De kamer van een koopvrouw

Achttiende-eeuwse interieurschilderingen in een Rotterdams huis

Auteurs

  • Jojanneke Clarijs

DOI:

https://doi.org/10.48003/knob.121.2022.1.736

##submission.downloads##

Samenvatting

Het zogenoemde Koopmanshuis aan de Rechter Rottekade 405-407 in Rotterdam onderging in het midden van de achttiende eeuw een verbouwing, waarbij de huidige gevel, trap en ontvangstkamer met interieurschilderingen op de verdieping tot stand kwamen. De iconografie van de schilderingen roept vragen op over betekenis, maker en opdrachtgever. In dit artikel worden het huis, de schilder, de opdrachtgever en de politiek-economische context onderzocht om tot een duiding van het schilderkunstige programma te komen. Het onderzoek geeft inzicht in de diepere betekenis van de schilderstukken en vergroot daarnaast ook onze kennis van de Rotterdamse burgerlijke bouw- en wooncultuur in deze periode.

Het huis kwam grotendeels tot stand in de periode 1718-1735 en heeft de kenmerkende opzet van het Rotterdamse koopmanshuistype met bedrijfsfuncties beneden en woonfuncties op de verdiepingen. In 1756 werd de voorgevel vernieuwd. In diezelfde periode werd een rococo-trap geplaatst en kreeg de eerste verdieping een representatief ontvangstvertrek in rococostijl. Hier bevinden zich de schilderingen: een schoorsteenstuk en een plafondschildering.

Het schoorsteenstuk is een allegorie op de deugden Trouw en Voorzichtigheid. De plafondschildering bestaat uit vier hoekstukken met personificaties van de vier continenten en een middenstuk met personificaties van de Handel en Vrijheid en een gecombineerde personificatie van de Overwinning, Overvloed, Vrede en Milddadigheid (vrijgevigheid). De iconografie is gedeeltelijk ontleend aan de handboeken van Cesare Ripa en Hubert Poot. Een signatuur of datering ontbreekt.

Op basis van stilistische en iconografische overeenkomsten met twee schilderstukken van Dirk Anthony Bisschop (1708-1785) kunnen de schilderingen in het Koopmanshuis aan hem worden toegeschreven. Bisschop vervaardigde interieurschilderstukken, schilderijen, topografische tekeningenn, wapenboeken en stambomen en beschilderde rijtuigen en sieraden. Enkele werken tonen net zo’n eigenzinnige iconografie als in het Koopmanshuis. Bisschop was een gewaardeerd schilder met vooraanstaande families als opdrachtgevers.

De schilderingen en het rococo-interieur zijn aangebracht in opdracht van de remonstrantse Antonetta Verkanten (1702-1774). Zij dreef een handel in thee, koffie, wol en bont, producten die onder meer uit de koloniën werden betrokken. Het nieuwe interieur weerspiegelde haar toegenomen welvaart en sociale ambitie. De thematiek van de schilderingen refereert niet alleen aan de zakelijke activiteiten van Verkanten, maar is ook beïnvloed door de toenmalige internationale, politieke en economische bedreigingen voor de handel, zoals de Zevenjarige Oorlog en internationale concurrentie in de overzeese handel.

Op basis hiervan is het plafondstuk te interpreteren als een allegorie op de intercontinentale handelsvrijheid en een oproep tot vrede, opdat de handel kan gedijen en zorgen voor welvaart. Ook spoort het aan de verworven overvloed te delen. De deugden op het schoorsteenstuk zijn noodzakelijke eigenschappen voor een succesvolle handel.

De schilderingen en het interieur tonen dat niet alleen de elite, maar ook de gegoede burgerklasse representatieve vertrekken liet bouwen volgens de laatste mode en deze liet decoreren met betekenisvolle voorstellingen. Het geheel gaf uitdrukking aan de economische positie, ambities en denkbeelden van de opdrachtgeefster. De schilder Bisschop bezat de intellectuele capaciteit om de boodschap in een bijzondere iconografie uit te werken. Schilderingen als in het Koopmanshuis – zonder kennis van deze achtergrond niet eenvoudig te begrijpen – zijn interessant en relevant voor de geschiedenis van de Nederlandse decoratieschilderkunst.

