Sporen van stadhouders

Verblijven en besturen in het westelijke deel van het Binnenhof

Auteurs

  • Ronald Stenvert

DOI:

https://doi.org/10.48003/knob.121.2022.4.768

##submission.downloads##

Samenvatting

In anticipation of the current major restoration of the Binnenhof, the home of the Dutch parliament, building historians conducted research into this historically important complex of buildings in The Hague. This article focuses on the western part of the complex and the role played there by the stadholder and the States of Holland. In the northwest corner of the Binnenhof, an L-shaped Knights’ House arose in the middle of the fourteenth century with a residence for the stadholder on the first floor while the ground floor was used by the States of Holland.

In 1585 Prince Maurits took up residence in this part of the Binnenhof and to underline his status had a tower built on the northwest corner (completed 1604). Later he had his accommodation expanded (1620-1621). His successor Frederik Hendrik further expanded the accommodation with an extruded corner containing private quarters for his son William’s wife (Mary Stuart). With the death of William II in 1650, the first stadholderless period (1650-1672) began. The States of Holland seized on this opportunity to reinforce their claim to the buildings by demolishing part of the recent expansion on the Hofvijver side and building a prominent new meeting place.

As a consequence of the war with the French in 1672, William III became stadholder and to compensate for the lost space he commissioned an expansion of the complex on the south side (1677-1678). After the death of his wife Mary II Stuart, he had a stately house built for his favourite, the 1st Earl of Albemarle, on the south edge of the Prinsentuin in circa 1695. William’s death in 1702 ushered in the second stadholderless period until the threat of war in 1747 led to the appointment of William IV as stadholder. At this point the accommodation at the Binnenhof was deemed to be too small for the court and plans for a new palace were drawn up. What his father had been unable to achieve, William V accomplished. Existing buildings in the southwest corner made way for new stadholder quarters, but not until the States of Holland had built a new Comptoir-Generaal (money office) a little further away in 1777. In 1779 work on new quarters commenced. They consisted of a representative section in the Binnenhof, an apartment for the stadholder with an entrance on the Buitenhof and a service wing – the Cingelhuis – on the south side. The latter replaced the service wing of the Court of Albemarle. The new accommodation was finished by 1792, but just three years later William V was forced into exile, after which the newly formed Batavian Republic turned the ballroom into a meeting room, which served as the chamber of the House of Representatives from 1814 to 1992. The chamber of the States of Holland has been in use by the Senate since 1849.

 

Biografie auteur

Ronald Stenvert

Dr. ing. R. Stenvert studeerde HTS Bouwkunde en architectuurgeschiedenis. Hij is architectuur- en bouwhistoricus en was tot voor kort vennoot bij BBA: Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis in Utrecht. Als hoofdauteur werkte hij aan de serie Monumenten in Nederland (1995-2006) en publiceerde hij over onder meer bouwstijlen en bouwhistorie, architectenbureaus, baksteen, jongere kerkkappen en moderne bouwmaterialen.

Referenties

G.G. Calkoen, ‘Het Binnenhof van 1247-1747’, Die Haghe. Bijdragen en mededeelingen 3 (1902), 35-182, in het bijzonder 48, 56, 149.

Relevant voor dit artikel zijn de rapporten: J.H. Heijenbrok en G.H.P. Steenmeijer [De Fabryck], Binnenhofcomplex. Voormalige Hofkapel, Bouwhistorisch Onderzoek, Utrecht 2018; F. Franken en P.C. van der Heiden, Tweede Kamer-complex Binnenhof. Cultuurhistorisch onderzoek, acht hotspots, Den Haag 2019; R. Stenvert en S. van Ginkel-Meester, Stadhouderlijk Kwartier Binnenhof Den Haag. Cultuurhistorisch onderzoek met waardestelling (BBA-rapport; 812), Utrecht 2018; idem, Algemene Zaken Binnenhof Den Haag. Cultuurhistorisch onderzoek met waardestelling (BBA-rapport 832), Utrecht 2019; idem, Tweede Kamercomplex bouwdelen TK-A en TK-B Binnenhof ’s Gravenhage. Cultuurhistorisch onderzoek met waardestelling (BBA-rapport; 893), Utrecht 2021 .

Aan de basis van dit artikel staan twee rapporten: Stenvert en Van Ginkel-Meester 2018 en Stenvert en Van Ginkel-Meester 2021 (noot 2).

C. Dumas, Haagse stadsgezichten 1550-1800. Topografische schilderijen van het Haags Historisch Museum, Zwolle/Den Haag 1991; A. de Klerk, Bouwen aan de Hofstad. De geschiedenis van het bouwtoezicht in Den Haag 1250-1900, in sociaal en cultureel perspectief, Delft 1998 (omslag).

Calkoen 1902 (noot 1), 103. Een Vlaamse gevel is een ter hoogte van de goot staande stenen dakerker, vaak voorzien van versieringen met daarin een venster.

Ook hier geldt dat alle ruimtes gepleisterd zijn en dat enkel op grond van plaats en dikte van de muren (in combinatie met andere bronnen) veronderstellingen gedaan kunnen worden. Voor de toeschrijving van de tekening, zie Dumas 1991 (noot 4), 18.

