 1747, verslag van 4 juli 1961.

Voor de iconografische betekenis van de engel die de bisschopsstaf aanreikt: R. Kroos, Der Schrein des heiligen Servatius in Maastricht und die vier zugehörigen Reliquiare in Brüssel, München 1985, 229; Ahsmann 2017 (noot 13), 156 en 317-324.

Brouwers merkte ter vergelijking op dat de staf wel gehandhaafd werd in de facade van de Sint Heribertreliekhouder in Deutz, die ook van latere datum was. Maastricht HCL, inv.nr. 1748, 1 juli 1961.

Zie voor discussies rondom het begrip authenticiteit noot 2.

Bouvy liet de passage ‘kunnen het best behouden blijven’ betreffende de medaillonkoppen in de conceptversie van het rapport met de richtlijnen vervangen door: ‘moeten behouden blijven’.’

Utrecht AM 1987, inv.nr. 188, D.P.R.A. Bouvy aan J.J.M. Timmers, 18-27 juni 1958.

Maastricht HCL, inv.nr. 1747, verslag van 7 november 1961, item 9bis.

Maastricht HCL, inv.nr. 1747, verslag van de vergadering van 5 januari 1962, item 5: Hoster, Schnitzler en Bouvy stemden voor terugplaatsing, Treskow en Lunsingh Scheurleer tegen. ‘Daar bekend is dat zowel Prof. dr. Timmers als Comte Borchgrave d’Altena [beiden niet aanwezig] zich tegen het terugplaatsen der kopjes verklaard hebben is met een stemverhouding van 4 tegen 3 besloten de 3 zilveren kopjes niet aan te brengen.’ Ondanks het besluit ze zorgvuldig te bewaren zijn de kopjes niet meer teruggevonden.

Maastricht HCL, inv.nr. 1747, verslag van 7 november 1961, item 9bis.

De ‘Noodkist’ rede van Dr. H.A. Poels, Maastricht 1917, 8.

Kroos 1985 (noot 33), 88 en 93. ‘Nun verschaffte man diesem diskreten Stück Goldschmiede Kunst eine falsche Aura von Alter und Kostbarheit, demontierte dafür die grossen Kristalle, die nach mittelalterlicher Deutung die ewige, unveränderbare Seligkeit der Gläubigen und besonders der Heiligen bezeichnen […] Denn damit wurde ja explizit geleuchnet und später kaschiert, dass der Schrein auch ärmliche und klägliche Perioden durchstanden hatte, nicht immers als “goldenes Haus”.’

Voor de sets tekeningen in Maastricht HCL, toegang 21.209A I, inv.nr. 1751 en Tekeningen in 01.67/ 0404/3. Voor de sets in Keulen, ED, Zugang 827, Nr. 70. Hoster schrijft op 12 mei 1958 aan Timmers dat hij de tekeningen stuurt waarop Treskow de stenen heeft aangegeven. Het is een antwoord op een brief van Timmers, die aangaf op 12 april 1958 dat de werktekeningen gereed zijn. Foto’s in Keulen ED 827-70, in Utrecht AM 1987, inv.nr. 186-851705, stukken en foto’s over de restauratie van de ‘noodkist van St Servaas’ te Maastricht, 1958-1962, nr. 186, foto’s van de kist voor de restauratie, circa 1958 (20). Nijmegen KDC-Brom, map REL660012.

Maastricht HCL, inv.nr. 1750, ‘Rapport inzake de Restauratie van de Noodkist van St. Servaas te Maastricht’, 12 november 1959. Utrecht AM 1987, 188 bevat ook de conceptversies van 4 en 27 augustus 1959.

HCL-GAM, 32148, foto Fonteyn en Zn. Maastricht.

Gedrukte folder als aankondiging: Maastricht HCL, inv.nr. 1753.

Dit is beschreven met een verwijzing naar het protocol van 19 januari 1958 in een rapport bij de terugplaatsing van de relieken op Maastricht HCL, inv. 1753, 24 april 1961.

Maastricht HCL, toegang 21.209B, inv.nr. 63. Het rapport van het pakket ‘Cineres Sci Servatti’ werd na drie openingen (de eerste op ‘onbekende datum’ [24 april 1961], de tweede en derde op 28 december 1961) door J.L.A Brouwers, conservator van de schatkamer, op 11 september 1968 aan het Kerkbestuur van de Sint-Servaaskerk overlegd. Voor de verwijzing naar 24 april 1961 zie: ‘Opening der Relieken van de Noodkist opgesteld door de secretaris van het Bisdom Roermond, J. Moonen en medeondertekend door de deken van de St Servaas M. Jennekens’. Hierin wordt verwezen naar vijf pakketjes en een koker met het protocol van de opening van 19 januari 1958. Vastgesteld werd dat de inhoud van de pakketjes volkomen beantwoordde aan de beschrijving in het protocol van de opening op 11 november 1863. Zie, Maastricht HCL, toegang 21.209A inv.nr. 1753.