 

Biografie auteur

Jojanneke Clarijs

Drs. J.M.A.C. Clarijs studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden en volgde de post-bachelor cursus Bouwhistorie en Restauratie  aan de Hogeschool Utrecht. Ze heeft een onderzoeks- en adviesbureau op het gebied van architectuur-, bouw- en interieurhistorie. (www.jojannekeclarijs.nl)

Referenties

Bij het onderzoek naar de interieurschilderingen in het Koopmanshuis en naar D.A. Bisschop heb ik van diverse deskundigen advies en informatie ontvangen. Ik wil hen allen op deze plek nog eens hartelijk danken. Ook gaat mijn dank uit naar de meelezers van dit artikel, Margriet van Eikema Hommes en Richard Harmanni.

De gang van zaken in de jaren zeventig blijkt uit correspondentie, vergaderverslagen, aantekeningen en juridische stukken uit de periode 1968-1975 van de gemeente Rotterdam, de toenmalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Monumentenraad; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), RCE-072, Oud archief gebouwd erfgoed, pandsdossier Rechter Rottekade 405-407 Rotterdam; RCE-104 Monumentenregistratie, aanschrijvingen artikel 8+9 Rechter Rottekade 405-407 Rotterdam en RCE-140 artikel 8+9 lijsten Rechter Rottekade 405-407 Rotterdam; mededelingen door oud-bewoner F.L. Maas op 13 november 2019. De panden zijn sinds 1995 eigendom van Stadsherstel Historisch Rotterdam.

C. Bakker en A. van der Zwan, Bouwhistorische verkenning van de panden Rechter Rottekade 405-417 te Rotterdam, ongepubliceerd rapport, Middelharnis/Gouda 2003; P. Bulthuis, De restauratie van de Rotterdamse koopmanshuizen Rechter Rottekade 405-417, Rotterdam 2007, 21.

Het onderzoek naar de panden Rechter Rottekade 405-407 en 413-417 leverde meerdere (ongepubliceerde) deelrapporten op van de hand van respectievelijk H. van Velsen, R. van der Schans, L. Megens en W. van der Sar, en J. Clarijs.

Ook op deze buitenplaatsen vonden bedrijfsactiviteiten plaats, zoals een wolwasserij en -drogerij bij Huis den Arend uit ca. 1700; H. van Velsen, Cultuurhistorisch onderzoek koopmanshuizen R. Rottekade, ongepubliceerd rapport, Rotterdam 2019, 39-40.

De bouwhistorische informatie in dit artikel is ontleend aan J. Clarijs, Koopmanshuizen Rechter Rottekade 405-417 te Rotterdam. Bouwhistorisch onderzoek, ongepubliceerd rapport, Hoogland 2020.

Scheepsslijter kan zowel scheepsmakelaar als scheepssloper betekenen. Stadsarchief Rotterdam (SR), 15, Oud Rechterlijk Archief (ORA), inv.nr. 561 36641, giftebrief 3 mei 1718; SR, 295

Archief van het ambacht Cool (Cool), inv.nr. 56, begraafinschrijving 31 januari 1732; SR, 15, ORA, inv.nr. 572 41097, giftebrief 23 april 1735; R. van der Schans, Salon giften prot. 289, ongepubliceerd rapport, Bennekom 2020, 19, 24.

SR, 1-01, Oud Archief van de Stad Rotterdam (OSA), inv.nr. 4985, folio 258, rekest 3 februari 1756; R. van der Schans, Salon rekesten Fabricage, ongepubliceerd rapport, Bennekom 2020, 17-19.

Zie onder meer M.D. Ozinga, ‘Het Rotterdamsche Koopmanshuis in zijn bloeitijd’, De Nieuwe Rotterdamsche Courant, 30 juli 1933, 1 augustus 1933, 4 november 1933, 5 november 1933; M. Meeuwes, De Wijnhavenpanden. Geschiedenis van de bouw, sloop, herbouw, bewoning en het gebruik van acht bijzondere panden in het Centrum van Rotterdam en hun directe omgeving, Rotterdam 1994, 61-74; R. Meischke en H.J. Zantkuijl, ‘De laatste oude huizen van Rotterdam. Haringvliet Zz’, Bulletin KNOB 103 (2004) 1/2, 1-22.

Het Koopmanshuis heeft tegenwoordig wel een tweede ingang in de voorgevel. De voorgevel uit omstreeks 1756 had één centrale ingang met aan weerszijden een venster. Nadien is het linkervenster gewijzigd in een deur, zo is te zien aan bouwsporen in de plint. Overigens is het goed mogelijk dat de voorgevel vóór 1756 ook al twee ingangen had.