Grote bakstenen (kloostermoppen) in Vlaams verband, 29 × 13 × 7 cm, tien-lagenmaat 80-86 cm. De precieze omvang van het middeleeuwse muurwerk is moeilijk vast te stellen door vernieuwing van de buitenschil en beklamping van de gevels bij de restauratie van 1879-1883.

Stenvert en Van Ginkel-Meester 2018 (noot 2), 24. In de originele zandstenen omlijsting, nu te vinden in de tuin van het Rijksmuseum in Amsterdam, bevinden zich steenhouwersmerken. De datering op het bordje aldaar met het jaartal ‘circa 1600’ is onjuist.

Op afb.2, gedateerd in 1598, staat de nieuwe toren al afgebeeld.

Het platte dak was voorzien van een loden afdekking (nu een zinkvariant).

De functie landsadvocaat werd sinds 1621 raadspensionaris genoemd.

Maurits erfde de titel van zijn oudere halfbroer Filips Willem (1554-1618), waarna hij Maurits van Nassau werd genoemd.

Calkoen 1902 (noot 1), 128 en noot 126.

Calkoen 1902 (noot 1), 129; P.C. van der Heiden, Raad van State. Binnenhof 1, ’s-Gravenhage. Bouwhistorische verkenning, ’s-Gravenhage 2008, 3. Er zal geen sprake zijn geweest van een echte bordestrap, zoals de huidige achttiende-eeuwse trap op deze plek, maar eerder van een aanpassing van de oude achtkante spiltrap tot een wat ruimere spiltrap op vierkante grondslag, met een tussenbordes op de verdiepingen. Een dergelijke spiltrap is nog te vinden in het Balckeneindehuis aan de Dunne Bierkade 18 uit 1638. Nader onderzoek naar de restanten van deze trap in de binnenhoek ter plaatse van de kelder is nog in gang.

Calkoen 1902 (noot 1), 129.

De naamgeving kan verwarrend zijn. Maria Henriëtte Stuart, de vrouw van Willem II, wordt hier verder aangeduid als Mary Stuart en Maria II van Engeland, de vrouw van Willem III, als Mary II Stuart.

P.C. van der Heiden, Kabinet Mary Stuart I. Geschiedenis, constructie & technische staat van de schilderingen Binnenhof 22 ’s-Gravenhage, ’s-Gravenhage 2013, 7.

J.J. Terwen en K.A. Ottenheym, Pieter Post (1608-1669). Architect, Zutphen 1993, 163-172.

Terwen en Ottenheym 1993 (noot 18); zie ook P.E. Spijkerman (red.), Eerste Kamer. Reflecties over de Vergaderzaal van de ‘Chambre de Réflection’. Ter gelegenheid van de ingebruikneming op 5 september 1995 na de restauratie en renovatie 1994-1995, ’s-Gravenhage 1995. Met name de kapconstructie boven de statenzaal met zijn relatief grote overspanning is opmerkelijk. Post had waarschijnlijk via Van Campen en Huygens inzicht in Italiaanse architectuurtraktaten waaronder die van Serlio en Palladio en baseerde daarop zijn ontwerp voor de kapconstructie. Zie ook R. Stenvert en E. Orsel, ‘Jacob Roman, een innovatief ontwerper?’, Bulletin KNOB 117 (2018) 2, 58-79. De constructie van de kap verdient nader onderzoek.

Van der Heijden 2008 (noot 14), 3.

Na een brand in 1678 in het pas nieuwe appartement van Mary II Stuart op de tweede verdieping kreeg haar slaapkamer aldaar een nieuw rijk bewerkt plafond, beschilderd door Theodoor van der Schuer (1634-1707). Dit plafond met een middendeel van 305 × 506 cm. hangt sinds de verwijdering in 1879 in het Rijksmuseum te Amsterdam, maar is daar na de laatste restauratie niet meer in de collectie opgesteld.

Hij stelde daar een deel van de porseleincollectie van Mary II Stuart tentoon. Na verkoop in 1730 werd het gebouw verbouwd tot logement van de Vijf Steden van het Noorderkwartier.

Calkoen 1902 (noot 1), 136.

F.H. Schmidt, Pieter de Swart. Architect van de achttiende eeuw, Zwolle/Zeist 1999, 83.

De Vijf Steden van het Noorderkwartier werd vriendelijk doch dringend verzocht naar een ander gebouw om te kijken. Dat vonden ze aan de Kneuterdijk (nu deel van de Raad van State). Begin negentiende eeuw werd het Hof van Albemarle onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Reconstructietekeningen daarvan door Jan Jehee uit 1999 in Schmidt 1999 (noot 24), 84, 86.

Schmidt 1999 (noot 24), 89-105.

Schmidt 1999 (noot 24), 146-147.

P. van der Heijden en D. Valentijn, Interieurs van het Binnenhof. Verscholen erfgoed in beeld, Den Haag 2018, 72-81.

Stenvert en Van Ginkel-Meester 2021 (noot 2), 38-39, 372-401.

