Vakmanschap en comfort

Een beschilderde vakzoldering van Pieter Post in Haarlem

Auteurs

  • Marjoleine van Schaik
  • Maartje Taverne

DOI:

https://doi.org/10.7480/knob.119.2020.2.5006

Samenvatting

In a double-width building in the historical centre of Haarlem a classicist painted ceiling from the second quarter of the seventeenth century was recently discovered. It is a beam and joist construction in which the beam bays have been smoothly finished, resulting in a panelled ceiling. The areas between the beams boast a painted architectural division into coffers and panels, enriched with bundles of twigs and floral bouquets, festoons, gilded rosettes and two family coats of arms. The ceiling, which has been dated to between 1635 and 1639, was commissioned by Josephus   Coymans and his wife Dorothea Berck. Ten years earlier, the Coymans family had been among the earliest patrons of Dutch classicism in Amsterdam when they commissioned Jacob van Campen to design the front facade of the Coymanshuis (1625). In Haarlem a classicist decoration programme, developed specifically for use in a genteel bourgeois domestic interior, was designed for the Coymans’ Groot Salet (large drawing room). It is the earliest known example of such decoration in Haarlem.

The influence of both Sebastiano Serlio and Vincenzo Scamozzi is evident in the design and in the stylistic features of the ceiling. The latter is characterized by a highly effective and painterly application of perspective and shadowing on the flat surface. As such, the decorative programme differs fundamentally from the interior decoration of richly decorated coffered ceilings like the ones used by Jacob van Campen in the grand mansions and residences he designed from the 1630s onwards. By contrast, this ceiling exhibits striking similarities in concept and stylistic execution with the classicist decoration programme for the Vredenburg country house designed in 1639 by the Haarlem painter-architect Pieter Post. At Vredenburg Post demonstrated his mastery of the classic idiom and effectively succeeded in adapting the classicist decoration programme to a genteel bourgeois domestic interior. On the basis of the similarities, the ceiling in Haarlem has also been attributed to Pieter Post. However, the more mature, more elaborate design for Vredenburg must be located later on in the development of this type of interior decoration. With a dating of 1635-1639, the Groot Salet in Haarlem is the earliest known executed work by Pieter Post in Haarlem and must therefore be considered one of the earliest known classicist decoration programmes in a genteel bourgeois interior. This finding offers a firm basis for the dating of comparable discoveries and paintings, which until now has invariably been sought in the second half of the seventeenth century.

Biografieën auteurs

Marjoleine van Schaik

M. van Schaik (MA) studeerde architectuur- en stedenbouwgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en aan de University of Newcastle-upon-Tyne. Zij werkt als architectuurhistoricus bij Team Erfgoed van de gemeente Haarlem.

Maartje Taverne

Drs. M. Taverne studeerde kunst- en architectuurgeschiedenis aan de Universiteit Leiden. Zij werkt als architectuurhistoricus bij Team Erfgoed van de gemeente Haarlem.

Referenties

* Met dank aan Koen Ottenheym en Ed Taverne voor het meelezen.

1 Het plafond kwam in januari 2019 tevoorschijn tijdens de voorbereiding van de verbouwing van het pand Zijlstraat 62-64 in Haarlem.

2 Joseph Coymans stierf op 10 januari 1648. De jonge Joan Huydecoper verwijst in januari 1648 tijdens zijn reis door Zuid-Europa in een brief aan zijn vader naar het plotselinge overlijden en de begrafenis van zijn oom; Utrechts Archief HUA_A349448_000012. In verschillende bronnen wordt abusievelijk 1677 als sterfdatum aangehouden (o.a. P. Biesboer, ‘De burgers van Haarlem en hun portretschilders’, in: S. Slive, Frans Hals, tent.cat. Haarlem [Frans Halsmuseum] 1990). Dit is het sterfjaar van de tweede zoon, die eveneens Joseph heette.

3 Kees van der Wiel zocht in opdracht van Erfgoed Haarlem de bewoningsgeschiedenis van het pand uit en wist deze te herleiden tot in de zestiende eeuw. De aankoop door Coymans in 1635 blijkt uit het verpondingsregister Noord-Hollands Archief, Haarlem (hierna: NHA ), Archief 3111 nr. 310 folio 30 verso.

4 In de boedelinventaris uit 1678 wordt naar de zaal verwezen als het ‘Groot Salet’. Omwille van de leesbaarheid van de tekst hebben we ervoor gekozen om het vertrek in ons verhaal zo aan te duiden. Zie voor de boedelinventaris: NHA , inv. 1617, nr. 363, akte 32/B.

5 De twee oudste kinderen van Joseph en Dorothea zijn in Dordrecht geboren, de vier jongste in Haarlem. Dochter Wilhelmina was de eerste van de kinderen die in 1619 in Haarlem werd gedoopt.