Een voorbeeld hiervan is het huis aan de Leuvehaven 74 uit 1761 met een gesneden trappartij en een zaal met betimmering, schouw, porte-brisée, stucplafond en schilderingen van Dionys van Nijmegen (1705-1798). Onderdelen hiervan bevinden zich tegenwoordig in het Schielandshuis: Museum Rotterdam, inv.nrs. 11306, 35368, 35495; Ozinga 1933 (noot 8); RCE, Beeldbank 22.073, 22.075, 22.085, 22.089-22.092, OF.05871-OF.05874.

Over de porte-brisée in de achttiende eeuw zie J. Pijzel-Dommisse, ‘1700-1750’, in: C.W. Fock (red.), Het Nederlandse interieur in beeld 1600-1900, Zwolle 2001, 181-259, m.n. 184, 185, 189, 194; E.J. Koldeweij, ‘1750-1800’, in: C.W. Fock (red.), Het Nederlandse interieur in beeld 1600-1900, Zwolle 2001, 261-341, m.n. 267; J. de Haan, In sc ne gezet. De verbinding tussen architectuur, ruimte en objecten in Friese interieurs (Nijmeegse Kunsthistorische Cahiers 21), Nijmegen 2014, 36-46.

Pijzel-Dommisse 2001 (noot 11) 189-193; Koldeweij 2001 (noot 11) 270-274; Bakker en Van der Zwan 2003 (noot 2), 23.

SR, 18, Oude Notari le Archieven (ONA), inv.nr. 3051 852-981, boedelinventaris 15 april 1776. De beschreven meubilering is vermoedelijk die van het ontvangstvertrek.

C. Ripa, Iconologia of Uytbeeldinghen des Verstants, vertaald door Dirck Pietersz. Pers, Amsterdam 1644; H.K. Poot, Het groot natuur- en zedekundigh werelttoneel of woordenboek van […] zinnebeelden of beeldenspraek, 3 delen, Delft 1743-1750.

Ripa 1644 (noot 14), 162-163, 622; Poot 1743-1750 (noot 14), I 479 en III 309-310.

Ripa 1644 (noot 14), 602-605; Poot 1743-1750 (noot 14), III 27-29, 32-34, 35-37, 39-41.

Het doek is samengesteld uit twee delen, getuige de middennaad. Blijkbaar koos de opdrachtgever niet voor één groot, maar veel duurder doek. Mededeling R. Harmanni, 27 mei 2021.

Ripa 1644 (noot 14), 271, 573-574; Poot 1743-1750 (noot 14), III 333-335, 707-709; F. Grijzenhout, ‘De verbeelding van de Vrijheid in de Nederlandse kunst, 1570-1870’, in: E.O.G. Haitsma Mulier en W.R.E. Velema, Vrijheid. Een geschiedenis van de vijftiende tot de twintigste eeuw, Amsterdam 1999, 253-285, m.n. 255-256; mededelingen M. van Eikema Hommes, 14 december 2020.

De bij Milddadigheid horende adelaar ontbreekt hier echter. De winkelhaak lijkt bij de passer te horen; het zijn vaste attributen voor de meetkunde of bouwkunst, maar deze betekenissen zijn hier niet waarschijnlijk. Er is vooralsnog geen bevredigende verklaring voor deze objecten gevonden.

Ripa 1644 (noot 14), 332, 400-401, 402-403, 568-570; Poot 1743-1750 (noot 14), II 152-153, 304-306 en III 375-379, 390-392, 395.

A. Staring, Jacob de Wit 1695-1754, Amsterdam 1958, 26-41, 73; J.W. Niemeijer, ‘De ateliernalatenschap van het Rotterdamse schildersgeslacht Van Nijmegen’, Bulletin van het Rijksmuseum 16 (1969), 59-110, m.n. 63-69; G. van den Hout, ‘“Kapitale Kunsttaferelen”. Jacob de Wit als schilder van plafondstukken’, in: J. Boonstra en G. van den Hout (red.), In de wolken. Jacob de Wit als plafondschilder, Amsterdam 2000, 44-61, m.n. 56, 59; Pijzel-Dommisse 2001 (noot 11), 188; mededelingen M. van Eikema Hommes, 14 december 2020.

