Buitenplaatsenlandschappen in Nederland

‘Gansche streken des lands waren bedekt met buitenhuizen’

Auteurs

  • Hans Renes

DOI:

https://doi.org/10.48003/knob.120.2021.4.728

Samenvatting

Het onderzoek naar buitenplaatsen heeft zich vooral gericht op individuele huizen en tuinen. Rond de belangrijkste steden zijn echter al in de zeventiende en achttiende eeuw zulke aantallen buitenplaatsen gesticht dat ze het landschap domineerden. Echte buitenplaatsenlandschappen ontstonden langs een aantal rivieren (Amstel, Vecht), aan de binnenduinrand en in een aantal droogmakerijen. De rivieren werden in het midden van de zeventiende eeuw aangevuld met een net van trekvaarten en ook daaraan werden linten van buitenplaatsen gebouwd. De grootste dichtheid aan buitenplaatsen werd gebouwd rond Amsterdam, maar ook rond de andere grote steden in Holland en Zeeland kwamen er veel tot stand. De meeste waren bereikbaar over water, maar vooral in Zeeland namen landwegen een belangrijke plaats in. De meeste buitenplaatsen werden gesticht op of naast een landbouwbedrijf, dat meestal bleef bestaan en in veel gevallen de buitenplaats heeft overleefd.De grote dichtheden van buitenplaatsen is voor enkele gebieden gedetailleerd in tijdslijnen gevat. Daaruit blijkt dat het meestal ging om een langzame groei tot een hoogtepunt in de eerste helft van de achttiende eeuw, waarna een geleidelijke afname volgde. In een aantal gebieden is echter een veel snellere ontwikkeling te traceren, met name langs de Vecht.

Na de bloei volgde een teruggang, waarbij in de laatste decennia van de achttiende en de eerste decennia van de negentiende eeuw grote aantallen buitenplaatsen zijn gesloopt en in veel gevallen het land weer in agrarisch gebruik kwam. De teruggang lijkt in Zeeland eerder te hebben plaatsgevonden dan in Holland, maar de regionale verschillen in de teruggang zijn nog onvoldoende duidelijk.

In het tweede kwart van de negentiende eeuw werden weer nieuwe buitenplaatsen gebouwd, maar nu vooral in de reliëfrijke zandgebieden van de Utrechtse Heuvelrug en de zuidelijke Veluwezoom, ontsloten door spoorwegen. De eigenaren legden bij het huis tuinen in landschappelijke stijl aan. Ook kochten ze de aangrenzende enorme heidevelden van gemeenten of boeren en beplantten die met bos. Deze buitenplaatsen hebben daarom een heel ander karakter dan de buitenplaatsen uit de eerdere periode.

De concentraties van buitenplaatsen hebben in het verleden het landschap gedomineerd en waar nog aanzienlijke resten over zijn, vertegenwoordigen ze ook vandaag de dag nog een belangrijke landschappelijke kwaliteit. Bescherming en beheer zou dan ook niet alleen over individuele buitenplaatsen moeten gaan, maar zou ook de groepen buitenplaatsen en hun onderlinge relaties (bijvoorbeeld in de vorm van zichtassen) moeten betreffen. Door beleid te formuleren voor buitenplaatsbiotopen en -linten heeft een aantal provincies  de laatste jaren al goede aanzetten hiertoe gegeven.

Biografie auteur

Hans Renes

Prof. dr. J. Renes (1954) is historisch-geograaf en emeritus-hoogleraar Erfgoedstudies aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij is redactielid van het Tijdschrift voor Historische Geografie en het Journal of European Landscapes en voorzitter van het Netwerk Historisch Cultuurlandschap. Zijn publicaties gaan veelal over historische landschappen en erfgoed in Nederland en Europa.

Referenties

Het citaat in de titel is afkomstig van J. Huizinga, Nederland’s beschaving in de zeventiende eeuw. en schets, Haarlem 1941, 174.

www.kastelen.nl/kastelen-nieuws-nks.php onder 15-11-2019 (geraadpleegd 22 juli 2021).