6 Van Campen past de ordeleer toe zoals beschreven in het classicistische architectuurtraktaat van de Italiaanse architect Vincenzo Scamozzi uit 1615. Zie: J.J. Terwen, ‘Vincenzo’s Scamozzi’s invloed op de Hollandse architectuur van de 17de eeuw’, Bulletin KNOB 65 (1966), 171-186.

7 K. Ottenheym, P. Rosenberg en N. Smit, Hendrick de Keyser. Architectura Moderna. Moderne bouwkunst in Amsterdam 1600-1626, Amsterdam 2008, 36.

8 Ottenheym, Rosenberg en Smit 2008 (noot 7), p. 24 van de herdruk zoals integraal opgenomen vanaf p. 125.

9 ‘Mercator Sapiens’ verwijst naar de ‘wijze koopman’ die Caspar Barlaeus in 1632 zou introduceren in zijn inaugurele rede voor het Athenaeum Illustre. C. Barlaeus, Mercator Sapiens. Oratie gehouden by de inwijding van de Illustere School te Amsterdam op 9 januari 1632, Amsterdam 1967.

10 R. Meischke, ‘De vroegste werken van Jacob van Campen’, Bulletin KNOB 65 (1966), 132-145.

11 Meischke 1966 (noot 10) en J. Huisken, K. Ottenheym en G. Schwartz (red.), Jacob van Campen. Het klassieke ideaal in de Gouden Eeuw, Amsterdam 1995, 161-162.

12 Constantijn Huygens, ‘Drie gedichten op Goudestein’, in: J.A. Worp (red.), De gedichten, deel VI, Groningen 1896, 63-64. Huygens schreef in augustus 1656 drie puntdichten op Goudestein, na een bezoek aan de Huydecopers.

13 G.H. Kurtz, ‘Waar thans het politiebureau in de Smedestraat staat’, in: Haerlem, jaarboek, Haarlem 1964, 34-60.

14 H. Rombouts, Haarlem ging op wollen zolen. Opkomst, bloei en ondergang van de textielnijverheid aan het Spaarne , Schoorl 1996, 64-68. Zie ook P.W. Klein, De Trippen in de 17de eeuw, Assen 1965.

15 Zo trouwt zijn dochter Wilhelma in 1639 met Jacob Druyvesteijn, later burgemeester van Haarlem. P. Biesboer en C. Togneri, Collections of Paintings in Haarlem 1572-1745, Los Angeles 2001, 279.

16 Zie K. Zantvliet, De 250 rijksten van de Gouden Eeuw, Amsterdam 2006, 309. Dochter Isabella Coymans kreeg 30.000 gulden mee, haar zus Erkenraadt 25.000.

17 Boedelbeschrijving uit 1678 bij overlijden van Josephus Coymans II, NHA , inv. 1617 nr. 363 akte 32/B. Voor het merendeel van de beschreven zaken geldt dat zij in 1678 al decennia lang in het ouderlijk huis aanwezig zullen zijn geweest. Ook gezien de economische neergang die rond 1650 inzette, is het zeer waarschijnlijk dat de kostbare inrichting in de boedelbeschrijving de weelde van rond 1640 aardig weerspiegelt.

18 Biesboer 2001 (noot 15), 259-260.

19 De aanduiding kladschilder had in de zeventiende eeuw niet de negatieve klank die wij er tegenwoordig aan geven en wordt gebruikt om het verschil aan te duiden met de kunst- of fijnschilder. Naast kladschilder werden ook wel de begrippen grofschilder, huisschilder of ‘schilder met de grote kwast’ gebruikt. Zie: P. Bakker, ‘Crisis, welke crisis? Kanttekeningen bij het economisch verval van de schilderkunst in Leiden na 1660’, De Zeventiende eeuw, 27 (2011), 232-269.

20 Meischke 1966 (noot 10) schrijft Huis ten Bosch toe aan Jacob van Campen.

21 Elders in het huis zijn ook oorspronkelijke plafondschilderingen met enige klassieke invloed aanwezig, met onder meer gemarmerde cartouches. Het opvallende stijlverschil in de vertrekken is niet eenduidig verklaard. De maker is onbekend. Zie I.M. Breedveldt-Boer, Plafonds in Nederland 1300-1800, Den Haag 1991, 52 en Meischke 1966 (noot 10), 127.

22 Voor een verbouwing van het Huis Warmond kwam Salomon de Bray met een volledig classicistisch ontwerp voor een nieuwe vleugel, waarbij bijzondere aandacht was besteed aan het interieur. In het Noord-Hollands Archief resteren slechts twee tekeningen van de hand van Pieter Saenredam naar Salomon de Bray. Zie: E.H. ter Kuile, ‘Salomon de Bray en het Huis te Warmond’, Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Omstreken, 63 (1951), 71-76.

23 Zie: C. Huygens, Briefwisseling, red. J.A. Worp, deel 2, Den Haag 1911-1917, 117-118.

24 Zie hiervoor het manuscript van Pieter Post: Huys van S. Ex jan Graef Jan van Maurits van Nassau. Byden selven gebouwt in ’s Gravenhaghe ten Oosten het Hof van Holland. Aldus Geteeckent ende met sijne voornaemste Leden uijtgebeeldt door P. Post Architect vande doorluchtighe Princen van Oranje etc., 1652, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag.