Niemeijer 1969 (noot 21) 63-69; Pijzel-Dommisse 2001 (noot 11), 187; Koldeweij 2001 (noot 11), 264-265, 268; R. Baarsen, ‘Rococo in Nederland’, in: R. Baarsen e.a., Rococo in Nederland, Amsterdam/Zwolle 2002, 13-23, 22. Ook uit pigmentonderzoek blijkt een datering in de achttiende eeuw het meest waarschijnlijk; L. Megens en W. van der Sar, Materiaaltechnisch onderzoek van schilderingen in de Rechter Rottekade 405 en 413 te Rotterdam (RCE-projectnummer 2020-103), ongepubliceerd rapport, Amsterdam 2020, 5-7.

Bulthuis 2007 (noot 2), 14. Van de restauratie van de plafondschildering zijn uitvoerder, precieze werkzaamheden en verslaglegging onbekend. Het materiaaltechnisch onderzoek uit 2020 (noot 22) betrof alleen een pigmentonderzoek ten behoeve van de datering. Nader materiaal-technisch onderzoek kan aanvullende informatie opleveren over onder meer de werkwijze van de schilder, restauraties en overschilderingen.

Olieverf op doek. Het schilderstuk is hier in 1989 geplaatst na een eerdere herplaatsing in huis Nieuw Rijksdorp uit 1895. J.P.M. Goudeau e.a., ‘De Rijksdorpen’, Leids Jaarboekje 1984, 123-152, m.n. 134-135; M.B. Schipper, Kunsthistorisch onderzoek naar het stucwerkplafond van de raadszaal en de plafondschildering in de Pieter Twentzaal in het raadhuis De Paauw te Wassenaar, ongepubliceerde scriptie, s.l. 1995, 7-14.

Mogelijk is haar blauwe gewaad met gouden bloemen een verwijzing naar de nachtelijke sterrenhemel, die van belang was voor de scheepvaart.

Ripa 1644 (noot 14), 267-268, 271, 354, 602-605; Poot 1743-1750 (noot 14), III 27-29, 32-34, 35-37, 39-41, 680, 702, 707-709.

Olieverf op doek, 120 x 89 cm, privé collectie, Nijmegen; G.Th.M. Lemmens (red.), ‘...Om dair in die kleijne arme verlaten weeskens in toe stellen..’. Geschiedenis van de stedelijke weeshuizen te Nijmegen (Catalogi van het kunstbezit van de gemeente Nijmegen 7), Nijmegen 1996, 36.

Olieverf op doek, 174 x 77 cm. Het schoorsteenstuk is in 2016 door Rodenburg en Keus Antiek te Dordrecht verkocht en bevindt zich sindsdien in een privé collectie. Mededelingen K. Rodenburg, 8 juni 2020.

Een allegorie op de Handel, zoals vermeld op www.rkd.nl, is minder waarschijnlijk gezien het ontbreken van de caduceus; Ripa 1644 (noot 14), 19-20, 63-64, 83-84, 131, 141, 239, 344-347, 400-401, 432-433, 560; Poot 1743-1750 (noot 14), I 203-204, 241-242, 476-477, 494-495 en II 173, 304-306, 475 en III 289-297, 328-330, 441.

Toeschrijving door Lemmens op basis van rekeningen uit 1746. Lemmens 1996 (noot 27), 34.

Hierbij werden enkele fouten gemaakt die door latere auteurs zijn overgenomen. Bisschop is opgenomen in onder meer: R. van Eijnden en A. van der Willigen, Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst, sedert de helft der XVIII eeuw. Tweede deel, Haarlem 1817, 355; C. Kramm, Geschiedenis van de beeldende kunsten in de Nederlanden – Hollandsche en Belgische School – van den vroegsten tot op onzen tijd, Amsterdam 1864, 96; J.H. Scheffer en F.D.O. Obreen, Rotterdamsche Historiebladen. Derde afdeeling. Genealogische aanteekeningen en levensbeschrijvingen, Rotterdam 1880, 564-565; U. Thieme en F. Becker, Allgemeines Lexikon der bildenden Künstler. Von der Antike bis zur Gegenwart. Vierter Band Bida-Brevoort, Leipzig [1910], 63; P.A. Scheen, Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars, 1750-1880, Den Haag 1981, p. 45; A. Beyer e.a., Saur Allgemeines Künstlerlexikon. Die bildenden Künstler aller Zeiten und Völker. Band 11 Bïklär-Bobrov, München/Leipzig 1995, 228.

Regionaal Archief Dordrecht (RAD), 11, Doop-, trouw- en begraafboeken Dordrecht (DTB), inv.nr. 8, doopinschrijving 4 april 1708.

