Waarom die vorm en oriëntatie van Borssele?

Herkomst en betekenis van een Zeeuwse dorpsplattegrond uit de vroege zeventiende eeuw

Auteurs

  • Pieter van der Weele
  • Reinout Rutte

DOI:

https://doi.org/10.48003/knob.120.2021.1.707

Samenvatting

The village of Borssele was founded in 1616 in a polder of the same name on the island of Zuid-Beveland in the province of Zeeland. The driving force behind both the diking of the polder and the construction of the village during the Twelve Year Truce (1609-1621) in the young Dutch Republic was the mayor of the city of Goes, Cornelis Soetwater. This article argues that the unusual form and orientation of the Borssele village plan reflects a conscious decision by Soetwater to combine and improve on the best of the Zeeland’s impoldering and village planning tradition, and on the most striking old Zuid-Beveland villages.

Soetwater’s decision to give Borssele’s main square a resolutely northern orientation and an unconventional, rotated positioning within the polder grid, and to model its plan on that of the most distinctive medieval villages on the islands of Zuid-Beveland, Nisse and Kloetinge, served to anchor the new village emphatically in its immediate surroundings.

Moreover, Borssele represents the culmination of an honourable tradition initiated during the fifteenth century by the Zeeland nobleman Adriaan van Borssele with the construction of ringstraatdorpen[1] such as Dirksland, Sommelsdijk and Middelharnis, in the large Flakkee polders. The marquises of Bergen op Zoom and the family of Orange continued this tradition during the sixteenth century in the construction of Willemstad and Colijnsplaat, among others.

Soetwater exploited the symbolic significance of these new villages, which was as important to Adriaan van Borssele and his followers as their economic and administrative function, for his own purposes. By continuing a trend towards orthogonality and symmetry in the layout of sixteenth-century ringstraatdorpen in the double symmetry of the Borssele street plan, Soetwater was able to emphasize the victory of rationality over chaos. Not just in the sense that the wild water had been turned into orderly cultural landscape, but also in the sense that after many years of war, the Twelve Year Truce had ushered in a period of peace, order and the prospect of a bright future.

[1]  The ringstraatdorp was a combination of two older types of Zeeland village plans, the kerkringdorp and the voorstraatdorp. Its main street (voorstraat) was perpendicular to the polder dike and its landward end terminated in a kerkring (church encircled by a street).

Referenties

Pieter van der Weele schreef onder begeleiding van Reinout Rutte tijdens zijn Master 2 op de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft een scriptie over Borssele. Deze scriptie vormde het uitgangspunt voor dit artikel over Borssele, dat Van der Weele en Rutte samen schreven. Van der Weele ontving voor zijn bijdrage aan het onderzoek een studiebeurs van de Nikos & Lydia Tricha Foundation for Education and European Culture.

Zie en vergelijk: A.P. de Klerk, ‘Bewoningsvormen van het oude en van het nieuwe land. Dorpen in Zeeland’, in: M.W. Heslinga e.a., Nederland in kaarten. Veranderingen van stad en land in vier eeuwen cartografie, Ede 1985, 72-75; J. de Ruiter, Borssele. Dorp bewesten de vijfzode, Goes 1994; C. Steenbergen e.a., De Polderatlas van Nederland. Pantheon der Lage Landen, Bussum/Delft 2009, 282-295.

De Ruiter 1994 (noot 1), 8.

De Ruiter 1994 (noot 1), 18; M. Vrijlandt e.a., Borssele & polder. 400 jaar, Borssele 2016, 15.

L.J. Abelmann, ‘Cornelis Adriaenszoon Soetwater. Ontwerper van het grondplan van het dorp Borssele’, Zeeuws Tijdschrift 21 (1971), 48-51, 51.

De gebieden in het zuidwestelijk zeekleilandschap die voor 1250 in cultuur zijn gebracht worden oudland genoemd, die na 1250 nieuwland. Zie daarover: A.P. de Klerk, ‘Zuidwestelijk zeekleilandschap’, in: S. Barends e.a. (red.), Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering, Utrecht 2010, 32-45.

Vrijlandt e.a. 2016 (noot 3).

Abelman 1971 (noot 4), 48.

Abelman 1971 (noot 4), 49.

Abelman 1971 (noot 4), 49.

A.P. de Klerk, ‘Dorpen in soorten. De Zeeuwse dorpen, onderscheiden naar hun plattegrondsvorm’, in: K. Bos, J. van Damme en A. de Klerk (red.), Dorpen in Zeeland, Middelburg 1991, 69-80.

De Klerk 1991 (noot 10), 76-77.

Vrijlandt e.a. 2016 (noot 3), 16. Het kerkgebouw werd pas voltooid in 1851.

R. Rutte, ‘Wording en vorm van de dorpen in de bedijkingen van Voorne-Putten en de Hoekse Waard (13e-17e eeuw)’, Historisch-Geografisch Tijdschrift 26 (2008), 53-66; R. Rutte, ‘Nieuw land – nieuwe samenleving – knappe nederzetting. Dorpen in de vijftiende- en zestiende-eeuwse bedijkingen in de zuidwestelijke delta’, in: H. Baas e.a. (red.), Historisch cultuurlandschap in Nederland. Vijf bijdragen, Utrecht 2010, 71-95.

P.J. ’t Hooft, Dorpen in Zeeland, Amsterdam 1944.