Y. Kuiper, ‘Onderzoek naar de buitenplaats in de Gouden Eeuw. Een vogelvluchtperspectief’, in: Y.B. Kuiper en B. Olde Meierink (red.), Buitenplaatsen in de Gouden Eeuw. De rijkdom van het buitenleven in de Republiek, Hilversum 2015, 12-41, 17; F. Vogelzang, ‘Buitenplaatsen als exportproduct? Een relatie tussen Italië, de Zuidelijke Nederlanden en de Republiek’, Kasteel & Buitenplaats 16 (2014) 47, 3-8; F. Vogelzang, ‘Het nuttige en het aangename. Buitenplaatsen als investering?’, Kasteel & Buitenplaats 17 (2015), 48, 3-8. Toch zou naar de rol van belegging in landbouwgrond nog eens goed moeten worden gekeken: de meeste buitenplaatsen in de Noordelijke Nederlanden werden gebouwd in de periode 1650-1750, toen dergelijke beleggingen juist minder lucratief waren door de lage prijzen voor landbouwproducten.

Vogelzang 2014 (noot 3).

M. van den Broeke (red.), Buitenplaatsen in het Westland. Met smaak en tot voordeel aangelegd, Heemstede 2018, 14-15.

M. van den Broeke m.m.v. S. den Haan, Buitenplaatsen in Noordgouwe. Hofsteden, lusthoven en landhuizen, Delft 2014, 12.

Deze ‘laantjes’ zijn beschreven door J.D.H. Harten, ‘Stedelijke invloeden op het Hollandse landschap in de 16de, 17de en 18de eeuw’, Holland 10 (1978), 114-134, 118-119.

M. van den Broeke, ‘Het pryeel van Zeeland’. Buitenplaatsen op Walcheren 1600-1820, Hilversum 2016, 27-28. Bertram gebruikt de term hofstede voor een huis met tuin buiten de bebouwde kom. De term buitenplaats is voor hem specifieker: een hofstede die als zomerverblijf in gebruik is bij een stedeling en die is ingericht voor recreatie. C. Bertram, ‘Groenendaal als cultuurhistorische schatkamer. Buitenplaatsen tussen Heemstede en De Glip, 1600-1913’, in: Groenendaal, van buitenplaats tot wandelbos, Heemstede 2013, 69-119, 70.

Bij grondstoffenwinning gaat het voorbeeld om afzandingen, die elders in dit artikel aan bod komen. Langs de Oude Rijn was er ook een verband tussen buitenplaatsen en kleiwinning: G. van Oosterom, ‘Deftig wonen aan de Oude Rijn. De rol van kleiwinning op de ontwikkeling van een vergeten buitenplaatslandschap’, Het Nederlands Landschap. Tijdschrift voor Landschapsgeschiedenis 34 (2016) 1, 12-21.

J. Finch en K. Giles, Estate landscapes. Design, improvement and power in the post-medieval landscape, Woodbridge 2007; J. Finch, K. Dyrmann en M. Frausing (red.), Estate landscapes in northern Europe, Aarhus 2019, 13-14.

G.A. Verschuure-Stuip, ‘De buitenplaatsbiotoop of landgoedbiotoop. Nieuwe allianties in de bescherming van buitenplaatsen en landgoederen’ (Zuid-Holland en Utrecht), Vitruvius nr. 33 (2015), 18-23. Voor beide provincies is de biotoop een instrument voor de bescherming van samenhangende buitenplaatsen en landgoederen.

H. Ronnes, Bij nader inzien, de Nederlandse buitenplaats. Tussen herinnering, vergetelheid en ongemak, Groningen 2019, 4-5.

