Het vestigingspatroon van lakenhandelaren, drapiers en wevers in textielstad Leiden 1498-1748

Auteurs

  • Roos van Oosten

DOI:

https://doi.org/10.7480/knob.119.2020.3.691

Samenvatting

Leiden was ooit de belangrijkste textielstad van Europa. In ‘de nieuwe draperie’ (vanaf 1580) werd een scala aan verschillende lakense stoffen geproduceerd. Op het hoogtepunt telde de stad hiervoor zeven hallen. Handelaren, drapiers en wevers werkten veelal vanuit huis en verschenen op gezette tijden al dan niet met een halffabricaat of eindproduct in de hal om dit op kwaliteitsstandaarden te laten controleren. Zo gingen de lakenwevers naar de Lakenhal en de saaiwevers naar de Saaihal. Dit strikte neringstelsel vatte Posthumus samen, als ‘geen nering zonder hal, geen hal zonder nering’. In dit artikel is aan de hand van beroepsvermeldingen in zeven belastingkohieren en twee volkstellingen uit de periode 1498-1748 nagegaan of de ligging van de hallen invloed had op het vestigingspatroon van lakenhandelaren, drapiers en wevers. Anders gezegd: was de huis-halafstand een vestigingsfactor?

Om dit te onderzoeken is de stad opgedeeld in acht stadsdelen. Een concentratie van beroepen is aangeduid als geclusterd wanneer meer dan een derde van de beroepsgroep in het stadsdeel woonde. Daarbinnen is een onderscheid gemaakt tussen matige clustering (33-49%), sterke clustering (50-65%) en zeer sterke clustering (meer dan 66%).

De clustering van lakenhandelaren in Leiden veranderde door de tijd heen. Terwijl in de Middeleeuwen de lakenkopers en wantsnijders sterk geclusterd voorkwamen in het oude stadscentrum waar toen de Lakenhal gevestigd was, hadden de vermogende textielhandelaren (reders) in de vroegmoderne tijd duidelijk geen voorkeur voor vestiging aldaar. In 1581 waren zij geclusterd in de stadsdelen Zuid en Oost-nieuw. Dat was in de nabijheid van de Lakenhal, die op dat moment op het Steenschuur gevestigd was. In 1674 waren zij sterk geclusterd in Noord-nieuw, het stadsdeel waar de Lakenhal vanaf 1640 was gesitueerd. De lakenhandelaren waren dus telkens in de peiljaren in de nabijheid van de hal te vinden.

Het vermoeden dat niet alleen sprake was van ‘geen nering zonder hal, geen hal zonder nering’, maar dat ook van ‘geen hal zonder geclusterde beroepsgroep’ wordt versterkt door de verspreiding van lakendrapiers, lakenwevers, saaidrapiers en saaiwevers. In 1674 waren zowel de lakendrapiers als de lakenwevers sterk geclusterd in Noord-nieuw. De saaidrapiers en saaiwevers kwamen in dit stadsdeel daarentegen niet voor, zij waren geclusterd in de stadsdelen die dichter bij de Saaihal lagen (Oost-oud en Zuid).

Dit onderzoek toont voor zeven textielberoepen een clustering in een stadsdeel aan.Telkens was er een clustering in of aangrenzend aan de locatie van de hal. Elk beroep afzonderlijk zou te weinig grond bieden om te concluderen dat de huis-halafstand een vestigingsfactor was, maar de zeven beroepen tezamen geven in het tijdvak 1498 tot 1674 voldoende aanwijzing in die richting. Deze tendens om nabij de hal te wonen wil overigens niet zeggen dat welstand in het geheel geen rol speelde als vestigingsfactor, want ook binnen een beperkte loopafstand tot de hal kon op stand worden gewoond.

Referenties

Naast de twee anonieme reviewers moeten bedankt worden dr. Jaap Evert Abrahamse en Arti Ponsen (Leiden) voor hun waardevolle feedback en commentaar. Dit artikel is geschreven ten tijde van de Corona-lockdown en daarom is ook een woord van dank op zijn plaats aan degenen die boeken en scans opstuurden. Van Oostens onderzoek komt mede voort uit de NWO Veni subsidie 275-60-010.