De linnen en zijden doeken zijn gedateerd tussen de zevende/achtste en de elfde eeuw. Zie A. Stauffer, Die mittelalterlichen Textilien von St. Servatius in Maastricht (Schriften der Abegg-Stiftung Riggisberg; Band VIII), Riggisberg 1991, 18-20 en 47-70.

A.M. Husson, ‘Over vleermuizen, de Noodkist van Sint Servaas te Maastricht en oude grafkelders’, Natuurhistorisch Maandblad 57 (1968) 5, 61-67.

Het kistje werd bedacht door Brouwers, conservator van de schatkamer, het werd getimmerd door H. Schijns, G. Kamerling maakte het metaalbeslag, J. Goffin ontwierp ‘het lijnenspel’, terwijl J. Balendong deze decoratie aanbracht. Nijmegen KDC-Brom, inv.nr. 14490, Memorandum Brouwers ‘S. Charlemagne’, 1962. Bij een eerder ontwerp was het kistje vastgezet op de bodem. Voor tekening van L.H.M. Brom, zie inv.nr. 8001 en voor verzoek L.H.M. Brom aan Schijns om het ontwerp te sturen, 18 december 1961.

Nijmegen KDC-Brom, inv.nr. 8001, notitie van L.H.M. Brom met vragen om voor te leggen, [juni 1961]. Gevolgd door brief van L.H.M. Brom aan TNO, 16 juni 1961, en antwoorden van ir A.J. der Weduwen, directeur van TNO, 29 juni en 31 juli 1961. Der Weduwen stelde na onderzoek gele ozokeriet (aardwas) als vulmiddel voor. In het oorspronkelijke contract met de restaurator van 27 november 1959 was opgenomen dat het metaal tijdens het restauratieproces niet verhit zou mogen worden.

Maastricht HCL, inv.nr. 1748, brief Jan Eloy Brom aan J.J.M. Timmers, 1 september 1952; Nijmegen KDC-Brom, nr. 8001, brief L.H.M. Brom aan J.J.M. Timmers, 20 augustus 1955.

Nijmegen KDC-Brom, nr. 8001, brief L.H.M. Brom aan J.J.M. Timmers, 8 oktober 1957; antwoord 11 oktober 1957.

Maastricht HCL, inv.nr. 1748, L.H.M. Brom aan de Commissie van Deskundigen, 30 juli 1958.

Maastricht HCL, inv.nr. 1748, Herziening besluit en indiening voorstel L.H.M. Brom, respectievelijk 25 augustus en 6 november 1958.

Maastricht HCL, inv.nr. 1747, verslag van 6 februari 1959.

Utrecht AM 1987, inv.nr. 188, brieven van D.P.R.A. Bouvy aan Commissie, 17 februari, 27 augustus, 20 oktober, 28 oktober 1959. Op 27 februari 1960 beklaagt Noyons zichzelf bij de commissie. Op 16 maart 1960 antwoordt Timmers ‘dat daarbij geen persoonlijke voorkeur heeft meegespeeld’. Op 14 april 1960 doet Noyons opnieuw zijn beklag. Het kerkbestuur antwoordt op 14 juni 1960 dat er nimmer sprake van een prijsvraag is geweest. Bij de laatste vergadering voor de oplevering van 5 januari 1962 vraagt Bouvy waarom Noyons (en de andere inzenders) nooit een juryrapport van de prijsvraag hebben ontvangen en deelt hij de correspondentie tussen Noyons en Timmers. De notulen zijn veelzeggend voor de korte lijnen tussen J. Timmers en L.H.M. Brom, waarbij de procedures niet altijd transparant waren: ‘De commissie betreurt het, dat zij nimmer is kennis is gesteld over de thans aan de orde gestelde brieven die gericht waren aan de commissie.’

Nijmegen KDC-Brom, nr. 8001, verzoek L.H.M. Brom aan kerkbestuur, 29 april 1961; brief parochie van Sint Servaas aan L.H.M. Brom, 18 mei 1961.

De lijntekening voorzien van legenda werd vermoedelijk gemaakt door Louis Dusée, die als tekenaar in het atelier van Brom werkte en een steeds belangrijker aandeel in de restauratie van de Noodkist zou krijgen. De tekening is afgebeeld bij een Volkskrant-artikel dat verscheen op 14 mei 1960, een maand na de komst van de Noodkist (13 april) naar Utrecht. Zie Utrecht AM 1987, inv.nr. 188.

Ahsmann 2017 (noot 13), afb.: 202, 215, 222, 225,226, 227a en b.

De eerste schets van de 3D-reconstructie is voortgekomen uit een samenwerking tussen mij (onderzoek, concept en teksten) en Tijm Lanjouw (technische ontwikkeling) van het 4D Research Lab van de Universiteit van Amsterdam. Ik ontving ook steun van Alicia Walsh van het DH-lab van Maastricht University, die de fotogrammetrische scans maakte.

Smith 2006 (noot 5), 307 en Y. Hou e.a., ‘Digitizing Intangible Cultural Heritage Embodied. State of the Art’, ACM Journal on Computing and Cultural Heritage 15 (2022) 3, artikelnr. 55, 1-20, hier 1.