C.E. Zonnevylle-Heyning, ‘Enkele kanttekeningen bij de inrichting van de nieuwe vleugel van het Stadhouderlijk Kwartier’, in: Nederlandse kunstnijverheid en interieurkunst. Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 31 (1980), Haarlem 1981, 410-422, in het bijzonder 410.

Het is niet met zekerheid vast te stellen of het tweede deel ook werkelijk de privévertrekken van de stadhouder bevatte, maar het is wel als een afzonderlijk deel ontworpen. Het komt globaal overeen met het huidige deel van de Raad van State in het oude Tweede Kamercomplex.

Ook wel als Gunkel geschreven. Hij werd in 1743 geboren in Krofdorf in het kleine Duitse vorstendom Nassau-Weilburg en volgde een opleiding bouwkunde in Giessen en Parijs. Vermoedelijk in 1767 kwam hij voor het eerst naar Den Haag, waar hij ging werken als assistent van de stadhouderlijke architect Pieter de Swart. Na diens dood werd hij de voornaamste architect van de Oranjes. Gunckel overleed in 1835 in Den Haag.

In het Nationaal Archief bevindt zich een set van veertien bladen, doorgaans gedateerd in 1776 (Nationaal Archief 4.OPG, H299). Bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) bevindt zich een tweede set van twintig tekeningen uit 1777 en later (Beeldbank RCE AT-0019 t/m AT-0038. Op de tekeningen zelf staat in potlood het nummer AN 232 1 t/m 20). Eveneens bij de RCE wordt een derde set tekeningen bewaard uit circa 1789 (Beeldbank RCE VE-1409 t/m VE-1429). Vgl. R.J. van Pelt, ‘Het Binnenhof als speelplaats voor architecten’, in: R.J. van Pelt en M.E. Tiethoff-Spliethoff (red.), Het Binnenhof. Van grafelijke resi¬dentie tot regeringscentrum, Dieren 1984, 137-152, waar echter enkel de eerste serie tekeningen aan de orde komt.

De eindverantwoordelijkheid voor de bouw lag bij de controleur-generaal der fortificatiën van Holland, Cornelis J. van der Graeff (1734-1812). De dagelijkse leiding had architect Gunckel en de Controleur der Domeinen, Govert van der Linden, met assistentie van Johan van Westenhout (ca. 1754-1823).

G. Rosa de Carvalho-Roos, ‘Binnenhof 1a-3: van “Nieuwbouw” tot “Oudbouw”’, in: P.E. Spijkerman (red.), Tweede Kamer. Van doolhof naar Eenheid. Ter gelegenheid van de ingebruikneming op 22 februari 1996 na de restauratie en renovatie 1994-1996, ’s-Gravenhage 1996, 17-49, in het bijzonder 24. Uitgebreider, maar meer gericht op het interieur is: T. Rosa de Carvalho-Roos, ‘Hoe houdt de stadhouder hof? Een speurtocht naar het decor waartegen het dagelijks leven van de stadhouders Willem IV en Willem V zich afspeelde in de Stadhouderlijk Kwartieren van het Haagse Binnenhof ’, Oud-Holland 116 (2003) 3/4, 121-223.

Zonnevylle-Heyning 1981 (noot 31).

Vaststaat dat ten minste één schoorsteenmantel uit het Binnenhof een plek in het Paleis op de Dam kreeg; Rosa de Carvalho-Roos 1996 (noot 36), 36 en Rosa de Carvallo-Roos 2003 (noot 36), 124-125.

D. Smit, Het belang van het Binnenhof. Twee eeuwen Haagse politiek, huisvesting en herinnering, Amsterdam 2015, 103.

Zie ook: Spijkerman 1996 (noot 36).

L. van Tilborg, Nooit gebouwd Den Haag, Amersfoort 2019, i.h.b. 56-62. Smit 2015 (noot 39).

Opmerkelijk genoeg is een klein deel van de kapconstructie van de hofkapel uit de tijd van de uitbreiding uit 1688 gewaard gebleven; Stenvert en Van Ginkel-Meester 2019 (noot 2), 274.

Zie ook: Spijkerman 1995 (noot 19).

Van der Heijden en Valentijn 2018 (noot 29), 130-136.

Een van de stucplafonds en een schouw uit een andere kamer zijn herplaatst in de in 1915-1917 naar plannen van Knuttel ontworpen uitbreiding van het Ministerie van Koloniën (TK-C). R. Stenvert en S. van Ginkel-Meester, Uitbreiding Koloniën & Grenadierspoort Binnenhof Den Haag. Cultuurhistorisch onderzoek met Waardestelling, Utrecht 2019 (BBA-rapport 866), 63, 68-69, 162-165.

In de eerste periode tussen 1815 en 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de vorst zelf benoemd, later werden ze door de Provinciale Staten gekozen. Zie ook Smit 2015 (noot 39).

Gepubliceerd

2022-12-09

Citeerhulp

Stenvert, R. (2022). Sporen van stadhouders: Verblijven en besturen in het westelijke deel van het Binnenhof. Bulletin KNOB, 121(4), 47–63. https://doi.org/10.48003/knob.121.2022.4.768

Nummer

Sectie

Artikelen