B.J. de Vries e.a., ‘Het economisch leven: spectaculair succes en diep verval’, in: R.C.J. van Maanen en S. Groenveld (red.), Leiden. De geschiedenis van een Hollandse stad, Leiden 2003, 85-107, aldaar 98.

N.W. Posthumus, ‘Een zestiende-eeuwsche enquete naar de buitenneringen rondom de stad Leiden’, Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap 33 (1911), 1-95, aldaar 51-52.

H. Kaptein, Nijverheid op windkracht. Energietransities in Nederland 1500-1900, Hilversum 2017, 134-135.

N.W. Posthumus, De geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie deel II. De Nieuwe tijd (zestiende tot achttiende eeuw). De lakenindustrie en verwante industrieën, ’s-Gravenhage 1939, 225.

L. Noordegraaf, ‘The New Draperies in the Northern Netherlands, 1500-1800’, in: N.B. Harte (red.), The New Draperies in the Low Countries and England, 1300-1800 (Pasold Studies in Textiel History; 10), Oxford 1997, 173-195, 184-189; Kaptein 2017 (noot 3), 141; H. Kaptein, De Hollandse textielnijverheid 1350-1600. Conjunctuur & continuïteit 1350-1600, Hilversum 1998, 187-188.

Posthumus 1939, (noot 4), 258, 321-323.

N.W. Posthumus, De geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie, deel 1, de Middeleeuwen (veertiende tot zestiende eeuw), ’s-Gravenhage 1908; Posthumus 1939 (noot 4); N.W. Posthumus, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid 1333-1795 (LTN) (6 delen Rijks Geschiedkundige Publicatiën; 14), ’s-Gravenhage 1910-1922. Bij de verwijzingen naar de bronnenuitgave (LTN) staat telkens de p. van pagina vermeld. Posthumus verwijst vanuit zijn Geschiedenis niet naar pagina’s in de bronnenuitgave, maar naar de nummering van de stukken. In de digitale uitgave van de bronnen is het eenvoudiger zoeken op pagina.

Noordegraaf 1997 (noot 5), 173.

D.L. Smail, Imaginary Cartographies. Possession and Identity in Late Medieval Marseille, Ithaca 2000, 176-177.

Een uitgebreide historiografie is opgenomen in: C. Lesger en M.H.D. van Leeuwen, ‘Residential Segregation from the Sixteenth to the Nineteenth Century. Evidence from the Netherlands’, Journal of Interdisciplinary History 42 (2011) 3, 333-369; voor Leiden: T. Bisschops, ‘Ruimtelijke vermogensverhoudingen in Leiden (1438-1561). Een pleidooi voor een perceelsgewijze analyse van steden en stedelijke samenlevingen in de Lage Landen’, Stadsgeschiedenis 2 (2007) 2, 121-138, i.h.b. 126; A. van Steensel, ‘Measuring urban inequalities. Spatial patterns of service access in sixteenth Leiden’, in: G. Nigro (red.), Economic inequality in pre-industrial societies. Causes and effect, Florence 2020 369-388.

Bijvoorbeeld J. Schofield en A. Vince, Medieval Towns. The Archaeology of British Towns in Their European Setting, London/New York 2003, 144; M. Nicholas, The Growth of the Medieval City. From Late Antiquity to the Early Fourteenth Century, London/New York 1997, 193.

C. Rawcliffe, Urban Bodies. Communal Health in Late Medieval English Towns and Cities, Woodbridge 2013, 209.

T. Bisschops, ‘It is all about location. GIS, property records and the role of space in shaping late medieval urban life. The case of Antwerp around 1400’, Postclassical Archaeologies 2 (2012), 83-107.