Nijmegen KDC-Brom, nr. 8055, brief J.J.M. Timmers aan Kerkbestuur, 12 april 1962. Eerder werd de kwestie besproken in de vergadering van de Commissie voor Reliektoning op 20 maart 1962, waarbij voorzitter kapelaan Louis Slangen en secretaris Jef Brouwers ernstige bedenkingen uitten tegen het meevoeren van de Noodkist in de Heiligdomsvaart: Utrecht AM 1987, inv.nr. 188.

Maastricht HCL, inv.nr. 1748, brief Comité Restauratie Noodkist namens het kerkbestuur aan J.J.M. Timmers, 13 juni 1962.

Gregor Franssen en Pieternel Coenen, respectievelijk voormalig secretaris van de Stichting Schatkamer van Sint Servaas en conservator van de schatkamer van de Sint Servaas wezen mij er vriendelijk erop dat door de broederschap in 2011 overwogen is om het borstbeeld van Sint Servaas en later die van de Noodkist te vervangen door een replica. Offertes werden aangevraagd, maar uiteindelijk werden de replica’s niet uitgevoerd.

Behalve uniciteit zou voor de Noodkist en zijn onderdelen ook het criterium kunnen gelden van ‘samenhang door herkomst: ensemble waarvan de samenhang werd bepaald door een van de vorige ensemblevormen [samenhang door historische continuïteit, door samenstelling, door totaalontwerp] maar de roerende zaken zich niet langer in situ bevinden’. Zie: Werkgroep onroerend/roerend (noot 6), 17; RCE (noot 10) 6-7. Vergelijk gesamtkunstwerk, het integraal architectonisch ontwerp van de altaaropstelling: Ahsmann 2017 (noot 13), ad vocem.

Vergelijk noot 11, Rapport Raad van Cultuur (2022).

Zie noot 2.

Zie bij voorbeeld Fredheim en Khalaf 2016 (noot 2); F. Farrely, F. Kock en A. Josiassen, ‘Cultural heritage authenticity. A producer view’, Annals of Tourism Research 79 (2019), doi.org/10.1016/j.annals.2019.102770 (geraadpleegd 9 november 2025). E. Nakonieczna en J. Szczepański, ‘Authenticity of cultural heritage vis-à-vis heritage reproducibility and intangibility. From conservation philosophy to practice’, International Journal of Cultural Policy 30 (2024) 2, 220-237, www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/10286632.2023.2177642.

Bedevaart.meertens.knaw.nl (geraadpleegd 9 november 2025). Margry en Caspers 2000 (noot 1).

Saints.dh.gu.se (geraadpleegd 9 november 2025).

De 3D-reconstructie (zie noot 61) is tijdelijk geplaatst op een server van het 4D Research Lab van de UvA, waar deze is ontwikkeld. In de toekomst zal de 3D-reconstructie worden opgenomen in de Pure3D-infrastructuur van het DH-lab van Maastricht University, waar het 4D Research Lab mee samenwerkt. 4dresearchlab.nl/st_servatius/st_servatius.html (geraadpleegd 9 november 2025).

Een voorbeeld daarvan is de internationale conferentie Empty boxes? Modeling the Lost and the Ephemeral in Premodern Sacred Places, die op 29 en 30 mei 2025 in de Bibliotheca Hertziana in Rome plaatsvond. Centraal stond de vraag hoe verloren, onzekere en efemere informatie van materieel en immaterieel religieus cultureel erfgoed van de vroegmoderne periode het best in modellen kan worden gerepresenteerd. www.biblhertz.it/3667421/empty-boxes-modeling-the-lost-and-ephemeral-in-premodern-sacred-spaces (geraadpleegd 9 november 2025). Ik presenteerde daar samen met Sofia Baroncini (DH Lab – Leibniz IEG, Mainz) de paper ‘A Saint on the Move. Modeling and Representing the Ephemeral and Uncertainties in the History of the Procession of the Holy relics of St. Servatius’.

Zie noot 8.

Zie: C. van den Heuvel en S. Baroncini, ‘The Historical Framing Problem. Temporal Modeling of Interactions between Tangible and Intangible Cultural Heritage’, Semantic Web Journal. Special Issue on Semantic Web and Ontology Design for Cultural Heritage, www.semantic-web-journal.net/system/files/swj3875.pdf (in open review).

Zie: ‘AAAo 2.0 – Art and Architectural Argumentation Ontology https://ontology.swissartresearch.net/aaao/; CIDOC-CRM Argumentation Platform for 3D reconstruction’ https://cidoc-crm.org/Resources/building-an-argumentation-platform-for-3d-reconstruction-using-cidoc-crm-and-drupal [geraadpleegd 31 december 2025]; ‘CIDOC-CRM – CRMCR extension for supporting semantic interoperability in the conservation and restoration domain’ www.researchgate.net/publication/335427082_CRM_CR_-_a_CIDOC-CRM_extension_for_supporting_semantic_interoperability_in_the_conservation_and_restoration_domai [geraadpleegd 31 december 2025] en ‘CIDOC-CRM Creative Processes Representation Ontology’ www.sari.uzh.ch/de/ordea/cpro.html [geraadpleegd 31 december 2025].