RAD, 11, DTB, inv.nr. 87, trouwinschrijving 10 oktober 1694; RAD, 11, DTB, inv.nr. 7-8, doopinschrijvingen 23 maart 1695, 16 november 1696, 2 februari 1703, 4 februari 1705, 4 april 1708.

SR, 18, ONA, inv.nr. 2220 752, inv.nr. 2223 633, inv.nr. 2223 706, inv.nr. 2227 229, inv.nr. 2227 297, inv.nr. 2231 781, inv.nr. 2231 835, inv.nr. 2237 504, inv.nr. 2237 538, inv.nr. 2243 664, inv.nr. 2249 600 en inv.nr. 2249 665, rekeningstaten 1720-1738. De straatnaam is vermeld op de begraafinschrijving van Elisabeth van Schaeck: SR, 9999_18 Begraven 1740-1749, begraafinschrijving 19 februari 1746.

SR, 1-02 Doop-, Trouw-, Begraafregisters Rotterdam (DTB), inv.nr. 74, trouwinschrijving 17 februari 1743.

SR, 1-02, DTB, inv.nr. 28-29, doopinschrijvingen 26 februari 1743, 11 maart 1745, 22 september 1746, 18 februari 1748, 4 augustus 1750; SR, 9999_18, Begraven 1740-1749, begraafinschrijvingen uit 1743, 1745; SR, 9999_24 Begraven 1800-1809 en SR, 2 Ambacht en gemeente Charlois (Charlois), inv.nr. 553 1818.33, begraafinschrijvingen 1753, 1754, 1809, 1818.

Doopinschrijvingen uit 1743-1750 (noot 36); SR, 2, Charlois, inv.nr. 57, begraafinschrijving 10 september 1796; SR, 18, ONA, inv.nr. 2617 1109, boedelinventaris uit 1750; SR, 18, ONA, inv.nr. 3274 500 en inv.nr. 3229 328, notari le aktes uit 1774 en 1782.

Begraafinschrijving d.d. 7 juni 1785, SR, 2, Charlois, inv.nr. 56; Begraafinschrijving d.d. 12 september 1796, SR, 9999_23.

G.H. Veth, ‘Aanteekeningen omtrent eenige Dordrechtsche schilders’, Oud-Holland 5 (1887), 155-160, m.n. 156-160; P. Marijnissen e.a. (red.), De Zichtbaere Werelt. Schilderkunst uit de Gouden Eeuw in Hollands oudste stad, tent.cat. Dordrechts Museum Dordrecht, Zwolle/Dordrecht 1992, 85; mededelingen S. Paarlberg, conservator oude kunst Dordrechts Museum, 2 april 2020. Een andere zoon van Cornelis, Abraham (1670-1729), was eveneens werkzaam als decoratieschilder en bekend om zijn schilderijen van vogels.

Trouwinschrijving uit 1694 (noot 33); Marijnissen 1992 (noot 39), 85.

N. Schad e, ‘Een Rotterdams museum van in- en uitheemse voortbrengselen. De collectie van de gebroeders Bisschop’, Rotterdams Jaarboekje 2001, 217-234. Deze broers waren ook de opdrachtgevers van een rijk rococo-interieur met interieurschilderingen aan de Leuvehaven 74 (noot 10).

Ook zal Bisschop werk (of prenten naar het werk) hebben gezien van andere belangrijke achttiende-eeuwse decoratieschilders als Jacob de Wit (1695-1754) uit Amsterdam, Mattheus Terwesten (1670-1757) uit Den Haag, Adriaen van der Werff (1659-1722) uit Rotterdam en Gerard de Lairesse (Luik 1641-Amsterdam 1711), auteur van het invloedrijke Het Groot Schilderboek uit 1707 met instructies voor het schilderen van wand- en plafondschilderingen.

SR, 18, ONA, inv.nr. 3451 642, Notariële akte uit 1780; J.H. Scheffer en F.D.O. Obreen, Rotterdamsche Historiebladen. Tweede afdeeling. Geschiedkundige stukken. Eerste deel, Rotterdam 1876, 439-442, 444.

Van Eijnden en Van der Willigen 1817 (noot 31), 355.

Deze gevierde en zeer productieve Rotterdamse schilder, tekenaar en aquarellist beeldde vooral historische en militaire taferelen als zee- en veldslagen uit; M.E. Deelen e.a., Dirk Langendijk (1748-1805). Tekenaar tussen kruitdamp en vaderlands gevoel, Rotterdam 1982, 8; M. Thissen-Menalda, Dirk Langendijk (1748-1805). Tekenaar in woelige tijden, Haarlem 1993, 7.