Uit figuren 10, 11 en 12 in Bisschops’ artikel is af te leiden dat het om ongeveer tweehonderd gelokaliseerde beroepen gaat. De grootste groep zijn de vishandelaren (circa vijftig); de ververs komen circa twaalf keer voor.

J. Colson, ‘Commerce, clusters, and community: a re-evaluation of the occupational geography of London c. 1400-c. 1550’, Economic History Review 69 (2016) 1, 104–130.

Colson 2016 (noot 15), 112.

Slagers komen bijvoorbeeld in elk steekproefjaar gemiddeld maar achttien keer voor.

In Leiden waren de leerlooiers eveneens in het noordoosten van de stad gesitueerd. Zie R.M.R van Oosten en S.T.D. Muurling, ‘Smelly business. De clustering en concentratie van vieze en stinkende beroepen in Leiden in 1581’, Holland. Historisch tijdschrift 51 (2019) 3, 128-132.

C. Arnaud, Topographien des Alltags: Bologna und Strassburg um 1400. Europa im Mittelalter, Band 28, Berlijn/Boston 2018, 18-19.

Arnaud 2018 (noot 19), 115-116 en 125.

De Leidse woningmarkt was een huurdersmarkt; meer dan de helft woonde in een huis dat niet zijn eigendom was. In 1606 was circa 57% van de bijna 5.000 huizen een huurhuis (cijfers uit Dataset 1606 Schoorsteengeld). In 1748 was het aandeel huurhuizen gestegen tot 79% (Dataset Volkstelling 1748).

Voor een uitgebreide analyse van dit principe in Middeleeuws Bologna en Straatsburg, zie Arnaud 2018 (noot 19).

Posthumus 1939 (noot 4), 366 en 367; over vollers, zie R.M.R. van Oosten, ‘Reading the medieval townscape of Leiden: Fullers, fullers’ canals and tentergrounds’, Leiden Medievalists blog (2019), Leiden University.

C. Lesger, Het winkellandschap van Amsterdam. Stedelijke structuur en winkelbedrijf in de vroegmoderne en moderne tijd, 1550-2000, Hilversum 2013, 37, afb. 1.8.

Posthumus 1939 (noot 4), 449.

Posthumus 1939 (noot 4), 451.

Posthumus 1939 (noot 4), 453.

Posthumus 1939 (noot 4), 453.

Bijvoorbeeld: drs LTN III (noot 7), 198, d.d. 1591.

Posthumus 1939 (noot 4), 338.

Posthumus 1939 (noot 4), 345.

Posthumus 1939 (noot 4), 469.

LTN I (noot 7), p. 81 (1415); p. 215 (1446), p. 247 (1447).

LTN I (noot 7), p. 16 en Posthumus 1939 (noot 4), 157.

Posthumus 1939 (noot 4), 129. Van 1574 tot 1589 werden gemiddeld een kleine zeshonderd lakens geproduceerd.

G. Steenmeijer, Tot cieraet ende aensien deser stede. Arent van ’s-Gravensande (ca. 1610-1662), architect en ingenieur, Leiden 2015, 133.

Posthumus, LTN IV (noot 7), p. 286 (14 maart 1631).

Besluit bouw Lakenhal: LTN IV (noot 7), p. 353 (8 mei 1639); Posthumus 1939 (noot 4), 470 en ook Overvoorde melden dat het gebouw in 1640 gereedkwam, (J.C. Overvoorde, Toelichting op Inventaris van de archieven van de hallen, 1544-1886, Leiden 1928, 8). Dit moet 8 augustus 1641 zijn; zie Steenmeijer 2005 (noot 36), 135.

LTN, III, p. 160 (17 september 1587); LTN, I (noot 4) p. 178 (17 maart 1589).

Posthumus 1939 (noot 4), 469.

Het voorschrift was dat het Leidse laken niet langer dan 35 el en niet korter dan 34 el mocht zijn. Zie Posthumus 1939 (noot 5), 379. Een Leidse el was net zo lang als de Amsterdamse: 68,8 cm.