25 De bijzondere samenstelling van het Haarlemse Lucasgilde, waarin zowel schilders, landmeters en mathematici als architecten verenigd waren, zorgde voor een interessante kruisbestuiving tussen de verschillende disciplines. Bovendien was er binnen het gilde altijd grote belangstelling geweest voor de klassieke regels en voorbeelden uit de oudheid.

26 Zie hiervoor Post 1652 (noot 24).

27 In zijn ‘Vierde Boeck’ vinden we de druk bewerkte en zeer kostbare cassetteplafonds terug. Zie: Sebastian Serlio en A.E Santaniello, The book of architecture by Sebastiano Serlio London 1611, New York 1970.

28 Breedveldt-Boer wijst op de consequente doorvoering van de klassieke regels in combinatie met eigentijdse barokke invloeden, die vanaf de jaren dertig zichtbaar werd in architectuurontwerpen voor stadhouderlijke kringen (Mauritshuis, Oranjezaal Huis ten Bosch); Breedvelt-Boer 1991 (noot 21), 52. Precies die ‘eigentijdse barokke invloeden’ zijn geheel afwezig in het vocabulaire van de classicistische decoratieprogramma’s die Pieter Post voor het burgerlijke voorname woonhuis zou ontwikkelen.

29 Huisken, Ottenheym en Schwartz (noot 11), 155-199.

30 Voor de invloed van Scamozzi op Jacob van Campen en Pieter Post zie K. Ottenheym, Schoonheid op maat. Vincenzo Scamozzi en de architectuur van de Gouden Eeuw, Amsterdam 2010, hfst. 3.

31 V. Scamozzi, De grondgedachte van de universele bouwkunst. Boek III, Villa’s en landgoederen, bezorgd door K. Ottenheym, H.J. Scheepmaker en W.H.M. Vroom, Amsterdam 2003, 47.

32 Breedveldt-Boer 1991 (noot 21), 108 (noot 14) ontleent dit aan V. Scamozzi, L’idea dell’architectura universale, Venetië 1615, deel 2, hfst. 24.

33 Het voorhuis werd speciaal verbouwd ten behoeve van de grote zaal. De balklaag, zonder consoles en met regelmatige tussenruimtes opgelegd in de zijmuren, is samengesteld uit (mogelijk hergebruikte) eiken en grenen moerbinten met donkergroen afgewerkte kinderbinten. In deze samenstelling kan de balklaag nooit als zichtplafond bedoeld zijn geweest. De aangetroffen schilderingen zijn de oudste en enige aangetroffen afwerking. Balkconstructie, plafond en schilderingen horen in dezelfde bouwfase thuis.

34 Dorothea Berck wordt bij de aankoop van de ambachtsheerlijkheid Alblasserdam in 1653 aangeduid als ‘weduwe van Joseph Coymans, heer van Streefkerk en Lekkerkerck’. Nationaal Archief, Den Haag, Heerlijkheid Alblasserdam, nummer toegang 3.19.01, inv.nr. 15. Een eerdere vermelding van de titel of een datum van aankoop is nog niet aangetroffen.

35 Ook in de zeventiende eeuw vormde de raampartij aan de noordzijde de enige lichtbron, zo blijkt uit de schaduwwerking in de schilderingen. Vergelijk hiervoor de schaduwpartijen op de tekeningen van de plafonds van Vredenburg, waar de lichtinval tweezijdig was en waarmee in de schilderingen dan ook rekening werd gehouden. In het Haarlemse geval kunnen we daardoor met zekerheid stellen dat de zaal aan de achterzijde niet grensde aan een open plaats.

36 Breedveldt-Boer 1991 (noot 21), 55: ‘Zelfs ogenschijnlijk betekenisloze bloem- en vruchtenbundels zouden volgens 17de-eeuws gebruik een plaats kunnen innemen in de nagestreefde symboliek.’

37 S. Serlio Eerste [tot vijfde] Boeck van de Architecturen, 1539, Boek IV, hfst. 12.

38 In het archief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bevindt zich een collectie van 58 tekeningen van Pieter Post die hij maakte voor de buitenplaats Vredenburg. De tekeningen zijn voor het merendeel gesigneerd en gedateerd.

39 J.J. Terwen en K.A. Ottenheym, Pieter Post (1608-1669) architect, Zutphen 1993.

Downloads

Gepubliceerd

2020-08-23

Citeerhulp

van Schaik, M., & Taverne, M. (2020). Vakmanschap en comfort: Een beschilderde vakzoldering van Pieter Post in Haarlem. Bulletin KNOB, 119(2), 22-35. https://doi.org/10.7480/knob.119.2020.2.5006

Nummer

Sectie

Artikelen