Dat blijkt uit vermelding van een betaling aan Bisschop in een rekeningenstaat uit 1782 van Johannes van Eenekins: SR, 18 ONA, inv.nr. 3229 991; www.rkd.nl (geraadpleegd 19 februari

.

Gewassen tekening, pen en inkt, 22,6 x 17,9 cm, geveild op 14 november 2014 onder de (foutieve) titel Allégorie de l’ascension au tr ne de Georges III d’Angleterre 1768, www.artnet.com

(geraadpleegd 19 februari 2020). Een door Noach van der Meer gemaakte ets naar de tekening bevindt zich in Rijksmuseum Amsterdam, inv.nr. RP-P-OB-23.493. Een latere staat van de prent is gebruikt in Verlicht en juichend Nederland, of Vaderlandsche geschiedenissen; van het tijdstip, dat (...) den heere prinse van Oranje (...) digniteiten (...) heeft aenvaerd en bekleed, Leiden 1776, 269-271. Deze publicatie beschrijft de belangrijkste decoraties die in het hele land waren aangebracht ter gelegenheid van de meerderjarigheid van prins Willem V.

Resp. SR, 4080, Prenten en tekeningen, inv.nrs. XVIII-42, RI-499 en RI-500; Roterodamum Illustratum. Beredeneerde Beschrijving van den Geschiedkundigen Atlas in het Archief der Gemeente Rotterdam aanwezig betrekkelijk het Hoogheemraadschap Schieland en de Stad Rotterdam, Rotterdam 1871, 205.

Voor Hartman de Custer zie SR, 33-01, Handschriften gemeente Rotterdam, inv.nr. 12; H.C. Hazewinkel, ‘Dirk en Jan Anthonie Langendijk en Christoffel Meijer’, Rotterdams Jaarboekje, 1955, 121-142, m.n. 128. Voor Roerom gaat het om een gesigneerde tekening op (waarschijnlijk) perkament, 58 x 37,3 cm, privé collectie. Foto van de stamboom in RAD, 11, DTB, inv.nr 551_55146. Mededelingen door S. Paarlberg, conservator oude kunst Dordrechts Museum, op 2 april 2020. Het alliantiewapen van Hoogwerf en Van Baerle meet 44,5 x 34 cm, huidige verblijfplaats onbekend; SR, 1-02, DTB, inv.nr. 74, trouwinschrijving 23 september 1745; RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD), beelddocumentatie Oude Nederlandse Schilderkunst, map 0670 Decoratieve schilderkunst algemeen. De kwartierstaat van Cornelis van Rijckevorsel betreft een tekening op perkament, huidige verblijfplaats onbekend; Scheffer en Obreen 1880 (noot 31), 564-565.

Thieme en Becker 1910 (noot 31), 63; Beyer e.a. 1995 (noot 31), 228.

J. van de Maas, ‘Het Herenhuis Wijnstraat 45’, Dordrechtsche Courant, 22 april 1916. In C.J.P. Lips, Wandelingen door Oud-Dordrecht, Zaltbommel 1974, 35 wordt het werk toegeschreven aan Jacobus Bisschop, maar een onderbouwing hiervoor ontbreekt. Het is de vraag of Lips het werk heeft gezien, omdat het kort na 1916 uit het pand verwijderd werd.

Verlicht 1776 (noot 47), 269, 271. Volgens Van Eijnden en Van der Willigen in 1817: ‘[…] muntte hij uit door geestigheid, kunst en zeer natuurlijke behandeling der voorwerpen; hij was een verdienstelijk Teekenaar […]’; Van Eijnden en Van der Willigen 1817 (noot 31), 355.

Nicolaes Langenberg was een zoon van Maerte Gerrits Langenberg. Hij was al eerder gehuwd geweest. De vier kinderen waren Martinus (1729-1739), Alida (1731-1797), Michiel (1734-1782) en Martina (1738-1779); SR, 1-02, DTB, inv.nr. 72, trouwinschrijving 8 april 1727; SR, 1-02, DTB, inv.nr. 146 en 147, doopinschrijvingen 22 februari 1729, 20 februari 1731, 16 december 1734, 10 augustus 1738; giftebrief uit 1735 (noot 6); SR, 295, Cool, inv.nr. 56-58, begraafinschrijvingen 31 juli 1737, 3 februari 1750, 7 september 1774, 12 april 1779, 6 augustus 1782; SR, 9999, 23, Begraven 1790-1799, begraafinschrijving 19 april 1797; RCE-072, pandsdossier Rechter Rottekade 405-407 Rotterdam, eigenarenoverzicht uit 1964 door C.A.A. de Graaf; www.genealogieonline.nl (geraadpleegd 16 augustus 2021).