1498: Vermogensbelasting 1498. Dataset A. van Steensel, Historisch Leiden in kaart: vermogensbelasting 1498 (2016), Fedora Identifier, easydataset 67435, doi.org/10.17026/dans-zfa-srjh.

: Vermogensbelasting 1502. Dataset T. Bisschops, raadpleegbaar via Historische Vereniging Oud Leiden/Archiefonderzoek Jan van Hout.

: Gedwongen Lening 1508. Dataset T. Bisschops, raadpleegbaar via Historische Vereniging Oud Leiden/Archiefonderzoek Jan van Hout.

: Kohier van de Tiende penning. Dataset A. van Steensel, Historisch Leiden in Kaart: Kohier van de Tiende Penning 1544. DANS doi.org/10.17026/dans-22f-vpwv.

: Kohier van de Tiende penning. Dataset A. van Steensel, Historisch Leiden in Kaart: Kohier van de tiende penning, 1557 (2016). DANS doi.org/10.17026/dans-zrk-9va3.

: Kohier van de Tiende penning. Dataset D.J. Noordam/Oosten en R.M.R. van Oosten, Historisch Leiden in Kaart. Kohier van de tiende penning, 1561 (2016). DANS doi.org/10.17026/

dans-zkd-sdwn, eveneens raadpleegbaar via Historische Vereniging Oud Leiden/Archiefonderzoek Jan van Hout.

: Volkstelling 1581. Dataset M. Hooymans, Ranking the towns. Nieuw licht op de bevolkingsdichtheid van middeleeuwse steden: Volkstelling Leiden 1581, deel 1 & 2 (2019). DANS doi.org/10.17026/dans-2ag-e6qc.

: Schoorsteengeld 1606, Dataset R.M.R van Oosten, gemaakt door Werkgroep Schoorsteengeld, raadpleegbaar via Historischleideninkaart.nl.

: Klein Familiegeld. Dataset een door de maker Gerrit Jan Peltjes ver strekte MS-Access database aan de Werkgroep Historisch Leiden in Kaart. De dataset is beschikbaar op DANS https://doi.org/10.17026/dans-zfy-wu3y, eveneens raadpleegbaar via Historische Vereniging Oud Leiden/Archiefonderzoek Jan van Hout.

: Volkstelling 1748. Dataset H.A. Diederiks (Universiteit Leiden) en H.D. Tjalsma, Leiden Historical Population Databank 1700-1850, Kohier

(1972). DANS https://doi.org/10.17026/dans-23u-3exj.

G. van Tussenbroek, ‘Geografie van arm en rijk. Het kohier van de tiende penning van Amsterdam (1562)’, Tijdschrift voor Historische Geografie 14 (2018), 242-255, aldaar 244.

Posthumus 1939 (noot 4), 642 vermeldt bijvoorbeeld dat er in 1602 circa drieduizend wevers in Leiden werkzaam zijn, in 1667 ca. 3500. Overigens is het onduidelijk hoe hij aan deze aantallen komt (vgl. p. 642, noot 5 en tabel 113, p. 939).

Posthumus 1939 (noot 4), 817.

In de charters van het kleermakersgilde wordt in 1436, 1519, en 1561 nog uitsluitend gesproken over wantsnijders. In het charter van 1578 komen beide termen naast elkaar voor. Transcripties H. van Endhoven, beschikbaar op de website van Oud Leiden/Jan van Hout archiefonderzoek.

H. Zimmerman, ‘Uit de gracht van Alva. Textielresten onder de loep’, in: H. Brand, J. Benders en R. Nip (red.), Stedelijk verleden in veelvoud. Opstellen over laatmiddeleeuwse stadsgeschiedenis in de Nederlanden voor Dick de Boer, Hilversum 2011, 137-151, aldaar 147.

Posthumus 1908 (noot 4), 165.

Posthumus 1908 (noot 4), 264-267.