Van der Wyck gebruikte hiervoor de term buitenplaatslandschap. De meervoudsvorm wordt recentelijk ook vaker gebruikt. Zie bijvoorbeeld: B. Olde Meierink, ‘Buitenplaatslandschappen’, Kasteel & Buitenplaats 19 (2017) 58, 22-29; S. Nijhuis, ‘GIS -toepassingen in onderzoek naar buitenplaatsenlandschappen’, Bulletin KNOB 115 (2016) 3, 147-164; G. Verschuure-Stuip m.m.v. H. Renes, ‘Hollandse buitenplaatsenlandschappen. Buitenplaatsen en hun relatie met het landschap (1609-1672)’, in: Kuiper en Olde Meierink 2015 (noot 3), 42-65.

Verschuure-Stuip en Renes 2015 (noot 13), 50. Een buitenplaatsenlandschap verschilt van een landgoederenlandschap omdat het laatste, waarin huis en tuin omringd worden door de bijbehorende boerderijen, velden en bossen, alleen al daardoor verspreid in het landschap liggen. Is het bij een buitenplaatsenlandschap vooral de aaneenschakeling huizen en tuinen die een gevoel van samenhang oproepen, bij een landgoederenlandschap zijn dat de parken, bossen en landgoedboerderijen.

Olde Meierink 2017 (noot 13).

D. Blom, ‘Buiten in een stadslandschap. “Welk een moed om op zoo groote schaal bosch en park aan te leggen”’, in: Buitenplaatsen. Jaarboek Monumentenzorg 1998, Zwolle/Zeist 1998, 84-95.

Olde Meierink 2017 (noot 13); F. Vogelzang, ‘De zoektocht naar de Stichtse Lustwarande’, Oud-Utrecht 94 (2021) 4, 9-13. De wandelende dominee Jacobus Craandijk paste de term lustwarande toe op de omgeving van Wassenaar, op Walcheren en op de Zuidelijke Utrechtse Heuvelrug: J. Craandijk, Wandelingen door Nederland met pen en potlood, delen 5, Haarlem 1880, en 6, Haarlem 1882.

E. Storms-Smeets (red.), Gelders Arcadië. Atlas van een buitenplaatsenlandschap, Utrecht 2011; A. Loosjes Pz., Hollands Arkadia, of Wandelingen in de Omstreeken van Haarlem, Haarlem 1805; R.J. Ligthelm, De Kralingse buitenplaatsen van de 16e tot de 21e eeuw. Een vergeten Arcadië, Woudrichem 2020; C. Bertram, Noord-Hollands Arcadia. Ruim 400 Noord-Hollandse buitenplaatsen in tekeningen, prenten en kaarten uit de Provinciale Atlas Noord-Holland, Alphen aan den Rijn 2005; M. Glaudemans, Amsterdams Arcadia. De ontdekking van het achterland, Nijmegen 2000.

H. Renes, ‘Wildparken. Landschappen van jacht en wildbeheer in internationaal perspectief’, in: Y. Kuiper e.a. (red.), De jacht. Een cultuurgeschiedenis van jager, dier en landschap, Hilversum 2021, 216-246.

Jan de Marre gebruikte in 1740 de term lustwaranden voor de omgeving van Batavia; A. Zuiderweg, ‘”Lustwaranden van aanminnelyken zwier”. Bataviase thuynen’, Cascade 19 (2010) 1, 23-34. Enkele jaren later besprak de Tegenwoordige Staat de omgeving van Honselaarsdijk als volgt: ‘De Lustwaranden rondsom dit Hof zyn zeer fraai. Behalve eene ruime wildbaan, vogelgaarde en oranjehuis, zijn hier schoone Dreeven en Lustbosschen …’; Tegenwoordige Staat der Verenigde Nederlanden 6 (1746), 595. In de laatste beschrijving worden nog de jachtlandschappen als eerste genoemd, maar rond Batavia gaat het vooral over de tuinen rond de stad.

whc.unesco.org/uploads/nominations/899.pdf.

Olde Meierink 2017 (noot 13).