Michiel was in 1771 gehuwd met de Rotterdamse, rooms-katholieke Maria Bijleveld (1743-1808), dochter van Cornelis Bijleveld en Elisabeth van Wagelingh. Zij kregen acht kinderen. In 1799 verkocht Bijleveld het huis. SR, 1-02, DTB, inv.nr. 160, doopinschrijving 23 juli 1743; SR, 295, Cool, inv.nr. 52, trouwinschrijving 27 april 1771; SR, 15, ORA, inv.nr. 605 55735, giftebrief 30 oktober 1799; SR, 9999_24, Begraven 1800-1809, begraafinschrijving 30 mei 1808; eigenarenoverzicht uit 1964 (noot 53); Van der Schans 2020 (noot 6), 29-30; www.genealogieonline.nl (geraadpleegd 16 augustus 2021).

Trouwinschrijving uit 1727 (noot 53); doopinschrijvingen uit 1729-1738 (noot 53). Het was in de achttiende eeuw niet ongebruikelijk om naar een verwante geloofsgemeenschap over te gaan. Zo trad Dionys van Nijmegen toe tot de remonstrantse gemeente onder beding dat hij het doopsgezinde gedachtegoed aangaande het eedswezen en wapenvoeren bleef volgen. E. Cossee, ‘Remonstrants Rotterdam in de vroegmoderne tijd’, in: T. Barnard en E. Cossee (red.), Arminianen in de Maasstad. De Remonstrantse Gemeente Rotterdam, Amsterdam 2008, 11-61, m.n. 44.

De remonstrantse geloofsgemeenschap was begin zeventiende eeuw ontstaan als afsplitsing van de Nederduits Gereformeerde Kerk vanuit bezwaren tegen de belijdenisgeschriften en onenigheid over overheidsbemoeienis in kerkelijke zaken. De leer kenmerkte zich door vrijheid en verdraagzaamheid; A. van der Schoor, Stad in aanwas. Geschiedenis van Rotterdam tot 1813, Zwolle 1999, 329; Cossee 2008 (noot 55), 11-61.

Testament d.d. 31 mei 1765, SR, 18 ONA 3033 717-726; boedelinventaris uit 1776 (noot 13); eigenarenoverzicht uit 1964 (noot 53). De familie De Koker was deels doopsgezind, deels remonstrants en verkeerde in collegiantenkringen. Een van hen, de remonstrantse koopman Gerrit de Koker (1712-1797) is bekend als stichter van het gelijknamige hofje uit 1784. E.H. Cossee, ‘De Rotterdamse familie De Koker’, Doopsgezinde Bijdragen. Nieuwe reeks 22 (1996), 233-237;

Cossee 2008 (noot 55), 34-36, 45-47.

Testament uit 1765 (noot 57); boedelinventaris uit 1776 (noot 13).

Van Velzen 2019 (noot 4), 45-50.

De toegenomen rijkdom blijkt ook uit het feit dat zoon Michiel in 1771 bij zijn huwelijk liefst dertig gulden aan rechten moest betalen; trouwinschrijving uit 1727 (noot 53); testament uit 1765 (noot 57); trouwinschrijving uit 1771 (noot 54); boedelinventaris uit 1776 (noot 13); eigenarenoverzicht uit 1964 (noot 53).

A.J.J.M. Bonke, De kleyne mast van de Hollandse coopsteden. Stadsontwikkeling in Rotterdam 1572-1795 (Amsterdamse Historische Reeks 32), Amsterdam 1996, 127, 131, 136; Van der Schoor 1999 (noot 56), 316, 331.

Het betreft het dubbele pand met huisnummer 413-417; SR, 15, ORA, inv.nr. 584 45563 en 45564, giftebrieven 4 februari 1756; Van der Schans 2020 (noot 6), 27-28.

Rekest uit 1756 (noot 7); Van der Schans 2020 (noot 7), 17-19.

O. van Nimwegen, De Nederlandse Burgeroorlog 1748-1815, Amsterdam 2017, 29-35.

Van der Schoor 1999 (noot 56), 362-370.

De nijverheid en visserij liepen terug, de handel bleef gelijk en de landbouw en financiële dienstverlening groeiden.