De Ruiter 1994 (noot 1), 25-26. Het betreft documenten in het gemeentearchief van Goes, waaronder cijnslijsten over het uitgeven van bouwpercelen in Borssele, die in de publicatie van De Ruiter uitgebreid aan bod komen. Zie voor de archiefstukken: H. Uil, Inventaris van het archief van de stad Goes, hoofdstuk V. C Rekeningen van ontvangsten en uitgaven door de rentmeesters van de heerlijkheid Borssele, inventarisnummer 1599 voor de rekeningen uit 1622 en inventarisnummer 1601 voor die uit 1627.

Mogelijk is de noordkant van het plein pas tijdens de achttiende eeuw bebouwd. Zie daarover: De Ruiter 1994 (noot 1), 26.

De Ruiter 1994 (noot 1), 25-26.

Zie: R. Rutte en B. Vannieuwenhuyze, Stedenatlas Jacob van Deventer. 226 stadsplattegronden uit 1545-1575. Schakels tussen verleden en heden, Bussum/Tielt 2018, 24. Jacob van Deventer oriënteerde zijn stadsplattegronden tussen ongeveer 1545 en 1575 op het noorden. Zijn noorden vertoont een afwijking van ongeveer 12 graden oostelijk ten opzichte van het ware noorden. Zie bijvoorbeeld Van Deventers plattegrond van Elburg met daarnaast een recent Google Earth-beeld op pagina 433. Vergelijk: C.G. Langereis en H. Kars, ‘Paleomagnetische datering van de kalkoven te Nijmegen’, in: Nederlandse Archeologische Rapporten 9, Amersfoort 1990, 63-69, i.h.b. 65, waar sprake is van een afwijking van 9 graden.

Vergelijk: Steenbergen e.a. 2009 (noot 1), 498.

A.P. de Klerk, Het Zeeuwse monument. Het voorstraatdorp Colijnsplaat, Goes 1998, 18.

H. Hollestelle, Beschermde stads- en dorpsgezichten ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988. Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland, Den Haag 1988, 2.

Rutte 2010 (noot 13), 73-75.

Rutte 2010 (noot 13), 75-86.

Rutte 2010 (noot 13), 86-89. Vergelijk: Steenbergen e.a. 2009 (noot 1), 497-498.

Soms wordt de rechtlijnige opzet van Borssele in verband gebracht met de begin zeventiende eeuw in Leiden docerende wiskundige en ingenieur Simon Stevin; zie bijvoorbeeld: De Klerk 1985 (noot 1), 72. Daarbij is wel verondersteld dat Zeeland een perifeer, geïsoleerd eilandengebied in de Republiek was, waar een bijzondere plattegrond als die van Borssele niet bedacht zou kunnen zijn door de autochtonen. Een dubbel misverstand, aangezien het water toentertijd juist de verbindende infrastructuur vormde en tijdens de vijftiende-zeventiende eeuw niet het hart van Holland maar de zuidwestelijke delta een rijke traditie en praktijk kende in de aanleg van nieuwe dorpen. Anders gezegd: bij het aanleggen van een nieuw dorp lieten Zeeuwen zich inspireren door deze traditie en praktijk, die samenhingen met de bedijkingen in de zuidwestelijke delta, en niet door een theoreticus in Leiden. Lang werd aangenomen dat Stevin grote invloed had op de stedenbouwkundige praktijk in de zeventiende eeuw; zie bijvoorbeeld: E. Taverne, ‘Stevins koopmansstad’, in: M. Jonker, L. Noordegraaf en M. Wagenaar (red.), Van stadskern tot stadsgewest. Stedebouwkundige geschiedenis van Amsterdam, Amsterdam 1984, 89-100. Uit de volgende recente publicaties blijkt dat dat niet zo is: C. van den Heuvel, ‘De Huysbou’. A reconstruction of an unfinished treatise on architecture, town planning and civil engineering by Simon Stevin, Amsterdam 2005, 51-59; R. Rutte en J.E. Abrahamse (red.), Atlas van de verstedelijking in Nederland. 1000 jaar ruimtelijke ontwikkeling, Bussum/Delft 2014, 195-209 en 258-260.

Rutte 2010 (noot 13).

De Klerk 1998 (noot 20), 11.

W. Boerefijn, ‘De vorm van nieuwe steden uit de 13e en 14e eeuw’, Historisch-Geografisch Tijdschrift 31 (2013), 3-15.

W. Boerefijn, ‘Geometry and medieval town planning. A contribution to the discussion’, Urban Morphology 4 (2000), 25-28, 26-27.

Rutte 2010 (noot 13), 86.

J. de Ruiter, De geschiedenis van Nisse, Borssele 1987, 5.

De Klerk 2010 (noot 5).

M. van der Jagt, ‘Klusdurp blijft een rijk dorp’, Provinciale Zeeuwse Courant 29 augustus 2001, 25.

L.J. Abelmann, ‘Cornelis Adriaensz. Soetwater’, in: Encyclopedie van Zeeland, Middelburg 1982-84 https://encyclopedievanzeeland.nl/Cornelis_Adriaensz._Soetwater.

Zie over Zeeland in de Gouden Eeuw: P. Brusse en W. Mijnhardt (red.), Geschiedenis van Zeeland. Deel II: 1550-1700, Zwolle 2012.

Downloads

Gepubliceerd

2021-03-12

Citeerhulp

van der Weele, P., & Rutte, R. (2021). Waarom die vorm en oriëntatie van Borssele? Herkomst en betekenis van een Zeeuwse dorpsplattegrond uit de vroege zeventiende eeuw. Bulletin KNOB, 120(1), 1-13. https://doi.org/10.48003/knob.120.2021.1.707

Nummer

Sectie

Artikelen