R. Mulder, Op afbraak. De sloop van buitenplaatsen in de periode 1780-1830, Utrecht 2006 (doctoraalscriptie Taalen Cultuurstudies), 9.

Glaudemans 2000 (noot 18), 74.

Van den Broeke 2016 (noot 8), 34, 400.

Glaudemans 2000 (noot 18), 184. Tegenwoordig zijn er nog 552 officieel erkende buitenplaatsen over: R.W.C. Dessing, De Amsterdamse buitenplaatsen. Een vergeten stadsgeschiedenis, Utrecht 2015, 7.

Bij een onderzoek in het oudste kadaster van Amby, een dorp bij Maastricht met een reeks van buitenplaatsen, bleek bijvoorbeeld een opvallend groot aantal hoveniers in het dorp te wonen: H. Renes, ‘De terrassen aan de oostzijde van Maastricht. Mens en landschap in Amby, Heer en Heugem’, in: G.D. Majoor e.a. (red.), Natuurlijk Maastricht. Compacte stad in een weids landschap, Maastricht 2020, 98-115.

Zie bijvoorbeeld R. van der Laarse, ‘Amsterdam en Oranje. De politieke cultuur van kasteel en buitenplaats in Hollands Gouden Eeuw’, in: Kuiper en Olde Meierink 2015 (noot 3), 68-95. Voor groepen buitenplaatsen die gedomineerd worden door een enkele architect, zie E. van der Laan-Meijer, Het handschrift van L.P. Roodbaard. Ontwerpprincipes van Noord-Nederlandse landschapsparken tot 1850, in voorbereiding.

Bertram 2005 (noot 18), 7.

H. de Leth (tekeningen) en M. Brouërius van Nidek (tekst), Het zegenpralent Kennemerlant, vertoont in veele heerelyke gezichten van deszelfs voornaemste lustplaetzen, adelyke huizen, dorp- en stede-gebouwen, Amsterdam 1629.

Bertram 2005 (noot 18), 7.

R. van Luttervelt, De buitenplaatsen aan de Vecht, Lochem 1948; R. van Luttervelt, De Stichtse Lustwarande, Amsterdam 1949.

H. Tromp en J. Six, De buitenplaatsen van ’s-Graveland, Zeist 1975.

H.W.M. van der Wyck, ‘Voorstellen tot inventarisatie en klassificatie ter bescherming van buitenplaatsen en historische landschappen’, Groen 33 (1977) 2, 41-50; H.W.M. van der Wyck, ‘Het historische landschap van de oostelijke Veluwezoom en Rosendael’, in G.G.[L.] Steur e.a. (red.), Acht zwerfstenen uit het Gelders landschap, Arnhem 1979, 71-116, hierin 72 (kaart) en 76 (term buitenplaatsenlandschap). De kaart maakte deel uit van een atlas, die echter onvoltooid is gebleven.

Voorgangers zijn bijvoorbeeld de concentraties van minilandgoederen rond het machtscentrum van de Utrechtse bisschop: J. van Doesburg e.a., ‘Kastelen in middeleeuwse veenontginningen’, Tijdschrift voor Historische Geografie 2 (2017) 4, 212-230. Zie ook Vogelzang 2014 (noot 3) en R. Meischke, ‘Buitenverblijven van Amsterdammers voor 1625’, Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum 70 (1978), 82-106.

R.E. de Bruin, ‘Leven als een edelman. Kasteelbezit van Utrechtse burgers en patriciërs, 1600-1850’, Jaarboek Oud-Utrecht, 2009, 67-108.

Glaudemans 2000 (noot 18), 58.

J. van Geest en R. Sierksma (red.), Verloren Uitzicht. Bloei en teloorgang van het Wijkermeer, Amsterdam 2002.

Glaudemans 2000 (noot 18), 91.

J. Schuyf, ‘De Huydecopers als projectontwikkelaars in Maarssen’, in: J.E. Abrahamse e. a. (red.), Het landschap beschreven, Hilversum 2021, 169-176, 171.