Bonke 1996 (noot 61), 97-98; Van der Schoor 1999 (noot 56), 317-319; I.J.A. Nijenhuis, ‘De ontwikkeling van het politiek-economische vrijheidsbegrip in de Republiek’, in: E.O.G. Haitsma

Mulier en W.R.E. Velema, Vrijheid. Een geschiedenis van de vijftiende tot de twintigste eeuw, Amsterdam 1999, 233-252, m.n. 235, 239, 247-249.

Bonke 1996 (noot 61), 96-98; Van der Schoor 1999 (noot 56), 319-320.

Nijenhuis 1999 (noot 67), 234-235, 237, 239-240, 242.

Nijenhuis 1999 (noot 67), 235-236, 240, 250.

Het is niet bekend of de schilderstukken onderdeel zijn geweest van een groter decoratieprogramma, met bijvoorbeeld de uitbeelding van meer deugden.

Bijvoorbeeld een decoratieprogramma van Dionys van Nijmegen uit ca. 1728, bestaande uit een plafondstuk met het Samengaan van Recht en Vrede en drie bovendeurstukken met respectievelijk de Voorzichtigheid, de Vrijheid en de Overvloed. De herkomst is onbekend, de stukken bevinden zich nu in een particuliere collectie; www.rkd.nl (geraadpleegd 23 maart 2021). Een later voorbeeld bestaat uit drie bovendeurstukken in Breestraat 101 in Beverwijk met de Vrede, Vrijheid en Overvloed door Jacobus Luberti Augustini uit omstreeks 1780; I. Verslype e.a., ‘A “painted chamber” in Beverwijk by Jacobus Luberti Augustini. Novel insights into the working methods and painting practices in a painted wall-hanging factory’, in: H. Evans en K. Muir, Studying 18th-Century Paintings and Works of Art on Paper, Londen/Kopenhagen 2015 (CATS Proceedings II), 83-95, m.n. 83-87; www.fromisolationtocoherence.nl (geraadpleegd 30 augustus 2021).

www.fromisolationtocoherence.nl (geraadpleegd 23 maart 2021) en mededelingen M. van Eikema Hommes, 3 mei 2021. Over de schildering verschijnt in 2022 een publicatie door

M. van Eikema Hommes en T. van Run.

De schilderstukken zijn in 1756 vervaardigd door Jurriaan Buttner (?-1767) in opdracht van walvisreder en schepen Jan Tarelink, zie J. Clarijs, De zaal van huis Bartolotti te Amsterdam. Ruimteboek, ongepubliceerd werkstuk Hogeschool Utrecht, Hoogland 2014, 51-57.

Mededeling M. van Eikema Hommes, 14 december 2020.

Een vroeger en twee latere voorbeelden van interieurschilderingen in opdracht van gegoede burgers die betrekking hebben op de contemporaine politiekbestuurlijke situatie en persoonlijke ambities van de opdrachtgever zijn: de geschilderde behangsels uit 1660-1663 door Ferdinand Bol in opdracht van Jacoba Lampsins uit Nieuwegracht 6 te Utrecht (tegenwoordig verspreid over het Vredespaleis in Den Haag en het Noordbrabants Museum in Den Bosch); het schoorsteenstuk uit 1784 door Christoffel Frederik Franck in opdracht van koopman en reder Jan Ymes Tichelaar in Kerkstraat 35 te Makkum; en de geschilderde kamer uit 1778 door Andries Warmoes voor de doopsgezinde lakenkoopman Egbert Hofkes, aan de Grotestraat 62 in Almelo. S. ten Hoeve, Een herenhuis voor een patriot. Kerkstraat 35 te Makkum en zijn plaats in de Friese architectuurgeschiedenis, Makkum 2011, 56-61; M. van Eikema Hommes, Art and Allegiance in the Dutch Golden Age. The Ambitions of a Wealthy Widow in a Painted Chamber by Ferdinand Bol, Amsterdam 2012, 105-167; M. van Eikema Hommes en P. Bakker, ‘A Triumph With No Battle. The Significance of a Painted Wall Hanging (1778) in the Hofkeshuis in Almelo’, Oud Holland (2016) 2/3, 47-10.

Gepubliceerd

2022-03-19

Citeerhulp

Clarijs, J. (2022). De kamer van een koopvrouw: Achttiende-eeuwse interieurschilderingen in een Rotterdams huis. Bulletin KNOB, 121(1), 21–42. https://doi.org/10.48003/knob.121.2022.1.736

Nummer

Sectie

Artikelen