Het is opmerkelijk dat wantsnijders bij Posthumus er wat bekaaid vanaf komen. Hij meent dat middeleeuwse Overzicht gebruikte bronnen. In de literatuurlijst staat de opsomming van de gebruikte datasets (transcripties) wantsnijders ‘weinig vermogen’ bezaten en dat hun aantal vergeleken met de drapiers gering was; zie Posthumus 1908 (noot 4), 267. Uit de belastingregisters blijkt het tegendeel. Het waren niet alleen de wantsnijders die lakense stof verkochten, ook drapiers en anderen mochten dat doen. De verkoop hoefde midden vijftiende eeuw ook niet noodzakelijkerwijs op de hal te gebeuren, verkoop aan huis was toegestaan zolang er maar ‘stalgeld’ of ‘ellengeld’ werd betaald. Alleen de verkoop van kleine lappen lakense stof was accijnsvrij.

Dit geldt voor Jacob Balde en Claes de Turck, die beiden uit Vlaanderen afkomstig zijn en in baaien en saaien handelen. Dit is nagegaan in de database van Historisch Leiden in Kaart (www.historischleideninkaart.nl).

M.R. Prak, Gezeten burgers. De elite in een Hollandse stad. Leiden 1700-1780, Amsterdam 1985, 226-228; G.J. Peltjes, Leidse Lasten. Twee belastingkohiern uit 1674 (uitgave van NHDA, Nederlands Historisch Data Archief), Leiden 1985. De tekst van het boek is raadpleegbaar op de website van Oude Leiden/Jan van Hout , paragraaf 5.3.

Posthumus 1939 (noot 4), 711.

Posthumus 1939 (noot 4), 529-530.

Posthumus 1939 (noot 4), 503, 810.

Posthumus 1939 (noot 4), 811, 814.

Posthumus 1939 (noot 4), 564-569.

Posthumus 1939, (noot 4), 1033.

Leiden telde op dat moment 86 werkhuizen. Het stadsdeel Oost-nieuw had een duidelijke concentratie van 32 werkhuizen. In Noord-nieuw stonden opvallend weinig van dergelijke ‘protofabrieken’: slechts vier stuks. H.D. Tjalsma, ‘Een karakterisering van Leiden in 1749’, in: H.A. Diederiks, D.J. Noordam en H.D. Tjalsma (red.), Armoede en sociale spanning. Sociaal-historische studies over Leiden in de achttiende eeuw, Hilversum 1985, 17-44, aldaar 28; in het artikel staan de aantallen niet vermeld. Heiko Tjalsma (Oegstgeest) was zo vriendelijk deze informatie te verstrekken (april 2020).

Productiecijfers afgeleid uit Posthumus 1939 (noot 4), 930-931 (1672), 1098-1099 (1748). Voor het jaar 1674 zijn er geen opgaven van de saainering, daarom is het dichtstbijzijnde voorgaande jaar gekozen.

H.D. Tjalsma, ‘Leidse Textielarbeiders in de achttiende eeuw’, in: J.K.S. Moes en B.M.A. de Vries (red.), Stof uit het Leidse verleden. Zeven eeuwen textielnijverheid, Utrecht 1991, 91-99, aldaar 97.

Over de aard van de bebouwing in dit stadsdeel, zie R.M.R. van Oosten e.a., ‘Leidse wevershuizen in seriebouw. Een materiële getuigenis van “projectontwikkeling” in de Gouden eeuw’, Archeologie in Nederland nr. 3, 2017, 36-45.

Isaac Claesz. van Swanenburg, De Leidse Stedenmaagd met de Oude en de Nieuwe Neringhe, 1596-1601 (Museum De Lakenhal, Leiden)

Gepubliceerd

2020-09-17

Citeerhulp

van Oosten, R. (2020). Het vestigingspatroon van lakenhandelaren, drapiers en wevers in textielstad Leiden 1498-1748. Bulletin KNOB, 119(3), 38-51. https://doi.org/10.7480/knob.119.2020.3.691

Nummer

Sectie

Artikelen