H. Rijken, De Leidse Lustwarande; de geschiedenis van de tuinkunst op kastelen en buitenplaatsen rond Leiden, 1600-1800, Leiden 2005; S. Schama, Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw, Amsterdam 1988, 298.

Van den Broeke 2018 (noot 5), 21.

Van den Broeke en Den Haan 2014 (noot 6), 10-11.

A.G. van der Steur, ‘De afzanding van de Hollandse binnenduinen in de 17e eeuw’, Contactblad Regionale en Locale Geschiedenis 1 (1968) 58-62; Bertram 2013 (noot 8), 69-73.

Glaudemans 2000 (noot 18); Ronnes 2019 (noot 12), 20.

A. Neuteboom, De Haarlemse buitenplaats in het stadsbeeld, toen en nu (MA-thesis VU, Amsterdam 2019).

Rijken 2005 (noot 43).

R.J. Ligthelm, De Kralingse buitenplaatsen van de 16e tot de 21e eeuw. Een vergeten Arcadië?, Woudrichem 2020.

C.J. van Rossum, ‘De voornaamste vermaaken der Dordtenaaren’. Een studie naar de opkomst en neergang van de buitenverblijven op het Eiland van Dordrecht (1600-1832), Beneden-Leeuwen 2017.

Bertram 2013 (noot 8), 75-77, 79, 82.

Van den Broeke 2018 (noot 5), 22. De kaart van Kruikius (1712) toont in het Westland zo’n honderd buitenplaatsen, waarvan er vijftig met naam worden vermeld: Van den Broeke 2018 (noot 5), 35.

De Bruin 2009 (noot 37).

J.D.H. Harten, ‘Landhuizen en buitenplaatsen’, in: J.D.H. Harten e. a. (red.), De tuin van Utrecht. Geschiedenis en waarden van het landschap in het landinrichtingsgebied Groenraven-Oost, Utrecht 1992, 43-68; H.M. van den Berg, ‘De plaats waarop gij woont had gewijde bestemming. Buitenplaatsen op het terrein van middeleeuwse kloosters’, in: W. Denslagen e.a. (red.), Bouwkunst. Studies in vriendschap voor Kees Peeters, Amsterdam 1993, 63-75; H.M.J. Tromp, Buitenplaatsen bij De Bilt. Vollenhoven, Houdringe en Beerschoten, Zeist 1980; H. Renes, ‘De Uithof v..r De Uithof’, Oud-Utrecht 84 (2011), 35-39. Naast de genoemde buitenplaatsen is ook Sandwijck in De Bilt gesticht op land dat tot de abdij Oostbroek had behoord: H.M.J. Tromp, Sandwijck bij De Bilt, Zeist 1980.

E. Storms-Smeets, ‘Gelders Arcadië. Landgoederen en buitenplaatsen’, in: Storms-Smeets 2011 (noot 18), 32-39, 33.

Van den Broeke 2016 (noot 8), 60-67; H.M. van den Berg 1993 (noot 53).

J.E. Abrahamse, ‘“Wegh der weegen.” Ontwerp en aanleg van de Amersfoortseweg. Een zeventiende-eeuws landinrichtingsproject door Jacob van Campen’, Flehite, Historisch Jaarboek voor Amersfoort en Omstreken 7 (2006), 73-97; J.E. Abrahamse en R. Blijdenstijn, Wegh der weegen. De ontwikkeling van de Amersfoortseweg 1647-2010, Utrecht/Amsterdam 2010; J.E. Abrahamse, ‘A Roman road in the Dutch Republic. Jacob van Campen’s “Via Appia” in the countryside of Utrecht’, Journal of the Society of Architectural Historians 70 (2011) 4, 442-465.

Olde Meierink 2017 (noot 13); J.D.H. Harten, ‘De genese van het Gooise cultuurlandschap’, K.N.A.G. Geografisch Tijdschrift 10 (1976), 93-116; J.D.H. Harten, ‘De Nederlandse buitenplaats’, Historisch-Geografisch Tijdschrift 16 (1998), 178-187; U.M. Mehrtens, ’s-Graveland en zijn buitenplaatsen, Zeist 1985.

J.L. Kloosterhuis, ‘Zandafgraving in het Gooi’, Boor en Spade 8 (1955), 126-131.

Over de problemen met de term ‘hofstede’ zie boven. In ’s-Graveland gaan we ervan uit dat de ‘hofsteden’ uit de eerste fase boerderijen met herenkamers waren.

Schuyf 2021 (noot 40); J. Simonis, J. Kottman en H. van Bemmel (red.), Elsenburg, de verdwenen buitenplaats. Het ontstaan van het buitenleven aan de Vecht, Hilversum 2020.

Van der Laarse 2015 (noot 28), 80.

K. Bossaers, ‘Buitenplaatsen in de Beemster’, De Nieuwe Schouwschuit. Tijdschrift van het Historisch Genootschap Beemster 6 (november 2008), 17-20. Een aantal ‘plaijsirhuijsen’ komt ook al voor in de verponding van 1633: C.L. Nijst en L. den Boon, Geluk in de Beemster. Onderzoek naar buitenplaatsen, eendenkooien en molengangen, Alkmaar 2012. Katja W.J.M. Bossaers heeft een website onderhouden met gedetailleerde gegevens over buitenplaatsen in de Beemster. Na haar overlijden in 2019 is die website echter verdwenen.

Glaudemans 2000 (noot 18), 81-90.

H. Renes, ‘Water en buitenplaatsen’, in: C. Gietman e. a. (red.), Huis en habitus; over kastelen, buitenplaatsen en notabele levensvormen, Hilversum 2017, 98-113. De gegevens voor de Purmer zijn gebaseerd op het boek van C. Boschma-Aarnoudse, Buitenplaatsen in de Purmer. Investeren en buiten leven in een Noord-Hollandse polder, Wormerveer 2015.

Van den Broeke 2016 (noot 8), met een overzichtskaart met 139 buitenplaatsen op de binnenzijde van het omslag.

Van den Broeke en Den Haan 2014 (noot 6); M. van den Broeke, ‘Buitenplaatsen in Noordgouwe, 1820-1940. Notabele levensvormen van het Zierikzeese patriciaat’, in: C. Gietman e.a. (red.), Huis en habitus. Over kastelen, buitenplaatsen en notabele levensvormen, Hilversum 2017, 269-283.

Mulder 2006 (noot 23); R. Mulder, ‘Herfsttij der buitenplaatsen’, Jaarboekje van het Oudheidkundig Genootschap ‘Niftarlake’ (2006), 39-56.

R. Blijdenstein [Blijdenstijn], ‘Negentiende- en vroeg twintigste-eeuws tuinstijlen in zuid-oost Utrecht’, in: K.M. Veenland-Heineman (red.), Tuin & park. Historische buitenplaatsen in de provincie Utrecht, Utrecht 1992, 43-58.

Vogelzang 2021 (noot 17), 11.

Van den Broeke 2018 (noot 5), 41-44.

Zie bijvoorbeeld Olde Meierink 2017 (noot 13).

Mulder 2006 (noot 23).

Zie onder meer Bertram 2005 (noot 18), 8-9.

G. Verschuure-Stuip, Welgelegen. Analyse van Hollandse buitenplaatsen in hun landschappen (1630-1730), Delft 2019, 41-60.

Gepubliceerd

2021-12-19

Citeerhulp

Renes, H. (2021). Buitenplaatsenlandschappen in Nederland: ‘Gansche streken des lands waren bedekt met buitenhuizen’. Bulletin KNOB, 120(4), 4–23. https://doi.org/10.48003/knob.120.2021.4.728

Nummer

Sectie

Artikelen